Officiële Bekendmakingen (KOOP)
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
De SLIM-regeling wordt gewijzigd. In artikel 2.1 krijgt de begripsbepaling van 'onderwijsinstelling' een aangepaste formulering. In artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, onder 1, wordt de verwijzing naar beroepsopleidingen vervangen door een verwijzing naar beroepsopleidingen in de loopbaanbegeleidende leerweg. Dit houdt verband met de nieuwe terminologie.
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder:
–aanvraagtijdvak:het tijdvak waarin subsidie kan worden aangevraagd binnen de periode, bedoeld in artikel 6;
–erkend leerbedrijf:een bedrijf of organisatie als bedoeld in artikel 5.2.3, tweede lid, van de WEB dat zorg draagt voor het onderricht in de praktijk van het beroep van de student;
–gerealiseerde praktijkplaats:een praktijkplaats waarbij, binnen een periode van 52 aaneengesloten weken, daadwerkelijk onderricht in de praktijk van het beroep bij het erkend leerbedrijf voor de duur van maximaal 40 weken plaatsvindt of heeft plaatsgevonden;
–minister:de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
–onderwijsinstellingen in het mbo:een instelling of een aanbieder van niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1.1 van de WEB;
–praktijkplaats:praktijkplaats als bedoeld in artikel 7.2.9 van de WEB;
–praktijkovereenkomst:schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de WEB;
–RVO:Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat;
–scholing via praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg:een beroepsopleiding in de loopbaanbegeleidende leerweg als bedoeld in artikel 11.1.3 van de WEB waarbij sprake is van beroepspraktijkvorming waarvoor een erkend leerbedrijf een praktijkplaats realiseert, gericht op het behalen van een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 van de WEB, een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 van de WEB of een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6a van de WEB;
–subsidieaanvrager:een voor de opleiding erkend leerbedrijf dat een subsidie aanvraagt op grond van deze regeling;
–WEB:Wet educatie en beroepsonderwijs; en
–Wet SUWI:Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Op het aanvragen en verstrekken van subsidie op grond van deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, met uitzondering van de artikelen 3.1., 7.1. en 7.2., van toepassing.
1
Het doel van deze regeling is om directe en duurzame inzetbaarheid van werkzoekenden en werkenden op de arbeidsmarkt te verbeteren, door scholing via praktijkleren in het mbo in de loopbaanbegeleidende leerweg bij een erkend leerbedrijf te subsidiëren.
2
Onder werkzoekenden en werkenden vallen:
personen die betaalde arbeid verrichten;
personen die in aanmerking komen voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van de artikelen 30a van de Wet SUWI en 73 van de Werkloosheidswet; en
personen die in aanmerking komen voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van de artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, of 7a, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet.
1
De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een erkend leerbedrijf voor een gerealiseerde praktijkplaats.
2
De aaneengesloten periode van 52 weken waarbinnen de gerealiseerde praktijkplaats dient plaats te vinden vangt aan vanaf de startdatum van de praktijkovereenkomst.
3
Als er sprake is van een volgend aanvraagtijdvak, kan in dat volgende aanvraagtijdvak een aanvraag worden ingediend voor het resterende deel van de praktijkplaats.
Subsidie op grond van artikel 4 wordt slechts verstrekt indien:
de student scholing via praktijkleren in het mbo in de loopbaanbegeleidende leerweg heeft gevolgd die gericht is op een kwalificatie die is opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1. van de WEB en de gevolgde scholing voldoet aan de eisen gesteld in hoofdstuk 7 van de WEB;
de verzorging van het onderricht in de praktijk van het beroep voor de student door het erkende leerbedrijf heeft plaatsgevonden op grond van en overeenkomstig de tussen hen gesloten praktijkovereenkomst;
het erkende leerbedrijf beschikt over een aanwezigheidsadministratie voor de student bij de beroepspraktijkvorming;
het erkende leerbedrijf beschikt over een administratie waaruit de begeleiding van de student in het kader van de beroepspraktijkvorming blijkt;
de volgende gegevens aan de minister zijn geleverd:
het persoonsgebonden nummer, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet register onderwijsdeelnemers; en
de basisgegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van die wet.
Een subsidieaanvraag kan bij de minister worden ingediend in de volgende aanvraagtijdvakken:
van 2 november 2026, 09:00 uur, tot en met 27 november 2026, 17:00 uur;
van 1 november 2027, 09:00 uur, tot en met 30 november 2027, 17:00 uur;
van 1 november 2028, 09:00 uur, tot en met 30 november 2028, 17:00 uur;
van 1 november 2029, 09:00 uur, tot en met 30 november 2029, 17:00 uur; en
van 1 november 2030, 09:00 uur, tot en met 29 november 2030, 17:00 uur.
De minister stelt per aanvraagtijdvak het subsidieplafond vast. De vastgestelde subsidieplafonds worden bekendgemaakt in de Staatscourant en op www.rvo.nl/subsidies-financiering/praktijkleren-derde-leerweg.
1.
Per gerealiseerde praktijkplaats bedraagt de subsidie ten hoogste € 2.700. Dit bedrag wordt vastgesteld naar rato van het aantal weken dat de student bij de beroepspraktijkvorming aanwezig is geweest.
2.
Het beschikbare budget wordt evenredig over de ingediende aanvragen verdeeld.
3.
Het subsidiebedrag per gerealiseerde praktijkplaats wordt berekend aan de hand van het beschikbare budget voor het desbetreffende aanvraagtijdvak gedeeld door het aantal gerealiseerde praktijkplaatsen dat in aanmerking komt voor subsidie in dat aanvraagtijdvak.
1
Een subsidieaanvraag wordt ingediend tot uiterlijk een jaar na afronding van de gerealiseerde praktijkplaats, waarvoor subsidie wordt gevraagd.
2
Een praktijkplaats wordt als afgerond beschouwd na het einde van de beroepspraktijkvorming, als bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid, van de WEB.
3
Indien een aanvraag wordt ingediend voor afronding van de praktijkplaats, dan ziet de aanvraag op het deel van de praktijkplaats dat is gerealiseerd voor indiening van de aanvraag.
4
In geval het indienen van een subsidieaanvraag op of kort voor de sluitingsdatum van een aanvraagronde langere tijd niet mogelijk is aan de kant van het elektronisch loket, bedoeld in artikel 10, eerste lid, kan de minister met inachtneming van een redelijke termijn een nieuw tijdstip voor uiterste indiening van een subsidieaanvraag bepalen. De minister maakt dit tijdstip bekend op www.rvo.nl/subsidies-financiering/praktijkleren-derde-leerweg.
De subsidieaanvrager dient de subsidieaanvraag elektronisch in door middel van het daarvoor bestemde elektronisch aanvraagformulier dat beschikbaar wordt gesteld via www.rvo.nl/subsidies-financiering/praktijkleren-derde-leerweg.
Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidie in ieder geval geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien de subsidieaanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen;
1
De minister stelt binnen 13 weken na sluiting van het aanvraagtijdvak, waarin de aanvraag is gedaan, de subsidie vast zonder voorafgaande verlening.
2
Onverminderd artikel 5.4 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS werkt de subsidieontvanger, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en de bescheiden genoemd in artikel 5 onderdeel b, c, en d, mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het beoordelen of een subsidie terecht is verstrekt.
Aan de verstrekking van de subsidie is de verplichting verbonden dat de subsidieontvanger de gegevens, bedoeld in artikel 5, onderdeel b, c en d gedurende vijf jaren bewaart na datum van het vaststellingsbesluit.
1
Aan de directeur-generaal RVO wordt mandaat verleend tot:
het voorbereiden en nemen van besluiten namens de minister op grond van deze regeling;
het nemen van besluiten namens de minister op grond van de Wet open overheid over informatie die verband houdt met deze regeling;
het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in de onderdelen a en b; en
het in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep.
2
De directeur-generaal RVO kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, ondermandaat verlenen aan één of meer onder hem ressorterende medewerkers.
1
De minister is verwerkingsverantwoordelijke als bedoeld in artikel 4 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, voor de verwerking van persoonsgegevens op basis van deze regeling.
2
De directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat is verwerker voor de verwerking van persoonsgegevens ter uitvoering van de gemandateerde taken, bedoeld in artikel 14. Aan de directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat wordt mandaat verleend tot het afhandelen van verzoeken van betrokkenen op grond van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, en het voorbereiden en nemen van besluiten in dit kader namens de minister.
3
De persoonsgegevens die verwerkt worden ter uitvoering van deze regeling worden niet verder verwerkt voor andere doeleinden, met uitzondering van verwerking van deze gegevens voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de Subsidieregeling groepshulpen kinderopvang.
Onverminderd het toezicht door de Inspectie van het onderwijs worden de ambtenaren die een arbeidsovereenkomst hebben bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, voor zover zij werkzaamheden verrichten ten behoeve van de uitvoering van deze regeling, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij deze regeling.
volgt scholing of heeft scholing gevolgd via praktijkleren in het mbo als bedoeld artikel 1 van de Subsidieregeling praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg 2026;
1
De minister draagt zorg voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling.
2
De subsidieaanvrager werkt mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling en de ontwikkeling van het beleid van de minister. De subsidieaanvrager verstrekt in dat kader de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, niet zijnde persoonsgegevens.
1
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Deze regeling vervalt met ingang van 1 april 2031.
2
In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling van toepassing op de afwikkeling van verleende subsidies op grond van deze regeling.
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg 2026.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
De inwerkingtreding op 1 augustus 2026 van de Wet verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt brengt met zich mee dat de terminologie ‘praktijkleren in de derde leerweg’ niet meer wordt gebruikt. In plaats daarvan wordt ‘praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg’ als benaming gebruikt. De citeertitel is daarmee in lijn gebracht, evenals de terminologie in de tekst van de regeling.
De Subsidieregeling praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg 2026 is de opvolger van de Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg die een looptijd kende van 14-12-2021 tot en met 31-3-2026. Deze regeling bouwt voort op de doelstellingen en kernpunten van haar voorganger, om zo de continuïteit in het beleid te waarborgen.
De Subsidieregeling praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg 2026 heeft eveneens tot doel de directe en duurzame inzetbaarheid van werkzoekenden en werkenden op de arbeidsmarkt te verbeteren door bij- en omscholing via praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg op een praktijkplaats bij een erkend leerbedrijf te subsidiëren.
Onder de doelgroep vallen:
Personen die betaalde arbeid verrichten;
personen die in aanmerking komen voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van de artikelen 30a van de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (Wet SUWI) en 73 van de Werkloosheidswet. Dit omvat werkenden waarbij redelijkerwijs is aan te tonen dat binnen vier maanden hun dienstbetrekking zal beëindigen en redelijkerwijs valt aan te nemen dat zij recht zullen hebben op een werkloosheidsuitkering alsook personen die recht hebben op een werkloosheidsuitkering. Voorts omvat dit onderdeel personen die recht hebben op een uitkering of arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), de Ziektewet (ZW) en Wajongers; en
personen die in aanmerking komen voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, of 7a, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet.
Bij praktijkleren in het mbo voor werkzoekenden en werkenden wordt werken bij een bedrijf of organisatie die als erkend leerbedrijf een praktijkplaats biedt, gecombineerd met het doen van (een deel van) een mbo-opleiding. Het kan gaan om een mbo-opleiding:
gericht op het behalen van een praktijkverklaring. Dit betreft praktijkleren op maat, waarbij in de praktijk van het leerbedrijf delen (werkprocessen) uit mbo-opleidingen worden geleerd op basis van de mogelijkheden van de student en het bedrijf. De praktijkverklaring, waarin de in het leerbedrijf geleerde werkprocessen zijn vermeld, maakt deel uit van de mbo-verklaring. Als aanvullende lessen of examens zijn behaald, krijgen die ook een plek in de mbo-verklaring;
gericht op het behalen van een certificaat. Hierbij doet de student een onderdeel van een mbo-opleiding, waaraan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een certificaat heeft verbonden vanwege de arbeidsmarktrelevantie voor werkzoekenden en werkenden. Bij een certificaattraject gaat het om uitvoering van een afgerond takenpakket dat deel uitmaakt van een beroep. Dit leert de kandidaat door het uitvoeren van een aantal werkprocessen in het leerbedrijf, aangevuld met bijbehorende lessen en een examen;
gericht op het behalen van een diploma. Hierbij gaat het om een mbo-opleiding die kan worden ingekort vanwege opgedane werkervaring en/of een eerder afgeronde opleiding.
Bij een diplomagericht traject voert de student werkprocessen uit in het leerbedrijf, aangevuld met relevante lessen en examens.
Deze mbo-opleidingen worden uitgevoerd in de zogenaamde loopbaanbegeleidende leerweg. Deze leerweg wordt niet door het Ministerie van OCW bekostigd en is een aanvulling op de mogelijkheid om een diplomagerichte mbo-opleiding te volgen via de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) of de beroepsopleidende leerweg (bol), waarvoor roc’s, aoc’s en vakinstellingen bekostiging ontvangen van het Ministerie van OCW. De loopbaanbegeleidende leerweg kent, anders dan de andere twee leerwegen in het mbo, geen wettelijk vastgestelde urennorm voor begeleide onderwijstijd en beroepspraktijkvorming. Daarnaast geldt de wettelijke studieduur niet. Ook kan in de loopbaanbegeleidende leerweg een deel van een mbo-opleiding worden gedaan. Door deze kenmerken biedt de loopbaanbegeleidende leerweg meer mogelijkheden voor maatwerk, wat juist voor werkzoekenden en werkenden waardevol is.
Praktijkleren in het mbo:
past goed bij mensen die praktisch zijn ingesteld en biedt daarmee ook goede mogelijkheden voor bij- en omscholing van niet of praktisch opgeleide mensen;
leidt gericht op voor een (deel van een) beroep;
kent, omdat scholing gecombineerd wordt met werken, geen ‘lock-in-effect’ (niet of minder beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt door het volgen van theoretische scholing);
is gestoeld op een landelijke infrastructuur, waarbij gebruik kan worden gemaakt van mbo-opleidingen en erkende leerbedrijven met door het Ministerie van OCW vastgestelde waarborgen voor kwaliteit;
biedt de mogelijkheid tot stapsgewijze ontwikkeling; en
resulteert in documenten die herkenbaar zijn voor zowel werkgevers als onderwijsinstellingen, wat arbeidstoeleiding, overstappen naar een andere sector en doorontwikkeling op een later moment ten goede komt (civiele waarde voor de arbeidsmarkt).
De subsidie die op grond van deze regeling wordt verstrekt, heeft betrekking op de kosten van het bedrijf of de organisatie voor het als erkend leerbedrijf realiseren van een praktijkplaats. Denk hierbij aan kosten voor begeleiding, de verminderde arbeidsproductiviteit van de kandidaat die nog in opleiding is en eventuele verletkosten als sprake is van aanvullende lessen of examens die elders plaatsvinden. Om een praktijkplaats te kunnen bieden dient het bedrijf of de organisatie door de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) erkend te zijn als leerbedrijf voor (het deel van) de mbo-opleiding dat de kandidaat gaat doen.
De subsidie ziet niet op de kosten van de mbo-instelling voor de uitvoering van de mbo-opleiding.
Voorwaarde voor het verstrekken van de subsidie aan het bedrijf of de organisatie voor het als erkend leerbedrijf realiseren van een praktijkplaats is dat de mbo-instelling die de opleiding in de loopbaanbegeleidende leerweg uitvoert deze opleiding heeft opgenomen in Registratie instellingen en opleidingen van de Dienst Uitvoerend Onderwijs (DUO). Daarnaast is er sprake van een praktijkovereenkomst (POK). In de POK worden afspraken gemaakt tussen de mbo-instelling, het erkend leerbedrijf die een praktijkplaats realiseert en de student (kandidaat) over de inrichting van de beroepspraktijkvorming.
De duur van de opleiding waarvoor subsidie wordt verstrekt, is gemaximeerd op 52 aaneengesloten weken vanaf de startdatum zoals opgenomen in de POK, waarbij het maximale subsidiebedrag wordt bereikt bij 40 weken daadwerkelijk onderricht in de praktijk van het beroep. Geen subsidie wordt verstrekt aan het erkende leerbedrijf als een kandidaat een hele kalenderweek niet aanwezig is op de praktijkplaats. Voor het realiseren van een praktijkplaats van 40 weken kan het erkende leerbedrijf een subsidie van maximaal € 2.700 krijgen. Als de kandidaat minder dan 40 weken aanwezig is geweest op de praktijkplaats, wordt de hoogte van de subsidie naar rato vastgesteld.
Indien een langere duur van de mbo-opleiding gewenst is, kan dit worden afgesproken in de POK.
Voor het realiseren van een praktijkplaats waar een kandidaat een (deel van een) mbo-opleiding doet in de loopbaanbegeleidende leerweg, kan het erkende leerbedrijf eenmalig subsidie ontvangen.
Op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), is de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig indien het noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen. In het kader van deze regeling heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dergelijke taken van algemeen belang. Uit artikel 3, derde en vierde lid van de Kaderwet SZW-subsidies volgt dat deze taken bij de minister zijn belegd. Artikel 3, derde en vierde lid, van de Kaderwet SZW-subsidies vormt daarmee de grondslag van de gegevensverwerking.
De uitvoering van deze taken is gemandateerd aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (RVO). RVO verwerkt alle persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken in dit kader als verwerker, ten behoeve van de minister als verwerkingsverantwoordelijke. Hieruit volgt dat RVO gebonden is aan de wettelijke grondslagen voor de rechtmatige verwerking van persoonsgegevens die gelden voor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De verwerking door RVO wordt uitgewerkt in verwerkersafspraken, op grond van artikel 28, derde lid, Algemene verordening gegevensbescherming.
De volgende categorieën gegevens worden door RVO verwerkt:
Wettelijk identificatienummer (zoals burgerservicenummer of onderwijsnummer student);
Overige identificatiegegevens (zoals naam student, naam leerbedrijf en naam contactpersoon leerbedrijf);
Contactgegevens (zoals telefoonnummer en e-mailadres contactpersoon leerbedrijf);
Adresgegevens (zoals correspondentie- en vestigingsadres leerbedrijf);
Financiële gegevens (zoals IBAN en BIC leerbedrijf);
Bedrijfsgegevens (zoals Kamer van Koophandel nummer); en
Gegevens praktijkplaats (zoals opleidingscode, betrokken onderwijsinstelling, start- en einddatum beroepspraktijkvorming, erkenningsgegevens leerbedrijf en aantal weken begeleiding).
Onderhavige subsidieregeling is een persoonsgebonden subsidie. Een erkend leerbedrijf kan subsidie aanvragen als de praktijkplaats is gerealiseerd: de prestatie is geleverd. De gegevensverwerking is noodzakelijk om de rechtmatigheid van de subsidieaanvraag te kunnen beoordelen en zodoende de juiste subsidie te kunnen verstrekken aan de subsidieaanvrager. Omdat de subsidie is gekoppeld aan een specifiek opleidingstype (leerweg) in combinatie met een specifieke praktijkplaats voor een specifieke student, zijn persoonsgegevens van deze student benodigd. Verwerkt worden persoonsgegevens benodigd voor de beoordeling van de praktijkplaats in combinatie met het erkende leerbedrijf en in combinatie met de mbo-opleiding in de loopbaanbegeleidende leerweg uitgevoerd door een mbo-instelling. Alleen gegevens nodig ter identificatie van het leerbedrijf, het opleidingstype en de praktijkplaats, gegevens benodigd voor communicatie met het leerbedrijf en gegevens benodigd voor de uitbetaling van de subsidie worden verwerkt.
Bij de eerdere Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg is het – ondanks de beschikbaar gestelde informatie, die ook onderdeel is van de aanvraagprocedure zelf – niet reëel gebleken om van werkgevers te verwachten dat zij de specifieke technische kennis hebben dan wel afdoende tot zich nemen met betrekking tot de verschillende opleidingstypen waar beroepspraktijkvorming onderdeel van is, waaronder praktijkleren in het mbo in de destijds geheten derde leerweg, en de wijze waarop deze financieel worden ondersteund. Bij 20% van de subsidieaanvragen vroeg RVO nadere gegevens op bij de indieners aangaande de praktijkovereenkomst, die de gegevens bevat over het specifieke opleidingstype.
De onderwijsinstelling heeft deze kennis wel en is er ook voor verantwoordelijk dat de benodigde informatie juist in het Register Onderwijsdeelnemers van DUO komt te staan. Op verzoek van RVO controleert DUO deze gegevens en verstrekt de uitkomst van de controle aan RVO. De grondslag voor de gegevensuitwisseling is opgenomen in artikel 39, derde lid, van het Besluit register onderwijsdeelnemers. De uitgewisselde gegevens zijn de in artikel 5, onderdeel e, genoemde gegevens, te weten:
het persoonsgebonden nummer, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet register onderwijsdeelnemers; en
de basisgegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van die wet.
DUO verstrekt aan RVO alleen die gegevens die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de rechtmatigheid van de subsidieaanvraag, om zo de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen te minimaliseren. Deze uitwisseling wordt automatisch via een beveiligde verbinding tussen RVO en DUO tot stand gebracht. Voor het correct koppelen van gegevens is gebruik van het burgerservicenummer, of bij het ontbreken daarvan, het gebruik van het onderwijsnummer nodig. Op grond van artikel 10 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer kan RVO gebruik maken van het burgerservicenummer ter uitvoering van de Subsidieregeling praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg. De rechten van de studenten die voortvloeien uit de AVG worden niet beperkt. Voor de uitoefening van die rechten – zoals een inzage en/of verwijderingsverzoek – kunnen betrokkenen zich wenden tot RVO.
Voor de voorheen geldende Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg is advies gevraagd aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Dit advies is in die regeling verwerkt. Daarnaast is voor het wijzigingsbesluit Besluit register onderwijsdeelnemers van 11 december 2024, ten behoeve van de gegevensuitwisseling tussen RVO en DUO, advies gevraagd aan de AP. Deze adviezen zijn verwerkt. In deze regeling zijn geen wijzigingen gebracht in het regime dat al gold voor de betrokken verwerkingen (qua omvang, soort verwerkingen, juridisch regime, impact, doelen of anderszins). Om die reden is er geen advies gevraagd bij de AP.
De Subsidieregeling praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg 2026 is opgesteld met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.
ProportionaliteitBalans tussen doel en middelProportionaliteit betekent dat er een balans moet zijn tussen het doel en middel dat wordt ingezet om het doel te bereiken. Het doel van deze regeling is om de directe en duurzame inzetbaarheid van werkzoekenden en werkenden op de arbeidsmarkt te verbeteren. De mogelijkheid om een deel van een mbo-opleiding in de loopbaanbegeleidende leerweg te volgen is relatief nieuw en nog niet heel veel werkgevers maken daarvan gebruik. De directe kosten van de begeleiding kunnen een obstakel zijn voor werkgevers. Dit belemmert de bijdrage die scholing via praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg kan bieden aan het re-integreren van werkzoekenden, het verbeteren van de arbeidsmarktpositie van (kwetsbare) werkenden, de aanpak van personeelstekorten en een leven lang ontwikkelen. Het doel van de subsidie is om dat gedeeltelijk weg te nemen in de vorm van een subsidie aan werkgevers voor de begeleiding. Deze regeling is daarbij een effectief middel om het doel te bereiken.
Balans tussen doel en de inbreuk op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenenDe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen staat in evenredige verhouding tot de verwerkingsdoeleinden, omdat de inbreuk beperkt is en de gegevensverwerking bijdraagt aan het re-integreren van werkzoekenden, het verbeteren van de arbeidsmarktpositie van (kwetsbare) werkenden, de aanpak van personeelstekorten en een leven lang ontwikkelen. Daarnaast hebben betrokkenen een (in)direct belang. De regeling is voor werkgevers van belang omdat deze financiële belemmeringen deels wegneemt, waardoor de drempel om medewerkers via praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg te ontwikkelen verlaagd wordt. Voor onderwijsdeelnemers vergroot dit de toegang tot praktijkplaatsen bij erkende leerbedrijven, wat hun arbeidsmarktpositie en duurzame inzetbaarheid versterkt. Wel dient de beoogde verwerking van persoonsgegevens, met name van aanvragers (erkende leerbedrijven) en deelnemers, afgewogen te worden tegen deze belangen. Bij de uitvoering van de subsidieregeling wordt terughoudend omgegaan met persoonsgegevens, waarbij slechts de noodzakelijke gegevens worden verwerkt en opgevraagd. Met deze subsidie wordt beoogd om de financiële belemmeringen voor werkgevers voor het realiseren van een praktijkplaats (gedeeltelijk) weg te nemen. Deze subsidie en de gegevensverwerking die daarvoor nodig is, is daarvoor het meest effectieve middel.
Er is gekozen voor een gegevensverwerking waarbij er gegevensuitwisseling plaatsvindt met DUO, SBB en KVK. Dit is effectief en voorkomt de aanlevering van onvolledige of onjuiste informatie.
Naast de juistheid van de gegevens is de gegevensverwerking beperkt tot het doel en wordt hiermee gecontroleerd of aan de subsidievoorwaarden is voldaan. Verder is de gegevensverwerking te verwachten en te voorzien voor betrokkenen, doordat deze wordt toegelicht op de website van RVO. De inbreuk op privacy weegt als laatste op tegen het maatschappelijke belang, omdat de regeling niet alleen individuen helpt, maar ook bijdraagt aan het grotere doel om de directe en duurzame inzetbaarheid van werkzoekenden en werkenden te verbeteren.
SubsidiariteitSubsidiariteit ziet op de vraag of het mogelijk is om met een minder ingrijpend middel hetzelfde doel te bereiken en of er met een mindere zware verwerking van persoonsgegevens dit had kunnen worden gedaan. Dit is niet het geval. Er zijn geen redelijk toepasbare en minder belastbare alternatieven voor deze subsidieregeling. Werkgevers ervaren de directe opleidingskosten als belemmerend. De subsidieregeling speelt hier direct op in door het bieden van een tegemoetkoming in de kosten voor werkgevers om het praktijkdeel van mbo-opleidingen te verzorgen. Daarnaast is ook binnen deze regeling gekeken naar een alternatieve manier om de administratieve lasten en verwerking persoonsgegevens te verminderen. Een van de nevendoelen van deze regeling is om de administratieve lasten van werkgevers (aanvragers) laag te houden.
Om die reden is ervoor gekozen om de informatie die nodig is voor de beoordeling van subsidieaanvragen gedeeltelijk te verzamelen via een uitwisseling van gegevens met DUO, SBB en KvK. Er worden hierbij niet meer dan de noodzakelijke gegevens uitgewisseld. Voor deze werkwijze is gekozen, omdat die minder belastend en efficiënter is voor mbo-studenten, werkgevers als subsidieaanvrager en tenslotte voor RVO als de uitvoerende partij. De alternatieve wijze waarbij de aanvrager alle informatie zelf moet aanleveren brengt meer administratieve last mee voor werkgevers en mogelijk onderwijsinstellingen alsmede mbo-studenten.
De begunstigde is een erkend leerbedrijf als bedoeld in artikel 1.5.3. van de WEB. De begunstigde is dus een onderneming. Met de subsidieverlening wordt beoogd dat bedrijven zich als leerbedrijf inzetten om de directe en duurzame inzetbaarheid van werkzoekenden en werkenden op de arbeidsmarkt te verbeteren. De subsidie ziet op de kosten voor het als erkend leerbedrijf realiseren van een praktijkplaats. Denk hierbij aan kosten voor begeleiding, de verminderde arbeidsproductiviteit van de kandidaat die nog in opleiding is en verletkosten. De subsidie bedraagt voor de maximum looptijd (40 weken) maximaal 2.700 euro per student. De kosten worden naar rato van het aantal weken waarin het onderwijs in de praktijk plaatsvond berekend. Voor praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg wordt vanuit OCW geen subsidie aan de leerbedrijven verstrekt. Met de subsidieverlening voor een deel van de kosten van een erkend leerbedrijf, wordt beoogd de financiële belemmeringen van werkgevers (gedeeltelijk) weg te nemen. Het doel hiermee is dat meer bedrijven erkenning aanvragen om als leerbedrijf voor deze doelgroep te dienen en hen praktijkplaatsen te bieden.
Nu de kosten van een leerbedrijf bij lange na niet door de subsidie worden gedekt, is er geen sprake van verstoring van de mededinging. Ook wordt de handel tussen de lidstaten door deze subsidieregeling niet negatief beïnvloed. Bij deze subsidieregeling is daarom geen sprake van staatssteun.
Sinds het in 2019 ingenomen kabinetsstandpunt is er voor werking van regelgeving op Caribisch Nederland (hierna CN) een ‘comply or explain’ principe. Voorzieningen die in Europees Nederland beschikbaar zijn, zijn in principe ook in CN beschikbaar (comply), tenzij onderbouwd wordt dat de betreffende voorziening voor CN niet relevant is, bijvoorbeeld omdat de problematiek waar de voorziening betrekking op heeft daar niet speelt of omdat op een andere manier reeds in een gelijkwaardige voorziening wordt voorzien (explain).
De Subsidieregeling praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg 2026 is niet van toepassing op CN. Deze hangt namelijk samen met de WEB. Momenteel integreert het Ministerie van OCW de nu nog specifieke wetgeving voor het beroepsonderwijs in CN met de WEB. Het wetsvoorstel 'Integratie Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten BES' zorgt ervoor dat het mbo in CN dezelfde kwalificaties, leerwegen, diploma’s en certificaten kent als het mbo in Europees Nederland. Momenteel is dit nog niet in werking en om die reden is de uitbreiding van de subsidieregeling op CN niet aan de orde. Na inwerkingtreding van voornoemd wetsvoorstel zal RVO onderzoeken hoe RVO uitvoering kan geven in CN aan de Subsidieregeling praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg 2026 in combinatie met de Subsidieregeling praktijkleren van het Ministerie van OCW. Zodra de Subsidieregeling praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg 2026 van toepassing wordt verklaard voor CN zal dit expliciet in de subsidieregeling worden opgenomen.
Het subsidieplafond per aanvraagtijdvak zal per aanvraagtijdvak bekend worden gemaakt via de Staatscourant en de website van RVO. Zo kan beter rekening worden gehouden met nieuwe ontwikkelingen en veranderende omstandigheden. Deze toelichting is tevens de eerste mededeling voor het subsidieplafond voor het aanvraagtijdvak van artikel 6 sub a. Het plafond voor dat aanvraagtijdvak bedraagt € 2,4 miljoen.
De subsidieregeling wordt uitgevoerd door RVO. RVO is betrokken geweest bij het opstellen van de gewijzigde regeling en heeft een uitvoeringstoets uitgevoerd. De gewijzigde regeling blijkt op basis van deze toets uitvoerbaar, maakbaar in de systemen en handhaafbaar.
Vanwege de benodigde gegevensuitwisseling met DUO heeft ook DUO een uitvoeringstoets uitgevoerd. De gewijzigde regeling blijkt op basis van deze toets maakbaar, haalbaar en uitvoerbaar, en heeft een beperkte impact op de systemen en processen bij DUO. Door DUO is aangegeven dat rekening dient te worden gehouden met de gewijzigde terminologie a.g.v. de inwerkingtreding van de Wet Verbetering Aansluiting Beroepsonderwijs en Arbeidsmarkt (VABA) per 1 augustus 2026. De wijzigingen hiervoor zijn verwerkt.
De subsidie heeft opengestaan voor internetconsultatie van 8 juni 2026 tot en met 5 juli 2026. Op de internetconsultatie zijn 21 reacties binnengekomen. Zoals eerder is aangegeven is momenteel ervoor gekozen om de eerdere regeling (die is vervallen per 1 april 2026) zoveel mogelijk ongewijzigd voort te zetten in afwachting van de verdere uitwerking van het beleid aangaande scholing/een leven lang ontwikkelen van werkenden en werkzoekenden. Beleidssuggesties die zijn gedaan in de reacties komen om die reden nu niet in de regeling terecht. De suggesties zullen wel worden meegenomen bij de uitwerking van het beleid aangaande scholing/ een leven lang ontwikkelen.
Zekerheid subsidiebedrag en oormerking budgetEr zijn verschillende reacties ingestuurd over de onzekerheid over het te ontvangen subsidiebedrag. Bij deze regeling is ervoor gekozen om alle aanvragers die voldoen aan de voorwaarden subsidie te verstrekken, in plaats van een systeem waarin de volgorde van indienen doorslaggevend is. Het subsidiebedrag per gerealiseerde praktijkplaats wordt berekend door het voor het aanvraagtijdvak beschikbare subsidieplafond te delen door het totaal aan gerealiseerde praktijkplaatsen die in aanmerking komen voor subsidie in het betreffende aanvraagtijdvak, met een maximum van € 2.700 per gerealiseerde praktijkplaats. Dit kan ervoor zorgen dat bij overvraging van de regeling, zoals bij de laatste twee van de zeven tijdvakken is gebeurd, het uiteindelijke subsidiebedrag lager uitvalt.
Omdat er geen onderbouwde inschatting te maken is van het verwachte aantal aanvragen, blijft dit risico bestaan. Dit kan ten koste gaan van de stimulans die uitgaat van de regeling, wat de doeltreffendheid van de regeling niet ten goede komt. Aan de hand van het onderzoek dat wordt gedaan naar begeleiding bij leren in de praktijk, zal naar alternatieve vormen van bekostiging gekeken worden. Een van de opties, zoals gesuggereerd in enkele reacties op de internetconsultatie, is het gerichter inzetten van de regeling, waarbij alleen praktijkplaatsen worden gesubsidieerd waar een deel van een mbo-opleiding kan worden gedaan resulterend in een praktijkverklaring of mbo-certificaat. Dit omdat een volledige mbo-opleiding ook gedaan kan worden in de beroepsbegeleidende leerweg en voor subsidiëring van de praktijkplaats een beroep gedaan kan worden op de Subsidieregeling praktijkleren van het Ministerie van OCW.
Uitbreiding doelgroepHet verzoek is gedaan om de doelgroep van de regeling uit te breiden naar mensen met een dagbestedingsindicatie, die formeel niet werkzoekend zijn, zodat zij worden gestimuleerd om zich te ontwikkelen om eventueel op termijn de stap naar betaald werk te kunnen zetten.
De Ministeries van VWS, OCW en SZW verkennen, mede naar aanleiding van de motie Westerveld1Kamerstukken II 2023–24, 36 443, nr. 10, hoe (jonge) mensen met een beperking in de dagbesteding zich verder kunnen ontwikkelen.
Daarbij wordt gekeken naar (a) het beleidsdoel (respectievelijk het ontwikkelen van mensen met een beperking, het ontwikkelen van jongeren, het ontwikkelen voor het kunnen doen van werk), (b) de daarbij horende afbakening, ook in juridische zin, van de doelgroep en (c) hoe de daarvoor geschikte opleidingen kunnen worden georganiseerd en gefinancierd.
Uitbreiding soort begeleidingHet verzoek is gedaan om bij de regeling rekening te houden met de extra begeleiding die nodig is om mensen met meervoudige problematiek te ondersteunen op een praktijkplaats, zoals deelnemers van de ESB-regeling. Aan de hand van het onderzoek dat wordt gedaan naar de verschillende vormen van begeleiding bij leren in de praktijk, kunnen nadere keuzes worden gemaakt over de bijdrage van de rijksoverheid aan de bekostiging ervan.
Administratieve lastenIn verschillende reacties werd gevraagd de administratieve eisen te vereenvoudigen. Zo werd gevraagd beter aan te sluiten bij de Subsidieregeling praktijkleren van het Ministerie van OCW. Met deze regeling wordt de aanvraagprocedure veranderd. Er wordt een knip gemaakt tussen een beoordelings- en controlefase. Hierbij hoeft een aanvrager bij de aanvraag geen onderliggende documenten meer te uploaden (denk aan de praktijkovereenkomst, de urenadministratie en de begeleidingsadministratie). Pas bij de controlefase worden steekproefsgewijs de onderliggende documenten gecontroleerd. Deze procedure sluit aan bij de aanvraagprocedure van Subsidieregeling praktijkleren en verlaagt de administratieve last van aanvragers.
Suggesties die al mogelijk waren in de vorige regelingDaarnaast werd gesuggereerd om ook lopende praktijkplaatsen subsidiabel te maken en breder te kijken dan alleen naar met werkloosheid bedreigde werknemers. Dit was al mogelijk gemaakt bij de vorige regeling. Ook in deze regeling is het mogelijk voor een nog niet afgeronde praktijkplaats een subsidieaanvraag te doen voor de reeds gemaakte begeleidingsuren en kan in den brede subsidie worden aangevraagd voor personen die betaalde arbeid verrichten.
Duidelijkere toelichting staatsteunGevraagd is om een duidelijkere toelichting te geven over of bij deze regeling sprake is van staatssteun en over het vallen van de regeling onder de de-minimis of DAEB-deminimis. De toelichting is om die reden aangepast.
Aanvragen in tijd dat de regeling niet van kracht wasIn de reacties is gevraagd om duidelijkheid te geven over de subsidiëring van praktijkplaatsen die in de periode tussen het aflopen van de vorige regeling (1 april 2026) en het eerste aanvraagtijdvak van de nieuwe regeling (november 2026) zijn gestart of doorlopen. In de regeling is opgenomen dat de subsidieaanvraag binnen een jaar na afronding van de gerealiseerde praktijkplaats moet worden ingediend. Hierdoor is het ook mogelijk om voor deze praktijkplaatsen subsidie aan te vragen, mits aan de overige voorwaarden is voldaan.
Verlenging aanvraagperiodeGevraagd is om het aanvraagtijdvak langer open te stellen. De subsidie kan pas worden vastgesteld na afloop van het jaarlijkse aanvraagtijdvak als bekend is hoeveel praktijkplaatsen in aanmerking komen voor subsidie. Langere openstelling biedt geen voordelen, alleen het nadeel dat aanvragers langer moeten wachten op uitsluitsel over hun aanvraag. Hier wordt niet voor gekozen.
Monitoring en evaluatie regelingEr werd gevraagd naar informatie rondom het gebruik van de regeling, eventuele knelpunten die worden ervaren bij het aanvragen en de doeltreffendheid van de regeling. Naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van de regeling zal worden gekeken bij het onderzoek naar de begeleiding bij leren in de praktijk.
Uitvoeringstechnische vragenEr zijn twee reacties ontvangen die gingen over de uitvoering van de regeling. Ten eerste is gevraagd naar het format bij de verantwoording. Hierbij werd aangegeven dat er altijd een opleidingscode moest worden ingevuld, ook als de scholing een keuzedeel betreft. Er wordt uitgegaan dat het hier gaat om de formats voor de administratie die op de website van RVO staan.
Deze formats zijn vorig jaar reeds aangepast op dit punt. In beide formats wordt nu gevraagd om ‘opleidingscode en/of keuzedeelcode’ en ‘opleidingsnaam en/of keuzedeelnaam’.
Daarnaast werd verzocht dat het niet nodig zou zijn om een aanvraag uit te splitsen als voor meer dan 5 leerlingen wordt aangevraagd. Met de overgang naar het nieuwe uitvoeringsplatform vervalt dit maximum, waardoor uitsplitsing niet langer noodzakelijk is.
Koppeling subsidie aan aantoonbare begeleiding, leertraject en evaluatie voortgangEr is gevraagd de subsidie te koppelen aan aantoonbare begeleiding, een duidelijk leertraject en regelmatige evaluatie van de voortgang. Aan alle kwaliteitseisen die het Ministerie van OCW stelt aan het volgen van een mbo-opleiding in de praktijk moet worden voldaan, waaronder het zijn van een erkend leerbedrijf met bekwame praktijkbegeleiders, het afsluiten van een praktijkovereenkomst en het bijhouden van een uren- en begeleidingsadministratie.
Duidelijker onderscheid in aard, omvang en betekenis tussen diploma, certificaat en praktijkverklaringIn de algemene toelichting wordt stilgestaan bij het verschil tussen een mbo-opleiding resulterend in een praktijkverklaring, mbo-certificaat of diploma.
Verduidelijking bij beperkte dagelijkse inzetbaarheidGevraagd werd om duidelijker te benoemen dat ook praktijkplaatsen met aangepaste duur en belastbaarheid voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Dit is in de toelichting expliciet opgenomen.
Rol onderwijsinstelling explicieterGevraagd is om mbo-instellingen ook een rol te geven bij het adviseren over de meest geschikte scholingsroute. Het is aan werkgevers voor hun werkenden en aan gemeenten en UWV voor hun werkzoekenden om af te wegen of en hoe scholingsadvies wordt ingewonnen. Daar ziet deze regeling niet op.
Maximale subsidiabele duur per praktijkplaatsEr werd aandacht gevraagd voor de maximale subsidiabele duur van 40 weken per praktijkplaats, die voor praktijkplaatsen resulterend in een diploma of praktijkverklaring te kort kan zijn. In de huidige regeling is ervoor gekozen om een uniforme duur van 40 weken te hanteren, om zo de regeling beheersbaar en voorspelbaar te houden voor alle betrokken partijen en de regeling aan te laten sluiten bij de Subsidieregeling praktijkleren van het Ministerie van OCW.
Het indienen van een subsidieaanvraag op grond van de Subsidieregeling praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg 2026 geeft administratieve lasten. Er is een berekening gemaakt van de regeldruk die deze regeling met zich meebrengt.
De administratieve last voor de regeling bestaat ten eerste uit het invullen en indienen van de subsidieaanvraag, waarbij organisatie en studentgegevens moeten worden aangeleverd. Op basis van voorgaande tijdvakken zijn er naar verwachting 6.000 aangevraagde praktijkplaatsen per tijdvak, in totaal 30.000. De administratieve lasten per praktijkplaats worden geschat op € 4,58 (5 minuten met een vaststaand uurtarief per werkgever van € 55). De totale lasten voor het aanvragen van de subsidie komen daarmee op € 137.400, of € 27.480 per tijdvak.
Naast het invullen en indienen van de subsidieaanvraag, kan er ook in de controlefase een administratieve last zijn voor de aanvrager. Na afloop wordt een deel van de toegekende aanvragen steekproefsgewijs gecontroleerd of is voldaan aan de subsidieverplichtingen. De subsidieaanvrager levert bij de controle per gerealiseerde praktijkplaats een POK, een aanwezigheidsadministratie en een administratie waaruit de begeleiding van de student in het kader van de beroepspraktijkvorming blijkt aan. Deze bijlagen moeten op grond van andere verplichtingen tot stand worden gebracht. De POK is verplicht op grond van de WEB voor de verzorging van de beroepspraktijkvorming door een bedrijf of organisatie die erkend leerbedrijf is. Uit de overeenkomst volgt dat de student bepaalde vaardigheden leert. Een erkend leerbedrijf verzorgt dit en de mbo-instelling moet hierop toezien. Ook het vragen van een administratie van de begeleiding betreft geen nieuwe verplichting. Immers voor de beoordeling door de mbo-instelling of de student zijn praktijkdeel heeft behaald, gaat deze te rade bij het erkende leerbedrijf. Op basis van voorgaande tijdvakken worden naar verwachting 5.400 praktijkplaatsen toegekend (90%), in totaal 27.000. De administratieve last per praktijkplaats bij een controle wordt dan ingeschat op € 9,17 (10 minuten met een vaststaand uurtarief per werkgever van € 55). De administratieve lasten voor de controlefase zijn hierbij € 6.190, of € 1.238 per tijdvak.
De totale administratieve lasten betreffen daarmee in totaal € 143.590, of € 28.718 per tijdvak. Voor het tijdvak in november 2026 is het subsidiebudget 2,4 miljoen. Het regeldrukpercentage is daarmee 1,2%.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
De meeste begrippen in deze regeling spreken voor zich. De begripsomschrijvingen van onderwijsinstellingen in het mbo, erkend leerbedrijf en scholing via praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg zijn aangepast in verband met de inwerkingtreding op 1 augustus 2026 van de Wet verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt. Hierna wordt ingegaan op enkele begrippen.
erkend leerbedrijf:de subsidieaanvrager is een voor de opleiding erkend leerbedrijf. Een bedrijf of organisatie mag de beroepspraktijkvorming (het praktijkgedeelte van een mbo-opleiding) voor een student verzorgen als hij voor deze opleiding erkend is als leerbedrijf. De Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven (SBB) verleent de erkenning als leerbedrijf, als het bedrijf of de organisatie aan een aantal voorwaarden voldoet. De erkenning wordt verleend per opleiding.
scholing via praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg:De beroepsopleiding in de loopbaanbegeleidende leerweg als bedoeld in artikel 11.1.3 van de WEB waarbij sprake is van beroepspraktijkvorming waarvoor een erkend leerbedrijf een praktijkplaats realiseert, is gericht op het behalen van een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 van de WEB, een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 van de WEB of een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6a van de WEB. Voor laatstgenoemd document maakt de mbo-instelling gebruik van het model voor de mbo-verklaring zoals die per 1 augustus 2021 in werking is getreden. Dit model is opgenomen in de Regeling modellen voor mbo-diploma, mbo-certificaat en mbo-verklaring. In het model van de mbo-verklaring zijn voorschriften voor een praktijkverklaring opgenomen.
praktijkovereenkomst:over een POK wordt in deze regeling gesproken als sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8., tweede lid, WEB. Het betreft de overeenkomst op basis waarvan de student zijn praktijkdeel van een beroepsopleiding verricht onder verantwoordelijkheid van een bedrijf of organisatie. Van een POK in deze regeling is alleen sprake als deze overeenkomst voldoet aan de desbetreffende eisen in de WEB.
praktijkplaats:onder dit begrip wordt de tijdsduur verstaan dat een student door een voor de opleiding erkend leerbedrijf onderricht in de praktijk van het beroep ontvangt op grond van een POK.
gerealiseerde praktijkplaats:in deze regeling wordt subsidie verstrekt voor een gerealiseerde praktijkplaats, waarbij voor maximaal 40 weken binnen een periode van 52 aaneengesloten weken vanaf de startdatum zoals opgenomen in de POK subsidie kan worden ontvangen. Het voor de opleiding erkende leerbedrijf wordt voor zijn daadwerkelijke inspanningen beloond. Elke week minder begeleiding, om welke reden dan ook, betekent een naar verhouding lagere subsidie. De subsidieaanvraag voor een gerealiseerde praktijkplaats kan binnen de aaneengesloten termijn van 52 weken over subsidieaanvraagtijdvakken verspreid zijn, of kan achteraf worden gedaan. Om die reden is opgenomen dat het onderricht bij het erkend leerbedrijf daadwerkelijk plaatsvindt of heeft plaatsgevonden. Zie hierover meer in de toelichting op artikel 4. De subsidie is ook van toepassing voor praktijkplaatsen met aangepaste duur en belastbaarheid.
In het eerste lid is geregeld dat de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (Kaderregeling) van toepassing is. Uitgezonderd zijn de artikelen 3.1., 7.1. en 7.2. van de Kaderregeling. Dit betekent dat de bepalingen als weergegeven in deze regeling een aanvulling zijn op de Kaderregeling, met uitzondering van de artikelen 3.1., 7.1. en 7.2. van de Kaderregeling.
In de artikelen 3.1. en 7.1. van de Kaderregeling is bepaald dat voor een subsidieaanvraag tot verlening van een subsidie een door de minister vastgesteld modelformulier wordt gebruikt dat bekend is gemaakt op de website www.rijksoverheid.nl. Voor een subsidieaanvraag onder deze regeling is dat niet aan de orde, nu de subsidieaanvraag geschiedt middels een elektronisch aanvraagformulier dat beschikbaar is gesteld op www.rvo.nl/subsidies-financiering/praktijkleren-derde-leerweg.
Op grond van artikel 7.2. van de Kaderregeling dient een aanvraag voor subsidie te worden ingediend binnen 22 weken nadat de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, zijn verricht. Aangezien 22 weken een te korte termijn kan zijn met het oog op de aanvraagtijdvakken, is dit artikel uitgezonderd. In artikel 9 is bepaald dat de subsidieaanvraag wordt ingediend binnen een jaar na afronding van de beroepsopleiding in de loopbaanbegeleidende leerweg of een deel daarvan.
Vanwege de toepasselijkheid van de Kaderregeling zijn een aantal zaken niet opgenomen in de subsidieregeling, wanneer dat te vinden is in de Kaderregeling. Zo is in de Kaderregeling (artikel 5.7) bepaald dat voor subsidieontvangers een meldingsplicht geldt.
Het doel van deze regeling is om de directe en duurzame inzetbaarheid van werkzoekenden en werkenden op de arbeidsmarkt te verbeteren. Om dat doel te bereiken wordt scholing via praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg bij een voor de opleiding erkend leerbedrijf gesubsidieerd.
De subsidie ziet op de kosten die een erkend leerbedrijf maakt voor het realiseren van een praktijkplaats. Denk hierbij aan kosten van begeleiding van de student in de praktijk van het beroep, de verminderde arbeidsproductiviteit van de kandidaat die nog in opleiding is en eventuele verletkosten als sprake is van aanvullende lessen of examens die elders plaatsvinden. De begeleidingskosten kunnen onder andere bestaan uit materiaalkosten en kosten van in te zetten medewerkers als praktijkopleiders.
In het tweede lid is de doelgroep uitgewerkt. Zie hierover meer in de algemene toelichting onder ’Doel en doelgroep subsidieregeling’.
Subsidie kan worden verstrekt aan een voor de opleiding erkend leerbedrijf voor het bieden van scholing via praktijkleren in het mbo, waaraan een POK ten grondslag ligt. De subsidie voor deze scholing wordt verstrekt voor de maximale duur van 40 weken, gelegen binnen een periode van 52 weken gerekend vanaf de startdatum zoals opgenomen in de POK.
De subsidie wordt verstrekt voor de weken waarin een student daadwerkelijk beroepspraktijkvorming heeft gevolgd bij het erkende leerbedrijf. Als een student slechts een deel van de week aanwezig is geweest, bijvoorbeeld één dag(deel), dan kan ook voor deze week subsidie worden ontvangen. De subsidie kan ook van toepassing zijn voor praktijkplaatsen met aangepaste duur en belastbaarheid in verband met beperkte dagelijkse inzetbaarheid. Weken, die vallen binnen de periode van de gerealiseerde praktijkplaats, waarin de student in het geheel niet aanwezig is geweest bij het erkende leerbedrijf wegens bijvoorbeeld verlof of ziekte, komen niet in aanmerking voor subsidie. Ter illustratie, een erkend leerbedrijf heeft met een student en een onderwijsinstelling een POK gesloten, waarbij is overeengekomen dat de student 20 weken onderricht in de praktijk krijgt bij het erkende leerbedrijf in het kader van een beroepsopleiding in de loopbaanbegeleidende leerweg. De student is gedurende de looptijd van de praktijkplaats twee gehele weken ziek. Het erkende leerbedrijf kan dan na afloop van de praktijkplaats voor 18 weken subsidie ontvangen.
De praktijkplaats mag wel langer dan 52 weken worden geboden, maar de duur na afloop van de eerste 52 weken komt niet voor subsidie in aanmerking. Dit brengt met zich dat de POK ook voor een langere duur dan 52 weken mag worden afgesloten.
De subsidieaanvraag kan ook worden ingediend voor afronding van de praktijkplaats, als bedoeld in artikel 9, tweede lid. In het derde lid van artikel 4 is geregeld dat in het geval er daarna een volgend aanvraagtijdvak is, in dat volgende aanvraagtijdvak voor het resterende deel van de gerealiseerde praktijkplaats een aanvraag kan worden ingediend. Als er geen aanvraagtijdvak meer volgt, is het ook niet mogelijk om subsidie te krijgen voor het resterende deel van de gerealiseerde praktijkplaats. Voor de aanvraag voor het resterende deel moet nog steeds worden voldaan aan alle vereisten voor subsidieverstrekking. Dat wil zeggen dat een aanvraag voor het resterende deel binnen 12 maanden na afronding van de gerealiseerde praktijkplaats moet worden ingediend (zie ook artikel 9, eerste lid). Het indienen van een aanvraag in verschillende aanvraagtijdvakken kan dus gevolgen hebben voor het uiteindelijke subsidiebedrag. Het subsidiebedrag wordt per aanvraagtijdvak vastgesteld naar rato van het beschikbare budget en het aantal en de omvang van de gerealiseerde praktijkplaatsen die voor subsidie in aanmerking komen (zie artikel 8).
In dit artikel zijn de voorwaarden weergegeven om voor subsidie in aanmerking te komen. Het moet daarbij gaan om een beroepsopleiding die voldoet aan de eisen in hoofdstuk 7 WEB en de beroepsopleiding dient in de loopbaanbegeleidende leerweg te worden uitgevoerd. De gerealiseerde praktijkplaats moet worden geboden door een voor deze opleiding erkend leerbedrijf. Aan de gerealiseerde praktijkplaats moet een POK ten grondslag liggen. Het erkend leerbedrijf dient overeenkomstig de POK de begeleiding te verzorgen. Om het onderzoek als bedoeld in artikel 12, tweede lid, mogelijk te maken, zijn er ook administratievoorwaarden gesteld ten aanzien van de begeleiding en de aanwezigheid van de student bij het erkende leerbedrijf voor de uitoefening van de beroepspraktijkvorming. Als het leerbedrijf geen eigen aanwezigheids- of begeleidingsadministratie heeft, kan het erkende leerbedrijf hiervoor gebruik maken van formulieren die beschikbaar worden gesteld op www.rvo.nl/subsidies-financiering/praktijkleren-derde-leerweg.
In het kader van een goede uitvoering van de subsidieregeling is van belang dat het persoonsgebonden nummer en de basisgegevens omtrent studenten zijn opgenomen in het Register onderwijsdeelnemers (ROD). Deze verplichting is reeds opgenomen in de Wet register onderwijsdeelnemers. Desondanks werd aan deze wettelijke plicht niet altijd gevolg gegeven. Om die reden is opname van de genoemde gegevens in het ROD onder artikel 5, onderdeel e, een voorwaarde voor het ontvangen van subsidie op grond van deze regeling.
In artikel 6 zijn de tijdvakken gegeven waarbinnen een erkend leerbedrijf een subsidieaanvraag kan indienen. Indien een subsidieaanvraag buiten deze periodes valt, zal deze worden afgewezen. Wel kan er een nieuwe subsidieaanvraag worden ingediend voor het eerstvolgende aanvraagtijdvak.
In artikel 7 is opgenomen dat subsidieplafonds voortaan bekend worden gemaakt via de Staatscourant en op de website van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, www.rvo.nl/subsidies-financiering/praktijkleren-derde-leerweg.
De benaming van de website van RVO verwijst vooralsnog naar de derde leerweg. Hier is in overleg met RVO voor gekozen vanwege de ingrijpendheid van aanpassing en links met andere websites.
Op de betreffende webpagina van RVO zal worden vermeld dat het gaat om de onderhavige subsidieregeling zodat de vindbaarheid optimaal is. Te zijner tijd wordt mogelijk het webadres aangepast.
Deze toelichting is tevens de eerste mededeling voor het subsidieplafond voor het aanvraagtijdvak van artikel 6 sub a. Het plafond voor dat aanvraagtijdvak bedraagt € 2,4 miljoen.
In dit artikel is de maximale hoogte van het subsidiebedrag geregeld en de berekening van het toe te kennen bedrag. Er is voor gekozen om aan alle aanvragers die voldoen aan de voorwaarden, subsidie te verstrekken. Het totale beschikbare budget wordt evenredig over alle ingediende aanvragen verdeeld. Het subsidiebedrag per gerealiseerde praktijkplaats wordt berekend door het voor het aanvraagtijdvak beschikbare subsidieplafond te delen door het totaal aan gerealiseerde praktijkplaatsen die in aanmerking komen voor subsidie in het betreffende aanvraagtijdvak. Het subsidiebedrag dat daaruit volgt, bedraagt ten hoogste € 2.700. De berekening wordt dan als volgt: € 2.700 / 40 weken, maal het aantal weken dat een student daadwerkelijk bij de beroepspraktijkvorming aanwezig is geweest.
Het totaal aan gerealiseerde praktijkplaatsen is een optelsom die volgt uit de ingediende aanvragen in het aanvraagtijdvak. Uit de berekening van een gerealiseerde praktijkplaats volgt dat dit geen volledige praktijkplaatsen hoeven te zijn. Bij begeleiding van 20 weken van een student is bijvoorbeeld sprake van 0,5 gerealiseerde praktijkleerplaats. Als het subsidiebedrag vervolgens op € 2.500 uitkomt dan ontvangt het erkende leerbedrijf voor de begeleiding van die student dus € 1.250.
Uit het eerste lid van artikel 9 volgt dat de subsidieaanvraag uiterlijk binnen een jaar na afronding van de gerealiseerde praktijkplaats moet worden ingediend. Een aanvraag kan worden ingediend in de in artikel 6 bepaalde tijdvakken.
Op grond van artikel 4, derde lid, is het ook mogelijk om een subsidieaanvraag in te dienen voordat de praktijkplaats is afgerond. Een aanvraag kan daarmee ook zien op een deel van een praktijkplaats. Zie daarover ook de toelichting bij artikel 4.
Aanvragen worden elektronisch ingediend via het elektronisch aanvraagloket. Als zich kort voor of op de sluitingsdatum voor het indienen van de subsidieaanvraag ernstige calamiteiten voordoen bij het elektronisch loket, kan de minister bepalen dat de termijn voor het indienen wordt verlengd.
De minister maakt terughoudend gebruik van deze mogelijkheid: alleen bij ernstige verstoringen in het elektronisch loket op een cruciaal tijdstip en voor langere duur, kan er aanleiding zijn de indieningsperiode met één of enkele dagen te verlengen. Calamiteiten die optreden in de elektronische of internetinfrastructuur bij een subsidieaanvrager of bij derden die de aanvraag namens de subsidieaanvrager indienen, vallen buiten de reikwijdte van deze bepaling.
Dit artikel regelt dat de subsidieaanvraag moet worden ingediend door het invullen van een elektronisch aanvraagformulier dat beschikbaar is gesteld op www.rvo.nl/subsidies-financiering/praktijkleren-derde-leerweg.
De weigeringsgronden moeten ruim worden uitgelegd.
Dit artikel regelt dat de subsidie direct wordt vastgesteld en wanneer de minister uiterlijk over de vaststelling beslist. De uiterste beslisdatum is 13 weken na sluiting van het aanvraagtijdvak waarin de aanvraag is gedaan. De beslissing is direct de vaststelling van de subsidie of de weigering daarvan. Betaling volgt binnen 14 dagen na dagtekening van een positief besluit op de subsidieaanvraag.
In het tweede lid is geregeld dat de subsidieaanvrager meewerkt aan onderzoek ten behoeve van het beoordelen of een subsidie terecht is verstrekt. Dat controleert RVO steekproefgewijs. Artikel 5 stelt al als voorwaarde dat de aanvrager beschikt over bewijsstukken van het erkende leerbedrijf omtrent de POK (artikel 5, onderdeel b), de aanwezigheidsadministratie (artikel 5, onderdeel c) en de administratie (artikel 5, onderdeel d). Deze bescheiden kunnen in het kader van het onderzoek worden opgevraagd. De aanvrager is verplicht deze op verzoek te verstrekken. Voor alle volledigheid wordt opgemerkt dat op grond van artikel 5.4 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS ook inlichtingen, gegevens en bescheiden kunnen worden opgevraagd ten behoeve van de vaststelling.
Dit artikel regelt dat de subsidieontvanger de gegevens, die in het kader van een subsidieaanvraag opgevraagd kunnen worden, gedurende vijf jaar na het subsidievaststellingsbesluit bewaart. Deze bewaarverplichting houdt verband met controles die na subsidieverstrekking in het kader van toezicht in het kader van artikel 16 en handhaving of naar aanleiding van eventuele signalen en meldingen van misbruik en oneigenlijk gebruik kunnen worden verricht. Om deze effectief te kunnen uitvoeren is het van belang dat de gegevens nog aanwezig zijn bij de subsidieontvanger.
Omdat de controle binnen een periode van vijf jaar na de subsidieverstrekking plaatsvindt, geldt de bewaarplicht voor de subsidieontvanger gedurende vijf jaar. De gegevens worden met deze bewaartermijn niet langer verwerkt dan noodzakelijk.
Aan de directeur-generaal van RVO wordt mandaat verleend om namens de minister besluiten op grond van deze regeling te nemen. Op deze wijze kan de RVO van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat de regeling uitvoeren.
In het eerste lid van dit artikel is opgenomen dat de ministerde verwerkingsverantwoordelijke is bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van deze regeling. SZW is hierbij verwerkingsverantwoordelijke omdat zij het doel en middelen van de verwerking van persoonsgegevens vaststelt. In de praktijk blijft SZW betrokken bij mogelijke aanpassingen in middelen die in de uitvoering door RVO worden toegepast. In het tweede lid is geregeld dat de directeur-generaal RVO de verwerker is in de uitvoering van gemandateerde taken. Ook het afhandelen van verzoeken van betrokkenen en het voorbereiden en nemen van besluiten inzake de genoemde Verordening namens de minister, behoort tot de bevoegdheden van de directeur-generaal.
Op grond van de Subsidieregeling groepshulpen kinderopvang kan een kindercentrum een tegemoetkoming in de loonkosten van een groepshulp ontvangen. Voor een dergelijke groepshulp kan die subsidie slechts worden verstrekt, als voor diezelfde groepshulp ook subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg, de voorganger de Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg of de Subsidieregeling praktijkleren. Dit is bepaald in artikel 4, eerste lid, onderdelen a en b van de Subsidieregeling groepshulpen kinderopvang. Om te controleren of dit daadwerkelijk het geval is, moet het BSN van de groepshulp voor wie subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg (2026) of de Subsidieregeling praktijkleren (van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), vergeleken worden met het BSN van de groepshulp voor wie subsidie wordt aangevraagd op grond van de Subsidieregeling groepshulpen kinderopvang. Het BSN dat dus oorspronkelijk is verwerkt om subsidie voor scholing te kunnen verstrekken, moet dan verder worden verwerkt om ook subsidie voor de loonkosten van een groepshulp te kunnen verstrekken.
Ten behoeve van de handhaving van hetgeen bepaald is in deze regeling, worden de personen bij de RVO die werkzaam zijn in het kader van deze regeling belast met het toezicht. Dit maakt het voor deze personen mogelijk om namens de minister te controleren of aanvragen naar waarheid zijn ingevuld.
De voorheen gebruikte betiteling ‘praktijkleren in de derde leerweg’ is met de invoering van de Wet verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt vervangen door ‘praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg’. Dit brengt ook voor de SLIM-regeling en voor de Subsidieregeling groepshulpen kinderopvang een wijziging mee die met de artikelen 17 en 18 wordt bewerkstelligd. Voor de Subsidieregeling groepshulpen kinderopvang is ook de sinds 1 april 2026 vervallen Subsidieregeling praktijkleren nog relevant. De verwijzing naar deze regeling dient daarom te blijven bestaan, maar omdat deze inmiddels is vervallen is statisch verwezen naar de regeling zoals deze luidde op de dag voordat de regeling verviel.
Dit artikel ziet op de evaluatie van de regeling. In dat kader verstrekt de subsidieaanvrager benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden. Het gaat daarbij niet om persoonsgegevens.
Om duidelijkheid te verschaffen over de mogelijkheid van het verkrijgen van subsidies voor scholing via praktijkleren in het mbo, treedt de regeling in werking de dag na uitgifte in de Staatscourant. De regeling vervalt met ingang van 1 april 2031, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op een subsidie die krachtens deze regeling is verstrekt.
Deze regeling wordt ook wel aangehaald als: Subsidieregeling praktijkleren in de loopbaanbegeleidende leerweg 2026.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
De volledige tekst hierboven is de officiële, gepubliceerde bekendmaking; de samenvatting bovenaan deze pagina is automatisch gegenereerd. Controleer voorwaarden, deadlines en subsidieplafonds altijd op de officiële pagina voordat u een aanvraag indient.