Officiële Bekendmakingen (KOOP)
Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
Wijziging en opening van de subsidieregeling voor Nederlandse HPC-projecten die bijdragen aan Europese HPC-doelen op deelterreinen zoals National Competence Centers, Quantum Computers, Centers of Excellence and Lighthouse codes en Quantum Machine Learning. Doelgroep: in Nederland gevestigde rechtspersonen die een Nederlands HPC-project alleen of in een Nederlands samenwerkingsverband uitvoeren en deel zijn of worden van de Europese subsidieovereenkomst; ook provincies, gemeenten en openbare li
Besluit:
Titel 3.25 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies komt te luiden:In deze titel wordt verstaan onder:
CEF:Connecting Europe Facility;
CEF-verordening:Verordening (EU) 2021/1153 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014;
digitaal Europa verordening:verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/2240;
Europees HPC-project:project gericht op de verwezenlijking van de doelstellingen op de deelgebieden betreffende HPC, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, dat wordt uitgevoerd door een Europees samenwerkingsverband;
Europees samenwerkingsverband:een samenwerkingsverband van juridische entiteiten, waarvan ten minste één is gevestigd in een ander land dan Nederland;
Europees goedkeuringsbesluit:besluit van de raad van bestuur van het financieringsorgaan waarin is bepaald dat een project in aanmerking kan komen voor een financiële bijdrage van het financieringsorgaan;
Europese oproep:open competitieve oproep tot het indienen van Europese subsidieaanvragen betreffende projectvoorstellen als bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, of 25 van de horizon Europa verordening, de artikelen 20, tweede lid, of 21, eerste lid, van de CEF-verordening of artikel 20, eerste lid, van de digitaal Europa verordening;
Europese subsidieaanvraag:aanvraag voor een Europees goedkeuringsbesluit, ingediend bij het financieringsorgaan door een juridische entiteit of samenwerkingsverband van juridische entiteiten;
Europese subsidieovereenkomst:subsidieovereenkomst, gesloten tussen het financieringsorgaan en een juridische entiteit dan wel een samenwerkingsverband van juridische entiteiten, ten behoeve van de uitvoering van een project;
financieel reglement:verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012;
financieringsorgaan:de gemeenschappelijke onderneming HPC in de gevallen dat deze op grond van artikel 33, eerste lid, 35 of 36 van de HPC-verordening kwalificeert als financieringsorgaan als bedoeld in artikel 2, onderdeel 14, en 6, eerste lid, van de horizon Europa verordening, artikel 6, eerste lid, van de CEF-verordening respectievelijk artikel 14, eerste lid, van de digitaal Europa verordening;
gemeenschappelijke onderneming HPC:de Gemeenschappelijke onderneming Europese high-performance computing, genoemd in artikel 1 van de HPC-verordening;
horizon Europa verordening:verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013;
HPC:high-performance computing;
HPC-verordening:verordening (EU) 2021/1173 van de Raad van 13 juli 2021 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing en tot intrekking van verordening (EU) 2018/1488;
innovatiecluster:innovatiecluster als bedoeld in artikel 2, onderdeel 92, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
juridische entiteit:een juridische entiteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel 16, van de horizon Europa verordening of artikel 2, onderdeel 2, van de digitaal Europa verordening of, voor zover de subsidieverstrekking plaatsvindt op grond van de CEF-verordening, een entiteit als bedoeld in artikel 197 van het Financieel reglement;
Nederlands samenwerkingsverband:een samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde juridische entiteiten;
onderzoeksinfrastructuur:onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 91, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel gg, van het O&O&I-steunkader;
onderzoeksorganisatie:organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel ff, van het O&O&I-steunkader;
test- en experimenteerinfrastructuur:test- en experimenteerinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 98 bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
werkprogramma:werkprogramma als bedoeld in artikel 2, onderdeel 25, van de horizon Europa verordening, artikel 20, eerste lid, van de CEF-verordening of artikel 24, eerste lid, van de digitaal Europa verordening.
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor het uitvoeren van een Nederlands HPC-project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de doelstellingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de HPC-verordening, artikel 3 van de CEF-verordening, artikel 3 van de digitaal Europa verordening of artikel 3 van de horizon Europa verordening, op één van de volgende deelgebieden zoals uitgewerkt in het toepasselijke werkprogramma en de bijhorende Europese oproep:
National Competence Centers, voor zover het activiteiten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b of c, betreft;
Quantum Computers, voor zover het activiteiten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b of c, betreft;
Centers of Excellence and Lighthouse codes, voor zover het activiteiten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of c, betreft;
Quantum Machine Learning, voor zover het activiteiten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of c, betreft.
2.
Het Nederlandse HPC-project is een zelfstandig project, dan wel een deelproject of projectonderdeel van een Europees HPC-project, dat is voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit en omvat een samenhangend geheel van één of meer activiteiten, opgenomen in de Europese subsidieovereenkomst of, voor zover van toepassing, een concept hiervan als bedoeld in artikel 3.25.8, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, die bestaan uit:
één of meer van de volgende economische activiteiten, uitgevoerd op grond van de horizon Europa verordening door een juridische entiteit die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert:
fundamenteel onderzoek;
industrieel onderzoek;
experimentele ontwikkeling;
een haalbaarheidsstudie;
één of meer van de volgende economische activiteiten, uitgevoerd op grond van de CEF-verordening of de digitaal Europa verordening door een juridische entiteit die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert:
fundamenteel onderzoek;
industrieel onderzoek;
experimentele ontwikkeling;
een haalbaarheidsstudie;
de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur;
de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur;
de bouw of het upgraden van een innovatiecluster dan wel het beheer of de exploitatie hiervan; of
één of meer van de volgende niet-economische onderzoeksactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht op grond van de horizon Europa verordening, CEF-verordening of digitaal Europa verordening, door een juridische entiteit die voor het uitvoeren van deze activiteiten als een onderzoeksorganisatie kwalificeert:
fundamenteel onderzoek;
industrieel onderzoek;
experimentele ontwikkeling
een haalbaarheidsstudie;
de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur.
3.
Een subsidieontvanger is een in Nederland gevestigde juridische entiteit, die:
een Nederlands HPC-project als bedoeld in het tweede lid zelfstandig of in een Nederlands samenwerkingsverband uitvoert, overeenkomstig de voorwaarden uit het toepasselijke werkprogramma of de bijhorende Europese oproep;
voldoet aan de toepasselijke voorwaarden om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen zoals deze zijn opgenomen in artikel 11 van de CEF-verordening, artikel 18 van de digitaal Europa verordening, artikel 23 van de horizon Europa verordening, dan wel het toepasselijke werkprogramma of de bijhorende Europese oproep; en
partij is bij de Europese subsidieovereenkomst of, voor zover artikel 3.25.8, tweede lid, van toepassing is, partij wordt bij de Europese subsidieovereenkomst.
4.
Het derde lid is, in afwijking van artikel 3, tweede lid, van het besluit, tevens van toepassing op een aanvraag van een provincie, gemeente of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen.
1.
De subsidie voor een Nederlands HPC-project bedraagt:
voor economische activiteiten die worden uitgevoerd op grond van de horizon Europa verordening als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid, onderdeel a: een bedrag dat gelijk is aan de subsidie die door het financieringsorgaan verstrekt wordt op grond van de Europese subsidieovereenkomst, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie;
voor economische activiteiten die worden uitgevoerd op grond van de CEF-verordening of de digitaal Europa verordening als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid, onderdeel b:
100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;
50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op industrieel onderzoek;
25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie;
50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur;
25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur;
50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van een innovatiecluster dan wel het beheer of de exploitatie hiervan;
voor niet-economische onderzoeksactiviteiten die worden uitgevoerd op grond van de CEF-verordening, de digitaal Europa verordening of horizon Europa verordening als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid, onderdeel c: 100% van de subsidiabele kosten.
2.
De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, worden verhoogd met:
10 procentpunten, indien de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een middelgrote onderneming voor het uitvoeren van industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een haalbaarheidsstudie of de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, 3°, 4° of 6°;
20 procentpunten, indien de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een kleine onderneming voor het uitvoeren van industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een haalbaarheidsstudie of de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, 3°, 4° of 6°;
15 procentpunten, indien de subsidiabele kosten betrekking hebben op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2° of 3°, en voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, met dien verstande dat door deze ophoging het totale subsidiepercentage voor de subsidiabele kosten niet meer kan bedragen dan 80 procent van deze subsidiabele kosten;
10 procentpunten, indien de subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur dan wel de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 5° of 6°, en voldaan is aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 26, zesde lid, tweede volzin, respectievelijk artikel 26 bis, zesde lid, onderdeel b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
3.
De subsidie bedraagt:
550.000 per Nederlands HPC-project, indien het Nederlandse HPC-project betrekking heeft op het deelgebied ‘National Competence Centers’, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, onderdeel a;
€ 6.395.320 per Nederlands HPC-project, indien het Nederlandse HPC-project betrekking heeft op het deelgebied ‘Quantum Computers’, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, onderdeel b;
€ 3.200.000 per Nederlands HPC-project, indien het Nederlandse HPC-project betrekking heeft oop het deelgebied ‘Centers of Excellence and Lighthouse codes’, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, onderdeel c;
€ 1.000.000 per Nederlands HPC-project, indien het Nederlandse HPC-project betrekking heeft op het deelgebied ‘Quantum Machine Learning’, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, onderdeel d.
4.
Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit worden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel de financiële bijdragen van de Europese Commissie, het financieringsorgaan of andere bestuursorganen aangemerkt als publieke cofinanciering en buiten beschouwing gelaten:
indien de totale som van de door de minister, de Europese Commissie, het financieringsorgaan of andere bestuursorganen verstrekte subsidie voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, niet hoger ligt dan 100% van de subsidiabele kosten of, voor zover van toepassing, het maximum percentage of het bedrag dat is opgenomen in het toepasselijke werkprogramma; en
indien het economische activiteiten betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, en het deel van de door de minister of andere bestuursorganen verstrekte subsidie niet meer bedraagt dan de toepasselijke drempelbedragen of percentages van de subsidiabele kosten en, voor zover van toepassing, voldaan wordt aan de aan de ophoging verbonden voorwaarden, die zijn opgenomen in de volgende bepalingen van de algemene groepsvrijstellingsverordening:
voor fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a: de artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder ix, en 25 quater, derde, vierde en vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
voor fundamenteel onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°: de artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder i, en 25, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
voor industrieel onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°: de artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder ii, en 25, vijfde en zesde lid, onderdelen a of b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
voor experimentele ontwikkeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 3°: de artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder iii, en 25, vijfde en zesde lid, onderdelen a of b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
voor een haalbaarheidstudie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 4°: de artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder vi, en 25, vijfde en zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 5°: de artikelen 4, eerste lid, onderdeel j, en 26, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
voor de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 6°: de artikelen 4, eerste lid, onderdeel j bis, en 26 bis, vijfde en zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
voor de bouw of het upgraden van een innovatiecluster dan wel het beheer of de exploitatie hiervan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 7°: de artikelen 4, eerste lid, onderdeel k, en 27, zesde respectievelijk negende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
1.
Voor subsidie komen in aanmerking de volgende kosten van het Nederlandse HPC-project, zoals vermeld in de Europese subsidieovereenkomst of, voor zover van toepassing, een concept hiervan als bedoeld in artikel 3.25.8, tweede lid, onderdeel a, onder 1°:
voor economische activiteiten die worden uitgevoerd op grond van de horizon Europa verordening als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid, onderdeel a: de kosten, bedoeld in artikel 25 quater, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie;
voor economische activiteiten die worden uitgevoerd op grond van de CEF-verordening of de digitaal Europa verordening als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid, onderdeel b:
de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderneming;
de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie door een onderneming;
de kosten, bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming;
de kosten, bedoeld in artikel 26 bis, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur door een onderneming;
de kosten, bedoeld in artikel 27, vijfde of achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van een innovatiecluster respectievelijk het beheer of de exploitatie hiervan;
voor niet-economische onderzoeksactiviteiten die worden uitgevoerd op grond van de horizon Europa verordening, de CEF-verordening of de digitaal Europa verordening als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid, onderdeel c: de redelijk gemaakte kosten die, onverminderd artikel 10, eerste lid, van het besluit, direct verbonden zijn met de uit te voeren activiteiten.
2.
In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het besluit, kunnen onder de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, mede worden begrepen de kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag om subsidieverlening betreffende een Nederlands HPC-project, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, voor zover deze kosten zijn gemaakt na indiening van de Europese subsidieaanvraag.
3.
In afwijking van artikel 11, eerste lid, van het besluit, berekent de aanvrager de subsidiabele kosten overeenkomstig de wijze die is gebruikt in de Europese subsidieaanvraag, met dien verstande dat, voor zover van toepassing, wordt voldaan aan de artikelen 35 en 36 van de horizon Europa verordening, de artikelen 16, 17, 18 en 19, van de CEF-verordening of de artikelen 17, 19 en 23, eerste lid, van de digitaal Europa verordening.
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen om subsidieverlening.
1.
Met de uitvoering van een op grond van deze titel gesubsidieerd Nederlands HPC-project wordt niet eerder gestart dan het tijdstip waarop de Europese subsidieaanvraag is ingediend bij het financieringsorgaan.
2.
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is zeven jaar na subsidieverlening.
De minister rangschikt de aanvraag om subsidieverlening betreffende een Nederlands HPC-project, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, waarop niet afwijzend is beslist hoger naar mate, na toepassing van de artikelen 28, eerste lid, en 29, eerste en tweede lid, van de horizon Europa verordening, artikel 14 van de CEF-verordening of de artikelen 20 en 21 van de digitaal Europa verordening, de bijhorende Europese subsidieaanvraag hoger is gerangschikt door het financieringsorgaan of evaluatiecomité.
1.
De subsidie voor een Nederlands HPC-project als bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen één jaar na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening een ondertekend exemplaar van de Europese subsidieovereenkomst verstrekt is aan de minister door de betrokken subsidieontvanger of subsidieontvangers, bedoeld in artikel 3.25.2, derde en vierde lid.
2.
Indien het Nederlands HPC-project betrekking heeft op het deelgebied ‘Quantum Computers’, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, onderdeel b, kan de minister op verzoek van de subsidieaanvrager de opschortende voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, omzetten in de verplichting:
dat de aanvraag om subsidieverlening vergezeld gaat van een kopie van:
het meest recente concept van de toepasselijke Europese subsidieovereenkomst of Europese subsidieovereenkomsten betreffende de operationele kosten of integratie ten behoeve van het bijhorende Europese HPC-project, waarin ten minste een omschrijving is opgenomen van de juridische entiteiten en de kosten van de uit te voeren activiteiten waaraan het financieringsorgaan een financiële bijdrage zal verstrekken, het maximumbedrag van deze financiële bijdrage van het financieringsorgaan en de startdatum en realisatietermijn die betrekking hebben op de uitvoering van het Europese HPC-project;
een getekende administratieve overeenkomst betreffende de verwerving en de aanschaf van een Quantum computer, gesloten tussen het financieringsorgaan en de juridische entiteiten die als beheerders belast zijn met het beheer en de exploitatie van die Quantum computer gedurende de uitvoering van het bijhorende Europese HPC-project, waarin ten minste een omschrijving is opgenomen van de hoogte van de financiële bijdrage die voor deze aanschaf verstrekt zal worden door de landen waarbinnen de juridische entiteiten gevestigd zijn die het bijhorende Europese HPC-project uitvoeren;
een getekende hostingovereenkomst betreffende de rollen en verantwoordelijkheden bij het beheer en de exploitatie van de Quantum computer, gesloten tussen de beheerders van de Quantum computer, bedoeld onder 2°, waarin ten minste een omschrijving is opgenomen van de taakverdeling tussen deze beheerders en de wijze waarop deze beheerders de Quantum computer ter beschikking zullen stellen voor het gebruik door de betrokken juridische entiteiten ten behoeve van de uitvoering van het bijhorende Europese HPC-project; en
voor zover van toepassing, alle beschikbare bijlagen of conceptbijlagen behorend bij de overeenkomsten, bedoeld onder 1°, 2° en 3°; en
dat binnen één jaar na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening een ondertekend exemplaar van de Europese subsidieovereenkomst verstrekt is aan de minister door de betrokken subsidieontvanger of subsidieontvangers, bedoeld in artikel 3.25.2, derde en vierde lid.
3.
De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste of tweede lid, onderdeel b, verlengen tot een periode van maximaal twee jaar na de beschikking tot subsidieverlening.
1.
Indien in het Nederlandse HPC-project activiteiten betreffende de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, test- en experimenteerinfrastructuur of een innovatiecluster worden verricht dan wel een innovatiecluster wordt beheerd of geëxploiteerd ten behoeve van het uitvoeren van economische onderzoeksactiviteiten als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid, onderdeel b, onder 5°, 6° of 7°, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat, overeenkomstig de artikelen 26, derde en vierde lid, 26 bis, tweede en derde lid, en 27, derde en vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening:
de toegang tot de onderzoeksinfrastructuur, de test- en experimenteerinfrastructuur of de panden, faciliteiten en activiteiten van het innovatiecluster openstaat voor meerdere gebruikers en dat deze op transparante en niet-discriminerende basis verleend wordt; en
de vergoedingen die voor de exploitatie of het gebruik van de onderzoeksinfrastructuur of test- en experimenteerinfrastructuur worden berekend dan wel de vergoedingen die voor het gebruik van de faciliteiten van het innovatiecluster en voor deelname aan de activiteiten van het innovatiecluster worden berekend, overeenstemmen met de marktprijs.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kunnen ondernemingen die ten minste 10 procent van de investeringskosten van de onderzoeksinfrastructuur, test- en experimenteerinfrastructuur of het innovatiecluster hebben gefinancierd preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden, indien deze toegang evenredig is aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en deze gunstigere voorwaarden publiek beschikbaar worden gesteld.
1.
Indien in het Nederlandse HPC-project en, voor zover van toepassing, in het bijhorende Europese HPC-project, niet-economische onderzoeksactiviteiten, bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een haalbaarheidsstudie of de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid, onderdeel c, worden uitgevoerd door een subsidieontvanger die kwalificeert als onderzoeksorganisatie binnen een samenwerkingsverband waaraan één of meer ondernemingen deelnemen:
worden de projectactiviteiten door de onderzoeksorganisatie uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking met deze ondernemingen;
wordt voorafgaand aan de start van het Nederlandse HPC-project en, voor zover van toepassing, het bijhorende Europese HPC-project, doch uiterlijk één jaar na subsidieverlening, een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de deelnemers aan het desbetreffende samenwerkingsverband over de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten;
draagt de onderzoeksorganisatie er zorg voor dat:
de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend;
uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of
het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen.
2.
Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de onderzoeksorganisatie die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 3°, in mindering worden gebracht.
3.
De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 3°, stemt overeen met de marktprijs indien:
het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure;
een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs;
de onderzoeksorganisatie als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding, om rekening houdende met haar algemene doelstellingen, maximaal economisch voordeel te behalen op het tijdstip dat de overeenkomst betreffende de vergoeding wordt afgesloten; of
in de gevallen waarin de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door de onderzoeksorganisatie gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, wanneer hieraan voor de onderzoeksorganisatie het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen.
4.
De voorwaarden van een overeenkomst, gesloten ingevolge het derde lid, onderdeel c, wijken niet af van voorwaarden die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding.
5.
Artikel 1.9 is niet van toepassing op deze titel.
1.
Indien in het Nederlandse HPC-project activiteiten betreffende de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur worden verricht ten behoeve van het uitvoeren van niet-economische onderzoeksactiviteiten als bedoeld in artikel 3.25.2, onderdeel c, onder 5°, door een subsidieontvanger die als onderzoeksorganisatie kwalificeert, zijn de verplichtingen uit artikel 3.25.9 van overeenkomstige toepassing.
2.
In afwijking van het eerste lid, zijn de verplichtingen uit artikel 3.25.9 niet van overeenkomstige toepassing in het geval de onderzoeksorganisatie er zorg voor draagt dat de onderzoeksinfrastructuur jaarlijks van het aantal uren dat deze in werking is:
voor meer dan 80 procent wordt gebruikt voor het uitvoeren van niet-economische onderzoeksactiviteiten; en
aanvullend, voor ten hoogste 20 procent voor het uitvoeren van economische onderzoeksactiviteiten, met dien verstande dat deze economische onderzoeksactiviteiten zuiver ondersteunend zijn en blijven aan de niet-economische onderzoeksactiviteiten door hiervoor precies dezelfde input te gebruiken als voor de niet-economische onderzoeksactiviteiten.
1.
Onverminderd artikel 38 van het besluit wordt in de administratie van de subsidieontvanger een onderscheid gemaakt tussen economische en niet-economische activiteiten, die deze subsidieontvanger binnen het Nederlandse HPC-project uitvoert en de kosten en de financiering hiervan.
2.
In afwijking van artikel 39 van het besluit, brengt de subsidieontvanger aan de minister schriftelijk verslag uit over de voortgang of resultaten van het Nederlanse HPC-project en, voor zover van toepassing, het bijhorende Europese HPC-project, overeenkomstig de wijze en frequentie waarop de subsidieontvanger daartoe jegens het financieringsorgaan verplicht is op grond van artikel 50, eerste tot en met derde lid, van de horizon Europa verordening, artikel 22, eerste tot en met derde lid, van de CEF-verordening of artikel 25, eerste tot en met vierde lid van de digitaal Europa verordening.
3.
Gedurende de looptijd van het Nederlanse HPC-project en, voor zover van toepassing het bijhorende Europese HPC-project, tot en met vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling geven de subsidieontvangers zichtbaarheid aan de financiering door het financieringsorgaan en de minister, overeenkomstig artikel 51, eerste lid, van de horizon Europa verordening, artikel 27, eerste lid, van de CEF-verordening of artikel 29, eerste lid, van de digitaal Europa verordening.
1.
De aanvraag om subsidieverlening betreffende een Nederlands HPC-project, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, bevat ten minste:
gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer van de subsidieaanvrager en, voor zover van toepassing, het nummer waarmee de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel;
gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
een verwijzing naar de passages uit de Europese subsidieovereenkomst of, voor zover deze onvoldoende informatie bevat of nog niet beschikbaar is, een aanvullende omschrijving, waarin zich informatie bevindt over de werkzaamheden die door de subsidieaanvrager binnen het Nederlandse HPC-project en, voor zover van toepassing, Europese HPC-project worden uitgevoerd;
in het geval het economische activiteiten betreft die worden uitgevoerd op grond van de CEF-verordening of de digitaal Europa verordening als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid, onderdeel b:
de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
gegevens over de grootte van de onderneming van de aanvrager, indien de aanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 3.25.3, tweede lid, onderdelen a en b;
een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, inclusief een beslisschema, een organogram van de verbonden groep waaruit de aandelenverhoudingen blijken en enkelvoudige of geconsolideerde jaarcijfers van de groep die is gebruikt voor de invulling van het beslisschema; en
voor zover de aanvraag betrekking heeft op de bouw, het upgraden, het beheer of de exploitatie van een innovatiecluster, een beschrijving van de activiteiten die de subsidieaanvrager via het beheer en de exploitatie van een innovatiecluster uit zal voeren en de partijen die onderdeel uitmaken van het innovatiecluster.
2.
De aanvraag om subsidieverlening betreffende een Nederlands HPC-project, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, gaat vergezeld van:
een projectplan dat bij de Europese subsidieaanvraag aan het financieringsorgaan verstrekt is en een voor openbare publicatie geschikte Nederlandse samenvatting van de projectomschrijving, inclusief de doelstelling of doelstellingen en de werkzaamheden van het Nederlandse HPC-project;
een financieringsplan en begroting dat bij de Europese subsidieaanvraag aan het financieringsorgaan verstrekt is en waarin ten minste een omschrijving wordt gegeven van:
de omvang van de gevraagde subsidie;
een beschrijving van de subsidiabele kosten die betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid; en
informatie over de wijze waarop de subsidieaanvrager zijn eigen aandeel in de projectkosten van het Nederlandse HPC-project financiert; en
een kopie van het Europese goedkeuringsbesluit;
voor zover van toepassing, de documenten, bedoeld in artikel 3.25.8, tweede lid, onderdeel a.
1.
Onverminderd artikel 50 van het besluit bevat een aanvraag tot subsidievaststelling betreffende een Nederlands HPC-project ten minste:
gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer;
gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
de omvang van de vast te stellen subsidie;
de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling.
2.
Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeld in het eerste lid, vergezeld gaat, bevat in ieder geval:
een omschrijving van de projectresultaten van het Nederlandse HPC-project;
een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten.
3.
Met toepassing van artikel 50, zesde lid, van het besluit wordt de controleverklaring, bedoeld in artikel 50, tweede lid onderdeel c, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeld in het eerste lid, vergezeld gaat, vervangen door een kopie van een aan het financieringsorgaan verstrekt exemplaar van een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant of accountant-administratieconsulent over de voorschriften, bedoeld in artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht.
4.
Indien het rapport van feitelijke bevindingen, bedoeld in het derde lid, niet aan het financieringsorgaan verstrekt is voordat de aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeld in het eerste lid, is ingediend of onvoldoende informatie bevat om deze aanvraag tot subsidievaststelling te kunnen beoordelen, is het derde lid niet van toepassing, met dien verstande dat in dat geval deze aanvraag tot subsidievaststelling, overeenkomstig artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, vergezeld gaat van een controleverklaring als bedoeld in bijlage 1.3.
De subsidie, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, bevat, met uitzondering van de subsidie die bestemd is voor niet-economische onderzoeksactiviteiten als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid, onderdeel c, staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de volgende Europese steunkaders:
in het geval het economische activiteiten betreft die worden uitgevoerd op grond van de horizon Europa verordening als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid, onderdeel a: artikel 25 quater van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidie bestemd is voor fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie;
in het geval het economische activiteiten betreft die worden uitgevoerd op grond van de CEF-verordening of de digitaal Europa verordening als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid, onderdeel b:
artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidie bestemd is voor fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie;
artikel 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidie bestemd is voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur;
artikel 26 bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidie bestemd is voor de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur;
artikel 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidie bestemd is voor de bouw of het upgraden van een innovatiecluster dan wel het beheer of de exploitatie hiervan.
Deze titel vervalt met ingang van 1 oktober 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 3.25 High-performance computing-projecten (HPC-projecten) | artikel 3.25.2, eerste lid, onderdeel a, | Een Nederlands HPC-project op het deelgebied ‘National Competence Centers’, opgenomen in het toepasselijke werkprogramma als bedoeld in de Euro-HPC call ‘National Competence Centers’, te raadplegen via https://ec.europa.eu/info/funding-tenders/opportunities/portal/screen/opportunities/topic-details/DIGITAL-JU-EUROHPC-2025-NCC-01-01 | 19-10-2026 t/m 06-11-2026 | € 550.000 | |
artikel 3.25.2, eerste lid, onderdeel b, | Een Nederlands HPC-project op het deelgebied ‘Quantum Computer’, opgenomen in het toepasselijke werkprogramma als bedoeld in de Euro-HPC call ‘Quantum Computer’, te raadplegen via https://www.eurohpc-ju.europa.eu/call-expression-interest-hosting-and-operation-european-quantum-computers-integrated-hpc-0_en | 19-10-2026 t/m 06-11-2026 | € 6.395.320 |
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage,14 oktober 2026De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
Met deze regeling wordt de subsidiemodule High-performance computing-projecten (hierna: HPC-projecten) opnieuw vastgesteld en opengesteld.
Met de subsidiemodule HPC-projecten wordt beoogd een stimulans te geven aan het ontwikkelen van nieuwe toepassingen op het gebied van High-performance computing (HPC). HPC is geaggregeerde (super) computerkracht waarbij het geheel veel meer is dan de som van een aantal pc’s. HPC is van belang voor de aanpak van een grote verscheidenheid aan wetenschappelijke, industriële en maatschappelijke uitdagingen. HPC biedt mogelijkheden om grote hoeveelheden data te verwerken en ingewikkelde berekeningen uit te voeren, zoals het gebruik van HPC in simulaties (van het bedrijfsleven) voor lucht- en ruimtevaart, mobiliteit, energie en de maakindustrie, alsook het gebruik van HPC in klimaatonderzoek met klimaatsimulaties en -prognoses.
Vanwege het grote belang van HPC willen de lidstaten van de Europese Unie gezamenlijk optrekken en inzetten op het bieden van beschikbare en toegankelijke HPC-infrastructuur om de Europese wetenschappers en industrie te ondersteunen, gebruikers aan te moedigen hun activiteiten en data te gebruiken binnen de Europese Unie, onderzoekers minder afhankelijk te maken van opslag en rekencapaciteit van buiten de Europese Unie en de concurrentiepositie te verbeteren (van ondernemingen) uit te lidstaten van de Europese Unie (ten opzichte van bijvoorbeeld China en de VS die voorop lopen op het gebied van HPC). Gezien de grote bedragen die met de aanschaf en technologieontwikkeling van HPC gepaard gaan, is het voor individuele lidstaten van de Europese Unie echter niet mogelijk om alle investeringen in een HPC-ecosysteem zelfstandig op te brengen.
Om de knelpunten betreffende de financiering op te lossen, zijn de noodzakelijke financiële en technische middelen samengebracht in het publiek-private Euro-HPC-partnerschap, bestaande uit onder meer de lidstaten van de Europese Unie, een aantal geassocieerde landen en de Europese Commissie. Vanuit het Europees HPC-partnerschap worden onder meer calls uitgeschreven in het kader van Europese werkprogramma’s op het gebied van HPC die vallen onder de overkoepelende Europese programma’s ‘Connecting Europe Facility’ (CEF), ‘digitaal Europa’ en ‘horizon Europa’ (zoals neergelegd in de CEF-verordening1Verordening (EU) 2021/1153 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014, digitaal Europa verordening2Verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/2240 en horizon Europa verordening3Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013). Op grond van deze calls kan subsidie worden verleend (1) aan projectvoorstellen voor het uitvoeren van Europese HPC-projecten door Europese samenwerkingsverbanden van juridische entiteiten uit diverse lidstaten van de Europese Unie en/of geassocieerde landen dan wel (2) aan projectvoorstellen voor het uitvoeren van nationale HPC-projecten door nationale partijen of een nationaal samenwerkingsverband. Hierbij is van belang dat een deel van de totale subsidie voor een bepaald Europees of nationaal HPC-project door het financieringsorgaan verstrekt moet worden en een deel door de lidstaat van de Europese Unie waarin een juridische entiteit gevestigd is. Voor de in Nederland gevestigde juridische entiteiten is dit laatste deel van de financiering geregeld in de subsidiemodule HPC-projecten.
Vanuit de Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wordt op grond van de subsidiemodule HPC-projecten subsidie verstrekt die concreet bestemd is voor het uitvoeren van diverse activiteiten binnen twee soorten Nederlandse HPC-projecten: (a) een Nederlands zelfstandig HPC-project dat geen onderdeel uitmaakt van een overkoepelend Europees HPC-project en (b) een Nederlands HPC-deelproject of -projectonderdeel van een bijhorend overkoepelend Europees HPC-project. Nederlandse HPC-projecten moeten voldoen aan de Europese doelstellingen die zijn omschreven in paragraaf 1.2 van deze toelichting.
Met deze regeling wordt de oude subsidiemodule HPC-projecten vervangen door een opnieuw vastgestelde subsidiemodule HPC-projecten, die nog meer subsidiabele activiteiten bevat. Hiermee wordt beoogd om subsidie te verstrekken voor het uitvoeren van een Nederlands HPC-project dat gericht is op het verwezenlijken van de Europese en Nederlandse (maatschappelijke) doelstellingen op het gebied van HPC.
Algemene doelstellingenHet Nederlandse HPC-project moet gericht zijn op het verwezenlijken van één of meer van de doelstellingen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de zogenaamde HPC-verordening4Verordening (EU) 2021/1173 van de Raad van 13 juli 2021 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing en tot intrekking van verordening (EU) 2018/1488. Deze doelstellingen zijn vertaald in de subsidiemodule HPC-projecten.
In de oude subsidiemodule HPC-projecten moest het Nederlandse HPC-project (in lijn met artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de HPC-verordening) met name een bijdrage leveren aan de doelen uit het Horizon Europa programma zoals neergelegd in artikel 3 van de horizon Europa verordening. De oude subsidiemodule HPC-projecten richtte zich dan ook niet op andere Europese programma’s.
In de nieuwe subsidiemodule HPC-projecten zal het in het vervolg per openstelling verschillen aan welke doelstellingen uit welk Europees programma het Nederlandse HPC-project moet voldoen. Het Nederlandse HPC-project zal (in bepaalde gevallen) moeten voldoen aan de doelstellingen uit artikel 3 van de Europese programma’s ‘Connecting Europe Facility’ (CEF), ‘digitaal Europa’ of wederom ‘horizon Europa’ (zoals neergelegd in de CEF-verordening, digitaal Europa verordening en horizon Europa verordening).
Aan welke doelstellingen van voorgaande Europese programma’s voldaan moet worden, hangt af van de inhoud van de (Nederlanse) openstelling en bijhorende Europese calls (zie hierover paragraaf 1.3 van deze toelichting). Uit artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de HPC-verordening volgt dat het doel met name zal bestaan uit het creëren van wetenschappelijke, economische, ecologische, technologische en maatschappelijke impact door middel van de investeringen van de Europese Unie (en lidstaten van de Europese Unie) op het gebied van onderzoek en innovatie. Deze investeringen zullen moeten leiden tot de versterking van de wetenschappelijke en technologische basis van de Europese Unie, de verwezenlijking van de strategische prioriteiten van de Europese Unie en een bijdrage aan de verwezenlijking van de doelstellingen en het beleid van de Europese Unie. Ook zullen de investeringen moeten leiden tot een bijdrage aan de aanpak van wereldwijde uitdagingen, onder meer door de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen na te streven aan de hand van de beginselen van Agenda 2030 van de Verenigde Naties en de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.
Specifieke doelstellingenIn meer specifieke gevallen worden de voorgaande algemene doelstellingen vervuld door middel van subdoelstellingen die gekoppeld zijn aan bepaalde deelgebieden. Met de Nederlandse HPC-projecten die onder de subsidiemodule HPC-projecten vallen zal dan ook (gedeeltelijk) invulling moeten worden gegeven aan deze algemene doelstellingen. Het gaat hierbij om de invulling van de doelstellingen op meerdere deelgebieden uit het toepasselijke werkprogramma betreffende HPC. Voor al deze deelgebieden zal achtereenvolgens een Europese call en nationale call/openstelling plaatsvinden (in dit geval voor Nederlandse HPC-projecten een openstelling in de subsidiemodule HPC-projecten). De komende openstellingen hebben betrekking op een aantal deelgebieden.
Allereerst wordt de subsidiemodule HPC-projecten in 2026 opengesteld voor het deelgebied ‘National Competence Centers’5https://ec.europa.eu/info/funding-tenders/opportunities/portal/screen/opportunities/topic-details/DIGITAL-JU-EUROHPC-2025-NCC-01-01, Waarmee wordt beoogd om een netwerk van nationale competentiecentra (lees: nationale aanspreekpunten) voor HPC te faciliteren, waaronder de facilitering en subsidiëring van een in Nederland gevestigd nationaal competentiecentrum via onderhavige subsidiemodule HPC-projecten. Het netwerk van de nationale competentiecentra heeft tot doel om het gebruik en adoptie van HPC te bevorderen binnen de landen die verbonden zijn aan de gemeenschappelijke onderneming HPC (zie paragraaf 1.3). Het netwerk van nationale competentiecentra richt zich met name op de ondersteuning (en daarmee bevordering) van HPC bij MKB-ondernemingen, industriesectoren en publieke organisaties en de ontwikkeling en verspreiding van technische expertise, advies en trainingen (via onder meer het bouwen, upgraden, beheren of exploiteren van een innovatiecluster door onder meer het in Nederland gevestigde competentiecentrum). Daarnaast verbindt het netwerk van nationale competentiecentra (met behulp van hun uitgebreide HPC-kennis en -competenties, onder meer gebundeld in een innovatiecluster), lokale gebruikers van HPC met relevante nationale en Europese HPC-initiatieven.
Ten tweede wordt de subsidiemodule HPC-projecten in 2026 opengesteld voor het deelgebied ‘Quantum Computers’6https://www.eurohpc-ju.europa.eu/call-expression-interest-hosting-and-operation-european-quantum-computers-integrated-hpc-0_en, waarmee wordt beoogd om een HPC-Quantum computer te verwerven, aan te schaffen, in gebruik te nemen (door (te) ontwikkelen) en te integreren in het aanbod (van de te beheren en exploiteren onderzoeksinfrastructuur, test- en experimenteerfaciliteit of het innovatiecluster) van een aantal juridische entiteiten uit de landen die verbonden zijn aan de gemeenschappelijke onderneming HPC. Het doel is om onderzoek naar en ontwikkeling van gebruiker gedreven, innovatieve en internationaal concurrerende Quantumcomputersystemen en een robuuste waardeketen voor benodigde componenten, technologieën en kennis te bevorderen. Het gaat binnen dit deelgebied om het door de betrokken juridische entiteiten ontwikkelen van technologie voor de lokale integratie van de systemen van ‘Quantum computers’ en ‘supercomputers’. Hiermee moet de complementariteit tussen beide systemen worden bevorderd, zodat deze combinatie ook via een hardware-agnostische software stack aangeboden kan worden aan entiteiten die in Europa gevestigd zijn. Het gevolg hiervan zou moeten resulteren in een platform (bijvoorbeeld een (deel van) onderzoeksinfrastructuur, test- en experimenteerfaciliteit of innovatiecluster) waarop toepassingen met industriële, wetenschappelijke en maatschappelijke relevantie ontwikkeld kunnen worden in de diverse landen van de Europese Unie.
Ten derde wordt de subsidiemodule HPC-projecten in 2027 opengesteld voor het deelgebied ‘Centers of Excellence and Lighthouse codes’7https://www.eurohpc-ju.europa.eu/establishing-hpc-centres-excellence-and-lighthouse-codes_en, Waarmee wordt beoogd om het leiderschap en concurrentievermogen van de Europese Unie in HPC te behouden en te versterken, aanvullende capaciteiten te ontwikkelen en een effectieve innovatiewaardeketen te ondersteunen. Het gaat binnen dit deelgebied om de ontwikkeling van: (a) schaalbare, energie-efficiënte en AI-geïntegreerde HPC-toepassingen, (b) schaalbare en parallelle software en codes en (c) hoogwaardige toepassingen. Deze toepassing en softwarecodes moeten bijdragen aan het oplossen van wetenschappelijke, industriële en maatschappelijke uitdagingen. Concreet moeten deze toepassing en softwarecodes oplossingen bieden voor specifieke toepassingsgebieden en gebruikersgroepen van HPC (Community Centres of Excellence). Het kan hierbij gaan om de volgende oplossingen: (a) transversale oplossingen die gericht zijn op performance-optimalisatie, pre- en post-processing en de integratie van data- en AI-technologieën (die relevant zijn over brede wetenschappelijke en industriële domeinen (Transversal Centres of Excellence)) en (b) applicaties, software-ontwikkelingskits of softwarebibliotheken die buitengewoon hoge technische prestaties leveren om daarmee internationaal leidende rol van de Europese Unie in HPC verder te vergroten (Lighthouse Codes).
Ten vierde wordt de subsidiemodule HPC-projecten in 2027 opengesteld voor het deelgebied ‘Quantum Machine Learning’8https://www.eurohpc-ju.europa.eu/quantum-machine-learning_en, waarmee wordt beoogd om de Europese wetenschappelijke en technologische capaciteiten op het snijvlak van Quantumcomputing en AI te versterken. Het gaat binnen dit deelgebied om (a) de ontwikkeling van nieuwe mogelijkheden voor dataverwerking en optimalisatie en modellering van hybride systemen, waarin Quantumprocessoren gecombineerd worden met klassieke HPC-systemen, alsook (b) de ontwikkeling en validatie van nieuwe Quantum Machine Learning (QML)-methoden. Hieronder vallen nieuwe quantum-, quantum-inspired en hybride algoritmen, performance benchmarking en noise-aware strategieën. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar schaalbare oplossingen voor grote en complexe datasets en quantum-native learning-modellen die duidelijke voordelen ten opzichte van klassieke benaderingen kunnen aantonen.
De beslissing voor subsidietoekenning wordt gemaakt op grond van Europese en Nederlandse besluitvormingsprocessen, die na elkaar of gelijktijdig plaatsvinden. Deze besluitvormingsprocessen bevatten de volgende fases.
Totstandkoming van het Connecting Europe Facility programma en onderliggende werkprogramma’sVoordat er subsidie verleend kan worden aan een project betreffende HPC (HPC-project) zal eerst een zogenaamd Europees proces moeten hebben plaatsgevonden. Van belang hierbij is dat in de CEF-verordening, digitaal Europa verordening of horizon Europa verordening het zogenaamde CEF-, digitaal Europa of horizon Europa programma, met bijhorende regels voor een Europees proces, is vastgesteld (zie de artikelen 1 van de CEF-verordening, digitaal Europa verordening of horizon Europa verordening). Het CEF-, digitaal Europa of horizon Europa programma wordt onder meer uitgevoerd door middel van onderliggende specifieke werkprogramma’s die door de Europese Commissie of een financieringsorgaan (namens de Europese Commissie) zijn opgesteld. Deze werkprogramma’s zijn te beschouwen als onderliggende programma’s of programmaonderdelen van het overkoepelende CEF-, digitaal Europa of horizon Europa programma (zie artikel 2, onderdeel 25, van de horizon Europa verordening, artikel 20, eerste lid, van de CEF-verordening of artikel 24, eerste lid, van de digitaal Europa verordening). Voor projecten betreffende HPC wordt het toepasselijke werkprogramma opgesteld door de Gemeenschappelijke onderneming Europese high-performance computing, genoemd in artikel 1 van de HPC-verordening, die op grond van artikel 33, eerste lid, 35 of 36 van de HPC- verordening kwalificeert als financieringsorgaan als bedoeld in artikel 2, onderdeel 14, en 6, eerste lid, van de horizon Europa verordening, artikel 6, eerste lid, van de CEF-verordening respectievelijk artikel 14, eerste lid, van de digitaal Europa verordening (hierna: de Gemeenschappelijke onderneming HPC of het financieringsorgaan). Het financieringsorgaan kan voor de verwezenlijking van dit werkprogramma subsidie verlenen aan HPC-projecten via een Europees goedkeuringsbesluit, in het geval een Europees proces is doorlopen (lees: een oproep en selectie heeft plaatsgevonden).
Het Europese procesHet Europese proces start vanaf het moment dat het financieringsorgaan op grond van het bij het CEF-, digitaal Europa of horizon Europa programma horende werkprogramma een Europese oproep heeft gedaan tot het indienen van Europese subsidieaanvragen betreffende voorstellen als bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, of 25 van de horizon Europa verordening, de artikelen 20, tweede lid, of 21, eerste lid, van de CEF-verordening of artikel 20, eerste lid, van de digitaal Europa verordening. Deze open en competitieve oproep bevat een openstellingsperiode waarbinnen zogenaamde Europese subsidieaanvragen ingediend kunnen worden. De inhoud van de oproep bepaalt op welk gebied uit het werkprogramma het HPC-project zich moet richten en wat het doel hiervan is. Dit is ook gebeurd voor de HPC-projecten op de deelgebieden, genoemd in paragraaf 1.2 van deze toelichting. Voor HPC-projecten op deze deelgebieden kan dus op grond van de voorgaande oproep een zogenaamde Europese subsidieaanvraag worden ingediend door de subsidieaanvragers. Deze subsidieaanvragers kunnen (afhankelijk van het soort HPC-project) bestaan uit bepaalde juridische entiteiten, een Europees samenwerkingsverband van juridische entiteiten (gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, geassocieerd land van de Europese Unie of een land of gebied overzee) of een Nederlands samenwerkingsverband (zie voor een uitleg over het begrip ‘juridische entiteit en de vormgeving van het Europese en Nederlandse samenwerkingsverband de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.25.2). In de Europese subsidieaanvraag kan worden verzocht om (1) een Europese subsidie door het financieringsorgaan en (2) toestemming van het financieringsorgaan voor de (aanvullende) subsidieverlening door de lidstaten of geassocieerde landen van de Europese Unie waarin de desbetreffende subsidieaanvragers gevestigd zijn.
Vervolgens vindt er na het sluiten van de openstellingsperiode een zogenaamde beoordeling en selectie van de Europese subsidieaanvragen plaats door de Europese Commissie, het financieringsorgaan dan wel een evaluatiecomité op grond van de artikelen 28, eerste lid, en 29, eerste en tweede lid, van de horizon Europa verordening, artikel 14 van de CEF-verordening of de artikelen 20 en 21 van de digitaal Europa verordening. Alle subsidieaanvragers ontvangen, overeenkomstig artikel 200, zevende lid, van het Financieel Reglement van de Europese Unie9Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PBEU 2021 L 193/1., tijdens alle fases van het beoordelings- en selectieproces feedback over de afwijzing of honorering van de desbetreffende Europese subsidieaanvraag. Indien de Europese subsidieaanvraag wordt afgewezen, ontvangen de subsidieaanvragers de redenen voor de afwijzing. Indien de Europese subsidieaanvraag wordt gehonoreerd, ontvangen de subsidieaanvragers een Europees goedkeuringsbesluit van het financieringsorgaan. In dit besluit wordt bepaald dat een Europees HPC-project (en bijhorend Nederlands HPC-deelproject of -projectonderdeel) of een Nederlands zelfstandig HPC-project in aanmerking kan komen voor een financiële bijdrage van het financieringsorgaan. Hierna zal een nadere uitwerking moeten plaatsvinden van de subsidiabele activiteiten en aanverwante subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie in een Europese subsidieovereenkomst (als bedoeld in artikel 33 van de horizon Europa verordening, artikel 2, onderdeel c, van de CEF-verordening of overweging 4 uit de considerans van de digitaal Europa verordening), die wordt gesloten tussen het financieringsorgaan en de subsidieontvangers (bijvoorbeeld deelnemers uit een Europees of Nederlands samenwerkingsverband) ten behoeve van de uitvoering van een HPC-project. Hierbij is van belang dat aan de desbetreffende juridische entiteit die deelneemt aan een HPC-project, overeenkomstig het toepasselijke werkprogramma, ook financiering verstrekt wordt vanuit de overheid van het land waarin deze juridische entiteit gevestigd is. Deze zogenaamde cofinanciering is voor in Nederland gevestigde juridische entiteiten geregeld in onderhavige subsidiemodule HPC-projecten.
Het Nederlandse procesIn Nederland gevestigde juridische entiteiten, die na het Europese proces zijn overgebleven, kunnen op grond van artikel 3.25.2, eerste lid, van de subsidiemodule HPC-projecten een Nederlandse aanvraag om subsidie indienen voor het uitvoeren van een Nederlands HPC-project, bestaande uit (a) een Nederlands zelfstandig HPC-project dat geen onderdeel is van een Europees HPC-project dan wel (b) een Nederlands HPC-deelproject of -projectonderdeel van een overkoepelend Europees HPC-project. Op grond van deze zogenaamde Nederlandse subsidieaanvraag zal beoordeeld moeten worden of de Nederlandse HPC-projecten voor subsidie in aanmerking kunnen komen, en er dus naast de Europese financiering ook nationale cofinanciering vanuit Nederland plaats zal vinden op de wijze zoals opgenomen in artikel 3.25.2 van de subsidiemodule HPC-projecten. De beslissing op de (Nederlandse) aanvraag om subsidie wordt genomen op basis van de in de subsidiemodule HPC-projecten opgenomen voorwaarden en criteria, die aansluiten bij het Europese goedkeuringsbesluit van het financieringsorgaan en de hierop gebaseerde Europese subsidieovereenkomst. Zo wordt bij de rangschikking van de Nederlandse subsidieaanvragen rekening gehouden met de Europese rangschikking van de overkoepelende Europese subsidieaanvragen. De Nederlandse subsidieaanvragen waarop niet afwijzend is beslist worden namelijk hoger gerangschikt naar mate de Europese subsidieaanvraag betreffende een Europees HPC-project (en bijhorend Nederlands HPC-deelproject of -projectonderdeel) of een Nederlands zelfstandig HPC-project hoger is gerangschikt door de Europese Commissie, het financieringsorgaan of evaluatiecomité, na toepassing van de artikelen 28, eerste lid, en 29, eerste en tweede lid, van de horizon Europa verordening, artikel 14 van de CEF-verordening of de artikelen 20 en 21 van de digitaal Europa verordening.
Op de inhoud van de subsidiemodule HPC-projecten zal nader worden ingegaan in het artikelsgewijze deel van deze toelichting.
Met deze wijzigingsregeling wordt de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 aangepast, zodat de subsidiemodule HPC-projecten opengesteld kan worden. Voor de subsidiemodule HPC-projecten loopt de openstellingsperiode voor twee deelgebieden van 19 oktober 2026 tot en met 6 november 2026 om 17.00 uur voor Nederlandse HPC-projecten op de deelgebieden ‘National Competence Centers’ en ‘Quantum Computers’. Het subsidieplafond wordt voor het Deelgebied ‘National Competence Centers’ vastgesteld op € 550.000 en voor het deelgebied ‘Quantum Computers’ op € 6.395.320.
Verder zal de subsidiemodule HPC-projecten in 2027 wederom opengesteld worden voor de deelgebieden ‘Centers of Excellence and Lighthouse codes’ en ‘Quantum Machine Learning’. Deze deelgebieden zijn met de onderhavige wijzigingsregeling al ingevoegd in de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026. De openstelling van deze laatste twee deelgebieden zal worden opgenomen in de nog in te voeren Regeling openstelling EZ- LVVN- en KGG-subsidies 2027, die op 1 januari 2027 in werking zal treden.
Op grond van de subsidiemodule HPC-projecten wordt subsidie verstrekt voor het uitvoeren van een Nederlands HPC-project. De subsidie is bestemd voor een in Nederland gevestigde juridische entiteit (bijvoorbeeld een onderneming, onderzoeksorganisatie, (lokale) overheid of andere organisatie), die (afhankelijk van het soort Nederlandse HPC-project) eventueel onderdeel uit kan of moet maken van een Europees samenwerkingsverband of Nederlands samenwerkingsverband. Voor een Nederlands HPC-project wordt op grond van de subsidiemodule HPC-projecten aanvullende cofinanciering verleend in de vorm van subsidie, uitsluitend wanneer het desbetreffende bovenliggende Europese HPC-project of het Nederlandse HPC-project zelf is voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit. Het goedkeuringsbesluit wordt nader uitgewerkt in een Europese subsidieovereenkomst. Omdat met de Europese subsidieovereenkomst binnen de spelregels van het CEF-, digitaal Europa of horizon programma gebleven wordt, is ervoor gekozen om in de artikelen 3.25.2, 3.25.3 en 3.25.4 van de subsidiemodule HPC-projecten zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bepalingen over de subsidiabele activiteiten, hoogte van de subsidie en subsidiabele kosten die zijn opgenomen in de Europese subsidieovereenkomst (of eventueel in een betrouwbaar vergevorderd concept hiervan zoals omschreven in de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.25.8).
Een Nederlands HPC-project omvat een samenhangend geheel van in de Europese subsidieovereenkomst (of eventueel in een betrouwbaar vergevorderd concept hiervan zoals omschreven in de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.25.8) vermelde activiteiten, die uitsluitend kunnen bestaan uit de volgende economische en niet-economische activiteiten (zie artikel 3.25.2, tweede lid). Hierop zijn de steunintensiteiten10het deel van de subsidiabele kosten dat voor subsidie in aanmerking komt. en het maximum subsidiebedrag uit artikel 3.25.3 van toepassing.
Economische activiteiten onder de horizon Europa verordening (artikelen 3.25.2, tweede lid, onderdeel a, 3.25.3, eerste lid, onderdeel a, derde lid, en vierde lid, onderdelen a en b, onder 1°, en 3.25.4, eerste lid, onderdeel a, tweede lid en derde lid)De subsidiabele activiteiten kunnen bestaan uit economische activiteiten, die vallen onder de horizon Europa verordening in de vorm van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie. Hierbij worden de voormelde activiteiten uitgevoerd door een in Nederland gevestigde juridische entiteit die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert (inclusief een onderzoeksorganisatie die als onderneming opereert). In dit geval is er sprake van staatssteun die gerechtvaardigd wordt door artikel 25 Quater van de algemene groepsvrijstellingsverordening11Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187)., in het geval voldaan wordt aan de voorwaarden en verplichtingen zoals deze zijn opgenomen in de artikelen 3.25.2, 3.25.3 en 3.25.4.
Allereerst zijn voor economische activiteiten die worden uitgevoerd op grond van de horizon Europa verordening in artikel 3.25.3, eerste lid, onderdeel a, van de subsidiemodule HPC-projecten regels opgenomen over de steunintensiteit (het deel van de subsidiabele kosten dat voor subsidie in aanmerking komt). Hierin wordt bepaald dat de verstrekte subsidie gelijk is aan de subsidie die door het financieringsorgaan verstrekt wordt op grond van de Europese subsidieovereenkomst, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie. Dit betekent dat de Minister van EZK hetzelfde subsidiepercentage en hetzelfde subsidiebedrag aan het Nederlandse HPC-project zal betalen als het financieringsorgaan. Ook wordt met het maximumsubsidiebedrag, opgenomen in artikel 3.25.3, derde lid, gebleven onder de aanmeldingsdrempels opgenomen in artikel 4, onderdeel i, subonderdeel IX, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Ten tweede mag op grond van artikel 3.25.3, vierde lid, de totale subsidie hoger uitkomen door een bijdrage van een ander bestuursorgaan, de Europese Commissie of het financieringsorgaan: (a) indien de totale som van de door de Minister van EZK, de Europese Commissie, het financieringsorgaan of andere bestuursorganen verstrekte subsidie voor de voormelde economische activiteiten (die vallen onder de horizon verordening) niet hoger ligt dan 100% van de subsidiabele kosten of, voor zover van toepassing, het maximum percentage of het bedrag dat is opgenomen in het toepasselijke werkprogramma en (b) indien het deel van de door de Minister van EZK of andere bestuursorganen verstrekte subsidie niet meer bedraagt dan de voormelde toepasselijke drempelbedragen of percentages van de subsidiabele kosten uit de artikelen 4 en 25 Quater van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Ten derde bevat de subsidiemodule HPC-projecten voor economische activiteiten die worden uitgevoerd op grond van de horizon verordening in artikel 3.25.4, eerste lid, onderdeel a, tweede lid en derde lid bepalingen betreffende subsidiabele kosten. Hierin is bepaald dat voor subsidie slechts in aanmerking komen de kosten die zijn vermeld in de Europese subsidieovereenkomst, en die dus vallen binnen het toepasselijke werkprogramma dat onderdeel uitmaakt van het overkoepelende horizon Europa programma. Ook moet de Nederlandse subsidieaanvrager de subsidiabele kosten berekenen overeenkomstig de wijze die is gebruikt in de Europese subsidieaanvraag. Vanzelfsprekend moet de berekenmethode wel overeenkomen met de regels uit het horizon programma zoals neergelegd in artikelen 35 en 36 van de horizon verordening.
Met de voorgaande bepalingen wordt er voor gezorgd dat niet meer steun verleend wordt dan dat er subsidiabele kosten worden gemaakt. De voorgaande bepalingen impliceren dat de Minister van EZK bijvoorbeeld ten hoogste 50 procent van de subsidiabele kosten zou kunnen subsidiëren in het geval het financieringsorgaan de andere 50 procent van de totale subsidiabele kosten van het Nederlandse HPC-project subsidieert, alsook dat de Minister van EZK ten hoogste 35 procent van de subsidiabele kosten zou kunnen subsidiëren in het geval het financieringsorgaan de andere 35 procent van de totale subsidiabele kosten van het Nederlandse HPC-project subsidieert. Deze percentages en aanverwante bedragen sluiten aan bij de op het horizon Europa programma gebaseerde werkprogramma, waarin maximumpercentages zijn vastgesteld op grond van artikel 34, eerste lid, van de horizon Europa verordening. Hierbij is van belang dat door het financieringsorgaan op grond van artikel 34 van de HPC-verordening (in afwijking van artikel 34 van de horizon Europa verordening) in het werkprogramma verschillende vergoedingspercentages gehanteerd kunnen worden die afhankelijk zijn van het soort deelnemer (zoals kleine en middelgrote ondernemingen) en het soort actie. Hiermee is rekening gehouden met voormelde bepaling uit de subsidiemodule HPC-projecten over de hoogte van de subsidie en anti-cumulatie.
Economische activiteiten onder de CEF-verordening of digitaal Europa verordening (artikelen 3.25.2, tweede lid, onderdeel b, 3.25.3, eerste lid, onderdeel b, tweede lid, derde lid, en vierde lid, onderdelen a en b, onder 2°, tot en met 8°, en 3.25.4, eerste lid, onderdeel b, tweede lid en derde lid)De subsidiabele activiteiten kunnen bestaan uit economische activiteiten, die vallen onder de CEF-verordening of digitaal Europa verordening in de vorm van (a) onderzoek (fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een haalbaarheidsstudie), (b) de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, test- en experimenteerinfrastructuur en een innovatiecluster dan wel (c) het beheer of de exploitatie van een innovatiecluster. Hierbij worden de voormelde activiteiten uitgevoerd door een juridische entiteit die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert (inclusief een onderzoeksorganisatie die als onderneming opereert). In dit geval is er sprake van staatssteun die gerechtvaardigd wordt door artikelen 25, 26, 26 bis en 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, in het geval voldaan wordt aan de voorwaarden en verplichtingen zoals deze zijn opgenomen in de artikelen 3.25.2, 3.25.3, 3.25.4, 3.25.9 en 3.25.12, eerste lid.
Allereerst is de hoogte van de steunintensiteit per situatie anders, afhankelijk van het soort activiteit of entiteit dan wel van welke mate aan welke voorwaarden voldaan is. De (basis) steunintensiteiten zijn voor economische activiteiten die worden uitgevoerd op grond van de CEF-verordening of de digitaal Europa verordening opgenomen in artikel 3.25.3, eerste lid, onderdeel b. Deze steunintensiteiten bedragen: (1°) 100% voor fundamenteel onderzoek, (2°) 50% voor industrieel onderzoek, (3°) 25% voor experimentele ontwikkeling, (4°) 50% voor een haalbaarheidsstudie, (5°) 50% voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, (6°) 25% voor de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur en (7°) 50% voor de bouw of het upgraden van een innovatiecluster dan wel het beheer of de exploitatie hiervan. Deze (basis) percentages voor economische activiteiten onder de CEF-verordening of de digitaal Europa verordening, opgenomen in artikel 3.5.3, eerste lid, onderdeel b, sluiten aan bij de (basis) percentages uit het toepasselijke Europese staatssteunkader (artikelen 25, 26, 26 bis en 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening).
Ten tweede kunnen in lijn met de bepalingen uit de artikelen 25, 26, 26 bis en 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening bepaalde (basis)percentages ook worden opgehoogd. Zo kan de Minister van EZK de (basis) percentages van industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een haalbaarheidsstudie dan wel de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur ophogen met 10 procentpunten voor de kosten van een middelgrote onderneming of 20 procentpunten voor de kosten van een kleine onderneming. Ook kan de Minister van EZK de (basis) percentages van industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling ophogen met 15 procentpunten indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor daadwerkelijke samenwerking of brede kennisverspreiding, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, subonderdelen i en ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Deze laatste mogelijkheid tot ophoging bestaat wel alleen, voor zover het (basis)percentage na ophoging hiervan niet uitkomt boven de 80 procentpunten. Daarnaast kan de Minister van EZK ook op grond van artikel 26, zesde lid, en 26 bis, zesde lid, onderdeel b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening het (basis)percentage voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur respectievelijk de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur ophogen met 10 procentpunten, indien ten minste twee lidstaten van de Europese Unie overheidsfinanciering verstrekken dan wel in het geval het een onderzoeksinfrastructuur dan wel test- en experimenteerinfrastructuur betreft die op het niveau van de Europese Unie wordt geëvalueerd en geselecteerd.
Ten derde wordt met het maximumsubsidiebedrag, opgenomen in artikel 3.25.3, derde lid, gebleven onder de aanmeldingsdrempels opgenomen in artikel 4, onderdeel i, subonderdelen i, ii, iii, vi, onderdeel j, onderdeel j bis, en onderdeel k, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Daarnaast mag op grond van artikel 3.25.3, vierde lid, de totale subsidie ook hoger uitkomen door een bijdrage van een ander bestuursorgaan, de Europese Commissie of het financieringsorgaan: (a) indien de totale som van de door de Minister van EZK, de Europese Commissie, het financieringsorgaan of andere bestuursorganen verstrekte subsidie voor de voormelde economische activiteiten niet hoger ligt dan 100% van de subsidiabele kosten of, voor zover van toepassing, het maximum percentage of het bedrag dat is opgenomen in het toepasselijke werkprogramma en (b) indien het deel van de door de Minister van EZK of andere bestuursorganen verstrekte subsidie niet meer bedraagt dan de voormelde toepasselijke drempelbedragen of percentages van de subsidiabele kosten.
Ten vierde bevat de subsidiemodule HPC-projecten voor economische activiteiten die worden uitgevoerd op grond van de CEF-verordening of digitaal Europa verordening in artikel 3.25.4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, tweede lid en derde lid, bepalingen betreffende subsidiabele kosten. Hierin is bepaald dat voor subsidie slechts in aanmerking komen de kosten die zijn vermeld in de Europese subsidieovereenkomst (of eventueel in een betrouwbaar vergevorderd concept hiervan zoals omschreven in de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.25.8), en die dus vallen binnen het toepasselijke werkprogramma dat onderdeel uitmaakt van het overkoepelende CEF- of digitaal Europa programma. Ook moet de Nederlandse subsidieaanvrager de subsidiabele kosten berekenen overeenkomstig de wijze die is gebruikt in de Europese subsidieaanvraag. Vanzelfsprekend moet de berekenmethode wel overeenkomen met de regels uit het CEF- of digitaal Europa programma zoals neergelegd in de artikelen 16, 17, 18 en 19, van de CEF-verordening of de artikelen 17, 19 en 23, eerste lid, van de digitaal Europa verordening.
De voorgaande bepalingen over percentages, bedragen en subsidiabele kosten sluiten aan bij de op de CEF- en digitaal Europaprogramma gebaseerde werkprogramma, waarin maximumpercentages zijn vastgesteld op grond van de CEF-verordening en digitaal Europa verordening. Hierbij is van belang dat door het financieringsorgaan op grond van artikel 34 van de HPC-verordening (in afwijking van de digitaal Europa verordening) in het werkprogramma verschillende vergoedingspercentages gehanteerd kunnen worden die afhankelijk zijn van het soort deelnemer (zoals kleine en middelgrote ondernemingen) en het soort actie. Hiermee is rekening gehouden met voormelde bepaling uit de subsidiemodule HPC-projecten over de hoogte van de subsidie en anti-cumulatie.
Niet-economische onderzoeksactiviteiten onder de CEF-, digitaal Europa of horizon Europa verordening (artikelen 3.25.2, tweede lid, onderdeel c, 3.25.3, eerste lid, onderdeel c, derde lid, en vierde lid, onderdeel a, en 3.25.4, eerste lid, onderdeel c, tweede en derde lid)De subsidiabele activiteiten kunnen ook bestaan uit niet-economische activiteiten, in de vorm van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een haalbaarheidsstudie of de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur. Hierbij worden de voormelde activiteiten onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht door een juridische entiteit die als onderzoeksorganisatie kwalificeert. In dit geval is er geen sprake van staatssteun. Hierop is dus geen steunkader en ook geen maximum steunintensiteit van toepassing. Er is daarom ook voor gekozen de steunintensiteit vast te stellen op een percentage van 100% (zie artikel 3.25.3, eerste lid, onderdeel c), zodat een maximale stimulans aan de voormelde subsidiabele activiteiten wordt gegeven. Ook kunnen zonder meer de beoogde maximumsubsidiebedragen gehanteerd worden (zie artikel 3.25.3, derde lid). Daarnaast mag de som van de totale subsidie die voor deze niet-economische activiteiten door de Minister van EZK, de Europese Commissie, het financieringsorgaan of andere bestuursorganen aan een Nederlands HPC-project verstrekt wordt hier ook ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten bedragen (zie artikel 3.25.3, vierde lid, aanhef en onderdeel a). De Europese en Nederlandse subsidie kan dus gecumuleerd nooit meer dan 100% bedragen.
Van belang is dat de niet-economische onderzoeksactiviteiten van onderzoeksorganisaties nader afgebakend zijn in onderhavige subsidiemodule. Voor wat al dan niet onder niet-economische onderzoeksactiviteiten van onderzoeksorganisaties wordt verstaan, wordt aangesloten bij het zogenaamde O&O&I-steunkader12Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (C(2022) 7388 final). op grond waarvan randvoorwaarden en waarborgen zijn opgenomen in de artikelen 3.25.2, 3.25.3, 3.25.4, 3.25.10, 3.25.11 en 3.25.12, eerste lid).
Voor een aanvullende of uitgebreidere omschrijving van de achtergrond en reikwijdte van de in deze paragraaf omschreven subsidiabele activiteiten, hoogte van de subsidie en subsidiabele kosten wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 3.25.2, 3.25.3 en 3.25.4.
De steunverlening voor economische activiteiten is aan randvoorwaarden onderworpen, zodat voldaan wordt aan de volgende voorwaarden van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Ten eerste wordt met artikel 22, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (hierna Kaderbesluit), samen met artikelen 3.25.3 en 3.25.4, gewaarborgd dat de steun overeenkomstig artikel 5 van de algemene groepsvrijstellingsverordening transparant is.
Ten tweede wordt met het maximumsubsidiebedrag, opgenomen in artikel 3.25.3, derde lid, alsook met het toepasselijke subsidieplafond uit artikel II gebleven onder de toepasselijke aanmeldingsdrempels voor individuele subsidieverstrekking, opgenomen in artikel 4, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Ten derde waarborgen de artikelen 6, 7, 8 en 22, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, van het Kaderbesluit en artikel 3.25.3, vierde lid, van de subsidiemodule HPC-projecten dat wordt voldaan aan de eisen betreffende cumulatie, opgenomen in artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Tot slot heeft de steun (overeenkomstig artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening) een stimulerend effect, omdat de subsidiabele activiteiten pas zullen starten nadat de Europese subsidieaanvraag is ingediend, wat onder meer is gewaarborgd in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit en artikel 3.25.6, eerste lid, van de subsidiemodule HPC-projecten.
Van de publicatie van de onderhavige wijziging en openstelling van de subsidiemodule HPC-projecten, alsook van toekomstige publicaties van wijzigingen, subsidieplafonds en openstellingen van de subsidiemodule HPC-projecten, zal (zo nodig) een kennisgeving aan de Europese Commissie worden gedaan, conform artikel 11, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Omdat de subsidie voor economische activiteiten die op grond van de subsidiemodule HPC-projecten wordt verleend, staatssteun bevat die door de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt gerechtvaardigd, maakt de Minister van EZK binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens, genoemd in artikel 1.8 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies, bekend.
Deze regeling betreft de wijziging en openstelling van de subsidiemodule HPC-projecten. Voor de administratieve lasten is van belang dat er sprake is van Europese cofinanciering. Hierdoor wordt er zowel een Europees proces doorlopen voor Europese subsidieverlening als een Nederlands proces voor subsidieverlening onder de subsidiemodule HPC-projecten. In de hiernavolgende paragrafen wordt uitsluitend ingegaan op het Nederlandse proces (lees: de administratieve lasten die direct verbonden zijn aan de subsidiemodule HPC-projecten). De subsidiemodule HPC-projecten heeft administratieve lasten tot gevolg, samenhangend met de aanvraag voor subsidie, de tussentijdse (jaarlijkse) rapportage(s) over de voortgang en de aanvraag tot subsidievaststelling.
De Nederlandse subsidieaanvraag (artikel 3.25.13)Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, moet een aanvraag om subsidieverlening betreffende het Nederlandse HPC-project (hierna: de Nederlandse subsidieaanvraag) worden ingediend waarin of waarbij bepaalde informatie verschaft moet worden. In artikel 3.25.13 zijn informatieverplichtingen opgenomen ten aanzien van de gegevens die de Nederlandse subsidieaanvraag moet bevatten en van welke bescheiden deze vergezeld dient te gaan. Voor de Nederlandse subsidieaanvraag is een aantal minimale informatievereisten opgenomen in artikel 3.25.13, eerste lid, over de subsidieaanvrager, het project en de inhoud van de Europese subsidieovereenkomst, die nodig zijn om de aanvraag te kunnen behandelen. Hiervoor worden op de website RVO.nl een aantal standaard formats beschikbaar gesteld, die ingevuld moeten worden door de subsidieaanvrager. Daarnaast moet de Nederlandse subsidieaanvraag vergezeld gaan van een aantal documenten die staan vermeld in artikel 3.25.13, tweede lid. Al deze informatie is nodig voor de beoordeling van de Nederlandse subsidieaanvraag.
Verstrekking documentatie en verslaglegging (voorafgaand of tijdens) de uitvoering van een Nederlands HPC-project (artikelen 3.25.6, 3.25.8 en 3.25.12)Na een positieve beoordeling van de subsidieaanvraag zal er subsidie verleend worden onder de opschortende voorwaarde dat binnen één jaar (of bij uitstel twee jaar) na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening, een ondertekend exemplaar van de Europese subsidieovereenkomst verstrekt is aan de minister door de betrokken subsidieontvanger of subsidieontvangers. Het betreft hier de Europese subsidieovereenkomst die gesloten moet zijn tussen het financieringsorgaan en de subsidieaanvragers die kwalificeren als begunstigde, eventueel uit een Europees of Nederlands samenwerkingsverband. Voorgaande verplichting kan eventueel door de Minister van EZK ook omgezet worden in een verplichting om een betrouwbaar vergevorderd concept van de Europese subsidieovereenkomst te verstrekken, met daarbij nog wat andere documentatie. Zie de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.25.8.
Het Nederlandse HPC-project moet binnen zeven jaar afgerond zijn na subsidieverlening (zie artikel 3.25.6). Om tussentijds zicht te houden op de voortgang van het desbetreffende project zal op grond van artikel 3.25.12, tweede lid, verslaglegging plaatsvinden (hierna: voortgangs- of tussenrapportage of eindverslag), overeenkomstig de wijze en frequentie waarop de subsidieontvanger daartoe jegens het financieringsorgaan verplicht is. Deze verplichting komt in plaats van de standaard verplichting tot een jaarlijkse voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 39 van het Kaderbesluit. Deze tussenrapportages kunnen na afronding van het project ook gedeeltelijk gebruikt worden bij de uiteindelijke vaststelling van de subsidie. Ook moet op grond van artikel 3.25.12, derde lid, gedurende de looptijd van het Europese of Nederlandse HPC-project tot en met vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling zichtbaarheid gegeven worden aan de financiering door het financieringsorgaan en de minister door de subsidieontvangers, overeenkomstig het bepaalde in de toepasselijke Europese programma’s
De Nederlandse aanvraag tot subsidievaststelling (artikel 3.25.14)Voor de vaststelling van de subsidie dient de subsidieontvanger nog een aanvraag tot subsidievaststelling betreffende het Nederlandse HPC-project (hierna: de Nederlandse aanvraag tot subsidievaststelling) in te dienen, waarin deze (in de vorm van een eindrapportage) aanvullende informatie moet verschaffen. Deze eindrapportage bestaat in dit geval ook uit het eindverslag dat bij het financieringsorgaan is ingediend. Voor de Nederlandse aanvraag tot subsidievaststelling zijn de informatieverplichtingen opgenomen in artikel 50 van het Kaderbesluit. Er is evenwel voor gekozen om deze informatieverplichtingen in artikel 3.25.14, eerste en tweede lid, van de subsidiemodule HPC-projecten nader in en aan te vullen.
Het eerste en tweede lid van artikel 3.25.14 bevat een opsomming van de informatie die in ieder geval opgenomen moet worden in de Nederlandse aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeld in artikel 50, eerste lid en tweede lid, aanhef, van het Kaderbesluit, en in het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit, dat bij de Nederlandse aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend en welke documenten bijgevoegd moeten worden. Deze onderdelen dienen ervoor om te bezien of de subsidiabele activiteiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, alsook of de subsidiabele activiteiten tot het gewenste eindresultaat hebben geleid.
Het derde en vierde lid van artikel 3.25.14 bevat voorschriften over het accountantsproduct dat bijgevoegd moet worden bij de Nederlandse aanvraag tot subsidievaststelling. Uit deze bepalingen volgt dat de Nederlandse aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld moet gaan van een rapport van feitelijke bevindingen dat al eerder bij het financieringsorgaan ingediend is (bij de Europese aanvraag tot subsidievaststelling). Indien dit rapport van feitelijke bevindingen niet aan het financieringsorgaan verstrekt is voordat de Nederlandse aanvraag tot subsidievaststelling betreffende het Nederlandse HPC-project is ingediend of onvoldoende informatie bevat om de Nederlandse aanvraag tot subsidievaststelling betreffende het Nederlandse HPC-project te kunnen beoordelen, moet de aanvraag tot subsidievaststelling betreffende het Nederlandse HPC-project, overeenkomstig artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit vergezeld gaan van een Nederlandse controleverklaring van de subsidieontvanger. Indien in het laatste geval deze Nederlandse controleverklaring bij de aanvraag tot subsidievaststelling ontbreekt, moet op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag tot subsidievaststelling betreffende het Nederlandse HPC-project op verzoek van de minister worden aangevuld met een adequate Nederlandse controleverklaring van de subsidieontvanger. Met deze bepalingen wordt ervoor gezorgd dat een Nederlandse subsidieontvanger niet (onnodig) extra kosten hoeft te maken om het voormelde (individuele Nederlandse) accountantsproduct te kunnen opleveren bij de Nederlandse aanvraag tot subsidievaststelling, in het geval er een adequaat Europees accountantsproduct aanwezig is op het moment van indiening van de Nederlandse aanvraag tot subsidievaststelling. Er is echter niet voor gekozen om in alle gevallen terug te vallen op het voormelde Europese accountantsproduct, omdat dit niet altijd tijdig aanwezig zal zijn of aan de Nederlandse accountantsstandaarden zal voldoen zoals deze volgen uit onder meer artikel 4:45 van de Awb (en meer specifiek uit het op artikel 50 van het Kaderbesluit gebaseerde rapport van feitelijke bevindingen of accountantsprotocol uit bijlage 1.1 respectievelijk 1.3 van de RNES), die conform het Raamwerk voor uitvoering van subsidies (RUS) van toepassing zijn op subsidies van meer dan € 125.000 per subsidieontvanger.
Voorgaande bepaling zorgt er dus voor dat (a) een Europees accountantsproduct gebruikt kan worden in het geval dit adequaat is en (b) teruggevallen wordt op het Nederlandse accountantsproduct in het geval er geen adequaat Europees accountantsproduct aanwezig is of zal zijn. Het risico bestaat dat een Europees accountantsproduct (lees: een Europees rapport van feitelijke bevindingen) onvoldoende scope en/of diepgang biedt ten opzichte van een Nederlands accountantsproduct, waardoor er onzekerheid blijft bestaan over de juistheid van financiële informatie over het Nederlandse HPC-project. Bij de beoordeling van de Europese aanvraag tot subsidievaststelling heeft een financieel medewerker van het financieringsorgaan niet altijd toegang tot alle benodigde informatie en systemen die nodig zijn voor een gedegen financiële controle zoals een Nederlandse externe accountant die wel heeft. De Europese accountantsstandaarden (agreed upon procedures), die gelden bij Europese subsidies, verschillen namelijk op het gebied van scope, drempelbedragen en aanlevermomenten:
In de regel wordt bij elke Europese tussenrapportage een rapport van feitelijke bevindingen (Certificate on the financial statement, CFS) gevraagd door de Europese Commissie. De feiten en bevindingen zijn daarin vastgelegd en er wordt geen opinie gegeven. De specifieke voorwaarden voor het aanleveren van een Europees rapport van feitelijke bevindingen staan in de Europese subsidieovereenkomst vermeld.
De reikwijdte en doel van een accountantscontrole waarbij een Nederlandse controleverklaring wordt afgegeven heeft betrekking op de juistheid en betrouwbaarheid van een jaarrekening (of soortgelijk financieel overzicht) van een organisatie, in de verklaring wordt een opinie afgegeven.
Met deze wijzigingsregeling wordt de subsidiemodule HPC-projecten voor twee deelgebieden opengesteld. De komende openstelling en berekening van de administratieve lasten voor Nederlandse HPC-projecten heeft betrekking op de deelgebieden (a) ‘National Competence Centers’ en (b) ‘Quantum Computers’.
Tijdsbesteding betreffende de voorbereiding en het indienen van de Nederlandse subsidieaanvraagDe verwachting is dat 2 potentiële Nederlandse subsidieaanvragers kennisnemen van de subsidiemodule HPC-projecten en dat hieraan 4 uur per potentiële Nederlandse subsidieaanvrager besteed wordt (lees: in totaal 8 uur voor alle potentiële Nederlandse subsidieaanvragers). Daarbij is de verwachting dat uiteindelijk 2 Nederlandse subsidieaanvragen worden ingediend, waarbij per individuele Nederlandse subsidieaanvrager (of partner namens deze subsidieaanvrager), 12 uur aan het opstellen en indienen van de Nederlandse subsidieaanvraag besteed wordt (lees: in totaal 24 uur besteed wordt aan het opstellen en indienen van alle Nederlandse subsidieaanvragen). Het totale aantal uren voor de kennisname, het opstellen en het indienen van alle Nederlandse subsidieaanvragen komt dan uit op 32 uur (8 uur voor kennisname + 24 uur voor het opstellen en het indienen van de subsidieaanvraag).
Tijdsbesteding betreffende rapportages en verzoeken in verband met de voortgang van het projectDe verwachting is dat 2 Nederlandse subsidieaanvragen worden gehonoreerd binnen het toepasselijke subsidieplafond. De subsidieontvangers maken voor deze 2 gehonoreerde projecten kosten die verband houden met de voortgang van het project.
Allereerst zullen voortgangsrapportages ingediend moeten worden gedurende de looptijd van het project. Hierbij is van belang dat (hoewel de maximale looptijd van een project zeven jaar is) de verwachte gemiddelde looptijd vijf jaar zal zijn. In dat geval zullen de Nederlandse subsidieontvangers gedurende de looptijd van de Nederlandse HPC-projecten van vijf jaar een tussenrapportage moeten opstellen. Naar verwachting zal het maken van een tussenrapportage gemiddeld 5 uur per gehonoreerd project in beslag nemen. Uitgaande van 2 gehonoreerde Nederlandse HPC-projecten zullen er dus in totaal 10 tussenrapportages gemaakt moeten worden, waaraan door de Nederlandse subsidieontvangers in totaal 50 uur besteed zal worden.
Ten tweede wordt verwacht dat per gehonoreerd Nederlandse HPC-project ten minste gemiddeld één verzoek betreffende de wijziging van het project(plan) zal worden ingediend tijdens de looptijd van het Nederlandse HPC-project. Het betreft hier het verzoek als bedoeld in artikel 37 van het Kaderbesluit tot aanpassing (van bijvoorbeeld de inhoud, begroting en /of duur van het Nederlandse HPC-project). Het indienen van een dergelijk wijzigingsverzoek zal per gehonoreerd Nederlandse HPC-project naar verwachting 3 uur in beslag nemen. Uitgaande van 2 gehonoreerde Nederlandse HPC-projecten zal dan ook in totaal 6 uur besteed worden aan het indienen van wijzigingsverzoeken.
Ten derde wordt per gehonoreerd Nederlands HPC-project aan de subsidieontvanger medewerking gevraagd aan één voortgangsbezoek door RVO (namens de Minister van EZK). De voorbereiding en deelname aan het voortgangsbezoek kost per gehonoreerd Nederlands HPC-project 4 uur. Uitgaande van 2 gehonoreerde projecten zal hieraan in totaal 8 uur besteed worden door de subsidieontvangers van deze Nederlandse HPC-projecten.
Het totaal aantal uren voor administratieve lasten tijdens de looptijd van een Nederlands HPC-project komt daarmee uit op 64 (50 uur voor tussenrapportages + 6 uur voor wijzigingsverzoeken + 8 uur voor voortgangsbezoeken).
Tijdsbesteding betreffende de Nederlandse aanvraag tot subsidievaststellingEr worden ten behoeve van de subsidievaststelling ook de nodige kosten gemaakt. Het gaat hierbij om kosten voor de verslaglegging achteraf (o.a. het opstellen van de eindrapportage, medewerking aan eindbeoordeling en het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling). De verwachting is dat dit gemiddeld 14 uur in beslag zal nemen per aanvrager. Uitgaande van 2 gehonoreerde Nederlandse HPC-projecten zou het totale aantal uren voor het indienen van de aanvragen tot subsidievaststelling hiermee dan uitkomen op 28 uur (2 gehonoreerde projecten x 14 uur besteed aan verslaglegging achteraf).
Tijdsbesteding betreffende overige administratieve lastenVoor wat betreft de overige administratieve lasten per gehonoreerd Nederlands HPC-project wordt uitgegaan van 9 uur voor overige administratieve handelingen (zoals medewerking aan (eventuele) eindbeoordeling of medewerking aan publiciteitsactiviteiten). Dit komt uit op 18 uur (2 gehonoreerde projecten x 9 uur).
Totale administratieve lastenDe administratieve lasten worden berekend door de kosten betreffende de tijdsbesteding op te tellen bij zogenaamde directe uitgaven.
Voor de berekening van de administratieve lasten is van belang dat uit het voorgaande volgt dat het totale aantal uren werk om aan de voormelde informatieverplichtingen te kunnen voldoen naar verwachting uitkomt op 142 uur, waarvoor het toepasselijke uurtarief € 60 bedraagt (zie artikel 3.1.1 van de Regeling Nationale EZ-, LVVN en KGG-subsidies). Hieruit volgt dat de voormelde tijdsbesteding uitkomt op € 8.520 (142 uur x € 60 uurtarief).
Voor de berekening van de administratieve lasten is verder van belang dat de Nederlandse subsidieontvanger ook zogenaamde directe uitgaven heeft, bestaande uit een bedrag van € 6.000 per deelnemer binnen een gehonoreerd Nederlands HPC-project voor het aanleveren van een Nederlandse controleverklaring door een accountant. Deze controleverklaring wordt enkel opgevraagd wanneer het Europese accountantsproduct (lees: het bij het financieringsorgaan ingediende rapport van feitelijke bevindingen) nog niet is ingediend op het moment dat de Nederlandse aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend dan wel het Europese accountantsproduct onvoldoende informatie bevat om de Nederlandse aanvraag tot vaststelling adequaat te kunnen beoordelen. Uitgaande van een schatting waarbij 2 deelnemers binnen 1 van de 2 gehonoreerde Nederlandse HPC-projecten de voormelde kosten voor een Nederlandse accountantsverklaring moet maken, komen de kosten voor directe uitgaven uit op € 12.000 (€ 6.000 x 2 deelnemers binnen één van de gehonoreerde Nederlands HPC-projecten).
De totale administratieve lasten van alle Nederlandse HPC-projecten gezamenlijk komen dan uit op € 20.520. Dit is circa 0.30 procent van het totale budget dat wordt gebruik voor de subsidieplafonds voor de komende openstelling van € 6.945.320 (bestaande uit de subsidieplafonds voor het deelgebied ‘National Competence Centers’ van € 550.000 en voor het deelgebied ‘Quantum Computers’ van € 6.395.320).
Het ontwerp van deze wijzigingsregeling en de toelichting zijn voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het – met uitzondering van beperkte administratieve lasten – geen gevolgen voor de regeldruk heeft.
De uitvoering van de subsidiemodule HPC-projecten is in handen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) onderdeel van het Ministerie van EZK. Deze subsidiemodule wordt uitvoerbaar en handhaafbaar geacht.
Deze titel bevat de subsidiemodule High-performance computing-projecten (HPC-projecten), die met deze regeling opnieuw wordt vastgesteld om (naast cofinanciering onder het horizon Europa programma) in het vervolg ook cofinanciering mogelijk te maken onder de Europese programma’s CEF en digitaal Europa. Om alle oude en nieuwe artikelen en onderdelen van de subsidiemodule HPC-projecten in samenhang te kunnen bezien, worden deze hierna afzonderlijk toegelicht.
In dit opnieuw vastgestelde artikel zijn de begripsbepalingen opgenomen die van belang zijn voor de subsidiemodule HPC-projecten. Deze begripsbepalingen komen in grote lijnen overeen met de begripsbepalingen uit het oude artikel 3.25.1 waarin werd verwezen naar de relevante bepalingen uit de horizon Europa verordening. Deze verwijzingen zijn in het nieuwe artikel 3.25.1 behouden en aangevuld met verwijzingen naar de soortgelijke relevante bepalingen uit de CEF-verordening en digitaal Europa verordening. Op deze begripsbepalingen wordt ingegaan in paragraaf 1.3 van de algemene toelichting en de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 3.25.2, 3.25.3 en 3.25.4.
Dit opnieuw vastgestelde artikel bevat een uitwerking van de reikwijdte van de doelstellingen, subsidiabele activiteiten en subsidieontvangers. Op de inhoud en achtergrond hiervan wordt in de volgende passages nader ingegaan.
Doelstelling van de subsidie (artikel 3.25.2, eerste lid)Op grond van de subsidiemodule HPC-projecten kan subsidie worden verstrekt aan een in Nederland gevestigde juridische entiteit. Allereerst kan de subsidie bestemd zijn voor het uitvoeren van een Nederlands HPC-project dat bij de komende openstelling(en) van de nieuwe subsidiemodule HPC-projecten (net zoals bij de vorige openstelling onder de oude subsidiemodule HPC-projecten) een bijdrage levert aan de doelstellingen uit het horizon Europaprogramma zoals deze zijn neergelegd in artikel 3 van de horizon Europa verordening (waarnaar voor Nederlandse HPC-projecten ook wordt verwezen in artikel 3 van de HPC-verordening). Ten tweede kan de subsidie, in plaats hiervan, bij de komende openstelling(en) van de nieuwe subsidiemodule HPC-projecten ook bestemd zijn voor het uitvoeren van een Nederlands HPC-project dat een bijdrage levert aan de doelstellingen uit het CEF- of digitaal Europaprogramma zoals deze zijn neergelegd in artikel 3 van de CEF-verordening of digitaal Europa verordening. Het gaat in alle voorgaande gevallen om de invulling van de doelstellingen op een aantal deelgebieden (in dit geval betreffende HPC) uit het toepasselijke werkprogramma. Voor de omschrijving van en achtergrond bij de deelgebieden wordt verwezen naar paragraaf 1.2 van het algemene deel van deze toelichting.
Soorten subsidiabele Nederlandse HPC-projecten (artikel 3.25.2, tweede lid, aanhef)De subsidie is bestemd voor het uitvoeren van een Nederlands HPC-project. Het subsidiabele Nederlandse HPC-project kan bij de komende openstelling(en) van de nieuwe subsidiemodule HPC-projecten bestaan uit (a) een Nederlands HPC-deelproject of -projectonderdeel dat onderdeel uitmaakt van een overkoepelend Europees HPC-project (dat ook al bij eerdere openstellingen voor subsidie in aanmerking kwam) of (b) een Nederlands zelfstandig HPC-project dat geen onderdeel is van een overkoepelend Europees HPC-project (dat nog niet voor subsidie in aanmerking kwam bij eerdere openstellingen).
Een Nederlands-HPC-deelproject of -projectonderdeel maakt onderdeel uit van een Europees HPC-project. Een Europees HPC-project wordt uitgevoerd door een Europees samenwerkingsverband. Het moet hiernaast zijn voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit waaruit onder meer volgt dat het past binnen de doelstellingen van het toepasselijke deelgebied, opgenomen in het toepasselijke werkprogramma (zie artikel 3.25.2, eerste lid). Een Nederlands-HPC-deelproject of -projectonderdeel moet worden uitgevoerd binnen een overkoepelend Europees samenwerkingsverband door een in Nederland gevestigde juridische entiteit of een onderliggend Nederlands samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde juridische entiteiten.
Een Nederlands zelfstandig HPC-projet is een project dat geen onderdeel uitmaakt van een Europees HPC-project. Het Nederlandse zelfstandige HPC-project moet zelf zijn voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit waaruit onder meer volgt dat het Nederlandse zelfstandige HPC-project past binnen de doelstellingen van het toepasselijke deelgebied, opgenomen in het toepasselijke werkprogramma,. Het Nederlandse zelfstandige HPC-project moet worden uitgevoerd door een in Nederland gevestigde juridische entiteit of een Nederlands samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde juridische entiteiten. De subsidieontvanger is dus een in Nederland gevestigde juridische entiteit die de activiteiten van een Nederlands zelfstandig HPC-project (1°) zelfstandig uitvoert en partij is bij de Europese subsidieovereenkomst of (2°) uitvoert in een Nederlands samenwerkingsverband, dat partij is bij de Europese subsidieovereenkomst.
Bij beide soorten Nederlandse HPC-projecten is het dus van belang dat er een Europees goedkeuringsbesluit aanwezig is voor ofwel het overkoepelende Europese HPC-project (bij een Nederlandse HPC-deelproject) ofwel het Nederlandse zelfstandige HPC-project (in het geval er geen overkoepelend Europees project aanwezig is). Een Europees goedkeuringsbesluit is een besluit van het financieringsorgaan, waarin is bepaald dat een project in aanmerking kan komen voor een (Europese) financiële bijdrage van het financieringsorgaan. De financiële bijdrage vanuit de Nederlandse rijksoverheid (EZK) zal bestaan uit een subsidie voor een Nederlands HPC-project (lees: een Nederlands HPC-deelproject of Nederlands zelfstandige HPC-project). Hierbij zal de subsidie alleen bestemd zijn voor de subsidiabele activiteiten die vermeld staan in de zogenaamde Europese subsidieovereenkomst als bedoeld in artikel 33 van de horizon Europa verordening, artikel 2, onderdeel c, van de CEF-verordening of overweging 4 uit de considerans van de digitaal Europa verordening, gesloten tussen het financieringsorgaan en deelnemers uit het Europese of Nederlandse samenwerkingsverband. Deze Europese subsidieovereenkomst bevat een nadere uitwerking van het Europese goedkeuringsbesluit en definitieve afspraken over wie de subsidieontvangers zijn, de inhoud van de subsidiabele activiteiten, de hoogte van de subsidie en welke kosten voor subsidie in aanmerking komen binnen (1) het Europese HPC-project en bijhorende onderliggende Nederlandse HPC-deelproject of (2) het Nederlandse zelfstandig-HPC-project. Om die reden wordt op grond van de subsidiemodule HPC-projecten alleen subsidie verleend voor de activiteiten van een Nederlands HPC-deelproject of Nederlands zelfstandig-HPC-project die vermeld staan in de Europese subsidieovereenkomst (of eventueel een betrouwbaar vergevorderd concept hiervan zoals omschreven in de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.25.8). Voor het Europese proces dat aan de ondertekening van de Europese subsidieovereenkomst voorafgaat wordt verwezen naar paragraaf 1.3 van de algemene toelichting.
Subsidiabele activiteiten binnen Nederlandse HPC-projecten (artikel 3.25.2, tweede lid)De subsidiabele activiteiten kunnen worden onderverdeeld in: (a) economische activiteiten, uitgevoerd op grond van de horizon Europa verordening (die ook al voor subsidie in aanmerking kwamen bij eerdere openstellingen onder de oude subsidiemodule HPC-projecten), (b) economische activiteiten, uitgevoerd op grond van de CEF-verordening of digitaal Europa verordening (die nog niet voor subsidie in aanmerking kwamen bij eerdere openstellingen onder de oude subsidiemodule HPC-projecten) of (c) niet-economische onderzoeksactiviteiten (die nog niet voor subsidie in aanmerking kwamen bij eerdere openstellingen onder de oude subsidiemodule HPC-projecten). Voor de vraag of de activiteiten al dan niet als economisch kwalificeren (als bedoeld onder a en b), is van belang wat het doel en de aard van deze activiteiten is en door welke soort subsidieontvanger deze activiteiten worden uitgevoerd.
Allereerst kan een in Nederland gevestigde juridische entiteit die als onderneming kwalificeert subsidie ontvangen voor het uitvoeren van economische activiteiten. Een onderneming is op grond van artikel 1 van het Kaderbesluit iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent. Voor zover bijvoorbeeld verenigingen, stichtingen of andere entiteiten economische activiteiten uitvoeren, kwalificeren deze entiteiten onder deze subsidiemodule als onderneming. Ditzelfde geldt voor entiteiten die als onderzoeksorganisatie kwalificeren en die dus bij het verrichten van de voormelde economische activiteiten ook als onderneming opereren (zie in dit verband ook de uitspraak van het Hof van Justitie van 13 oktober 2022, gevoegde zaken C-164/21 en C-318/21 over het begrip ‘organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding’). De aard van de activiteiten is dus doorslaggevend voor het al dan niet kwalificeren als onderneming. Onder deze subsidiemodule kunnen de economische activiteiten van juridische entiteiten die kwalificeren als onderneming bestaan uit (a) onderzoek (fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie, uitgevoerd in het kader van de CEF-verordening, Digitaal Europa verordening of horizon Europa verordening) of (b) de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, test- en experimenteerinfrastructuur (uitgevoerd in het kader van de CEF-verordening of Digitaal Europa verordening) dan wel (c) de bouw of het upgraden van een innovatiecluster of het beheer of de exploitatie hiervan(uitgevoerd in het kader van de CEF-verordening of Digitaal Europa verordening). De voormelde activiteiten kwalificeren als economisch in het geval deze activiteiten verband houden met wensen van ondernemingen en met een directe link met het aanbieden op een markt verricht worden. In het geval de desbetreffende juridische entiteit voor het verrichten van economische onderzoeksactiviteiten (als onderneming) gebruik wil kunnen maken van de voormelde (te bouwen of te upgraden) onderzoeksinfrastructuur, test- en experimenteerinfrastructuur of een innovatiecluster moet deze wel voldoen aan de voorwaarden uit de artikelen 26, 26 bis en 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, zoals opgenomen in de verplichtingen in artikel 3.25.9.
Ten tweede kan uitsluitend een in Nederland gevestigde juridische entiteit die kwalificeert als onderzoeksorganisatie subsidie ontvangen voor niet-economische onderzoeksactiviteiten, die deze onderzoeksorganisatie onafhankelijk uitvoert met het oog op het verwerven van meer kennis en een beter inzicht. Het onafhankelijk uitvoeren van deze onderzoeksactiviteiten is van belang om deze activiteiten als niet-economisch te kunnen kwalificeren. Onder deze subsidiemodule kunnen de niet-economische activiteiten van een juridische entiteit (als onderzoeksorganisatie) bestaan uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een haalbaarheidsstudie of de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, zolang deze door de juridische entiteit (als onderzoeksorganisatie) onafhankelijk (los van wensen van ondernemingen en niet met een directe link met het aanbieden op een markt) verricht worden. Deze subsidiemodule sluit voor de reikwijdte van deze activiteiten aan bij de voorwaarden uit paragraaf 2.1.1 van het O&O&I-steunkader, die zijn opgenomen in de artikelen 3.25.10 en 3.25.12, eerste lid. In het geval deze juridische entiteit (als onderzoeksorganisatie) voor het verrichten van niet-economische onderzoeksactiviteiten gebruik wil kunnen maken van de voormelde (te bouwen of te upgraden) onderzoeksinfrastructuur moet deze juridische entiteit (als onderzoeksorganisatie) wel voldoen aan de voorwaarden uit randnummer 21 van het O&O&I-steunkader, zoals deze zijn opgenomen in de verplichtingen in artikel 3.25.11 en 3.25.12, eerste lid.
De voorgaande subsidiabele activiteiten worden verder afgebakend in artikel 1.1 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies dat voor de invulling van deze activiteiten verwijst naar de begripsbepalingen van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling en haalbaarheidsstudie zoals deze zijn opgenomen in de diverse onderdelen in artikel 2 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3 van het O&O&I-steunkader. Ook worden de voorgaande subsidiabele activiteiten verder afgebakend in artikel 3.25.1, waarin voor de begripsbepaling ‘innovatiecluster’ ‘onderzoeksinfrastructuur’, ‘onderzoeksorganisatie’ en ‘test- en experimenteerinfrastructuur’ wordt verwezen naar de relevante onderdelen uit artikel 2 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en/of paragraaf 1.3 van het O&O&I-steunkader.
Subsidieontvangers (artikel 3.25.2, derde en vierde lid)Het derde en vierde lid bevatten bepalingen over de subsidieontvangers, die (naast op de horizon Europa verordening) in het vervolg ook aansluiten op de CEF-verordening en digitaal Europa verordening. Voor een goed begrip van dit artikelid is het van belang om de diverse begripsbepalingen en materiële bepalingen over subsidieontvangers of samenwerkingsverbanden te raadplegen en de verschillen tussen deze bepalingen te bezien. In de hierna volgende passages zal (kort) ingegaan worden op de inhoud van deze bepalingen en verschillen.
De subsidieontvangers kunnen uitsluitend bestaan uit één of meer in Nederland gevestigde juridische entiteiten. Dit zijn de entiteiten als bedoeld in artikel 197 van het Financieel reglement van de Europese Unie, die nader worden ingekaderd of beperkt in het toepasslijke Europese programma zoals neergelegd in de CEF-verordening, digitaal Europa verordening of horizon Europa verordening. Voor het horizon en digitaal Europa programma is (aanvullend op artikel 197 van het financieelreglement) een begripsbepaling ‘juridische entiteit’ opgenomen in artikel 2, onderdeel 16, van de horizon verordening respectievelijk in artikel 2, onderdeel 2, van de digitaal Europa verordening. In de CEF-verordening ontbreekt een begripsbepaling voor ‘juridische entiteit’ (lees: wordt teruggevallen op artikel 197 van het financieel reglement). Het voorgaande is neergelegd in de begripsbepaling ‘juridische entiteit’ in artikel 3.25.1. Voor de toepassing van de voorgaande Europese programma’s zijn ook aanvullende criteria voor (subsidiabele) juridische entiteiten opgenomen in de artikel 23 van de horizon Europa verordening, artikel 11 van de CEF-verordening en artikel 18 van de digitaal Europa verordening. Deze aanvullende criteria stellen eisen aan het soort juridische entiteit en kunnen in bepaalde gevallen (mogelijk) worden aangevuld of (in afwijking hiervan) worden aangepast in het toepasselijke werkprogramma. Dat hiermee rekening moet worden gehouden bij het bepalen welke entiteiten subsidie kunnen ontvangen is is vastgelegd in artikel 3.25.2, derde lid. Bij elke openstelling van de subsidiemodule HPC-projecten zal voor de voorwaarden aan de juridische entiteiten daarom ook gekeken moeten worden in het toepasselijke werkprogramma.
Concreet wordt op grond van de subsidiemodule HPC-projecten subsidie verstrekt aan een in Nederland gevestigde juridische entiteit die (afhankelijk van of er sprake is van een Nederlands zelfstandig HPC-project of een Nederlands HPC-deelproject of -projectonderdeel) de subsidiabele activiteiten zelfstandig uitvoert dan wel in een Europees of Nederlands samenwerkingsverband (zie hierover de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.25.2, tweede lid, aanhef). Het zal hierbij (afhankelijk van het toepasselijke Europese programma) kunnen gaan om natuurlijke personen, privaatrechtelijke rechtspersonen en publiekrechtelijke rechtspersonen. Hierbij is ook gebruik gemaakt van de mogelijkheid uit artikel 3, tweede lid, van het Kaderbesluit om subsidie te kunnen verstrekken aan een provincie, gemeente of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Het zal in veel gevallen zo zijn dat de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd in een Europees samenwerkingsverband, waar de individuele Nederlandse juridische entiteit (of eventueel het onderliggende Nederlandse samenwerkingsverband) onderdeel van uitmaakt. Dit Europese samenwerkingsverband moet (afhankelijk van het toepasslijke Europese programma, onderliggende werkprogramma en Europese oproep) voldoen aan de voorwaarden uit de CEF-verordening, digitaal Europa verordening of horizon Europa verordening. Het betreffen hier onder meer eisen aan het type deelnemers waaruit het Europese samenwerkingsverband ten minste moet bestaan en hoeveel van een bepaald type deelnemer uit welk land afkomstig moet zijn. De deelnemers van het Europese samenwerkingsverband kunnen (afhankelijk van het toepasslijke Europese programma) bijvoorbeeld bestaan uit één of meer juridische entiteiten die zijn gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, geassocieerd derde land of een land of gebied overzee, juridische entiteiten die uit hoofde van het recht van de Europese Unie zijn opgericht of internationale organisaties.
Het kan in bepaalde gevallen ook zo zijn dat de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd in een Nederlands samenwerkingsverband. Een Nederlands samenwerkingsverband is een samenwerkingsverband (zoals gedefinieerd in artikel 1 van het Kaderbesluit) van in Nederland gevestigde juridische entiteiten, die eventueel ook onderdeel kunnen uitmaken van een overkoepelend Europees samenwerkingsverband. Bij het Nederlandse HPC-deelproject of projectonderdeel dan wel Nederlandse zelfstandige HPC-project kan bijvoorbeeld door ondernemingen, onderzoeksorganisaties en (lokale) overheden samengewerkt worden. Alle deelnemers aan het (Nederlandse) samenwerkingsverband worden beschouwd als individuele subsidieaanvragers. Een penvoerder moet namens (alle deelnemers uit) het Nederlandse samenwerkingsverband de aanvraag om subsidieverlening indienen. Dit is bepaald in artikel 20 van het Kaderbesluit. Het is de bedoeling dat de penvoerder zelf ook subsidiabele activiteiten verricht. De beschikking tot subsidieverlening wordt verzonden aan de penvoerder, maar de subsidie zal uiteindelijk verleend en betaald worden aan de subsidieontvanger (individuele deelnemer uit het samenwerkingsverband) die de desbetreffende subsidiabele activiteiten uitvoert.
De in Nederland gevestigde (privaatrechtelijke of publiekrechtelijke) juridische entiteit (eventueel uit een Europees of Nederlands samenwerkingsverband), die is opgenomen in de Europese subsidieovereenkomst, wordt uiteindelijk belast met de uitvoering van het Nederlandse HPC-deelproject of projectonderdeel dan wel het Nederlandse zelfstandige HPC-project. Het toepasselijke werkprogramma of de bijhorende Europese oproep, waarnaar artikel 3.25.2, derde lid, verwijst, bevat de voorwaarden waaruit volgt binnen welk soort project en welk soort samenwerkingsverband de subsidiabele activiteiten mogen of moeten plaatsvinden. Ook maakt artikel 3.25.2, derde lid, duidelijk dat het van belang is dat alle bij het Europese of Nederlandse HPC-project betrokken (subsidiabele) juridische entiteiten partij zijn bij de Europese subsidieovereenkomst.
In dit opnieuw vastgestelde artikel is voor de subsidiemodule HPC-projecten aangegeven welke steunintensiteiten en welk maximum subsidiebedrag voor de subsidiabele kosten gehanteerd worden.
Steunintensiteit (artikel 3.25.3, eerste en tweede lid)In artikel 3.25.3, eerste lid, zijn de subsidiepercentages (steunintensiteiten) opgenomen. Hierbij is van belang dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de subsidieverlening voor: (a) economische activiteiten die worden uitgevoerd op grond van de horizon Europa verordening (die ook al voor subsidie in aanmerking kwamen bij eerdere openstellingen onder de oude subsidiemodule HPC-projecten), (b) economische activiteiten die worden uitgevoerd op grond van de CEF-verordening of de digitaal Europa verordening (die nog niet voor subsidie in aanmerking kwamen bij eerdere openstellingen onder de oude subsidiemodule HPC-projecten) of (c) niet-economische onderzoeksactiviteiten die worden uitgevoerd op grond van de CEF-verordening, de digitaal Europa verordening of horizon Europa verordening (die nog niet voor subsidie in aanmerking kwamen bij eerdere openstellingen onder de oude subsidiemodule HPC-projecten).
De subsidie voor economische activiteiten die worden uitgevoerd op grond van de horizon Europa verordening is gelijk aan de subsidie die door het financieringsorgaan verstrekt wordt op grond van de Europese subsidieovereenkomst, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie. Dit percentage voor economische activiteiten onder de horizon Europa verordening, opgenomen in artikel 3.5.3, eerste lid, onderdeel a, sluit aan bij het percentage uit het toepasselijke Europese staatssteunkader (artikel 25 quater van de algemene groepsvrijstellingsverordening). Ook mag de som van de totale subsidie die voor de voormelde activiteiten door de minister, de Europese Commissie, het financieringsorgaan of andere bestuursorganen aan een Nederlands HPC-project verstrekt wordt, in afwijking van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit, procentueel hoger liggen in het geval gebleven wordt binnen de toepasselijke drempelbedragen of percentages van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikelen 4 en 25 quater van de algemene groepsvrijstellingsverordening (zie ook de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.25.3, derde en vierde lid). Deze percentages en bedragen zijn dus van toepassing bij de komende openstelling(en) van de nieuwe subsidiemodule HPC-projecten en komen overeen met de gehanteerde percentages en bedragen bij eerdere openstellingen onder de oude subsidiemodule HPC-projecten.
De subsidie voor economische activiteiten die worden uitgevoerd op grond van de CEF-verordening of de digitaal Europa verordening bedraagt (1°) 100% van de subsidiabele kosten voor fundamenteel onderzoek, (2°) 50% voor industrieel onderzoek, (3°) 25% voor experimentele ontwikkeling, (4°) 50% voor een haalbaarheidsstudie, (5°) 50% voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, (6°) 25% voor de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur en (7°) 50% voor de bouw of het upgraden van een innovatiecluster dan wel het beheer of de exploitatie hiervan. Deze zogenaamde (basis) percentages voor economische activiteiten onder de CEF-verordening of de digitaal Europa verordening, opgenomen in artikel 3.5.3, eerste lid, onderdeel b, sluiten aan bij de (basis) percentages uit het toepasselijke Europese staatssteunkader, artikelen 25, 26, 26 bis en 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. In lijn met deze bepalingen kunnen bepaalde (basis)percentages op grond van artikel 3.25.2, tweede lid, ook worden opgehoogd, waardoor deze in bepaalde gevallen zullen uitkomen tussen 60% of 80% (zie hierover paragraaf 2.1 van het algemene deel van deze toelichting). Ook mag de som van de totale subsidie die voor de voormelde activiteiten door de Minister van EZK, de Europese Commissie en het financieringsorgaan of andere bestuursorganen aan een Nederlands HPC-project verstrekt wordt, in afwijking van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit, procentueel hoger liggen in het geval gebleven wordt binnen de toepasselijke drempelbedragen of percentages van de subsidiabele kosten en, voor zover van toepassing, voldaan wordt aan de aan de ophoging verbonden voorwaarden, bedoeld in de artikelen 4, 25, 26, 26 bis en 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening (zie ook de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.25.3, derde en vierde lid).
De subsidie voor niet-economische onderzoeksactiviteiten die worden uitgevoerd op grond van de CEF-verordening, de digitaal Europa verordening of horizon Europa verordening bedraagt op grond van artikel 3.25.3, eerste lid, onderdeel c, 100% van de subsidiabele kosten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een haalbaarheidsstudie of de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur. Dit percentage is in overeenstemming met de Europese regels betreffende staatssteun, omdat op niet-economische activiteiten geen Europees staatsteunkader (en dus ook geen begrenzing in steunintensiteiten) van toepassing is, voor zover de steunintensiteit niet meer bedraagt dan 100% van de subsidiabele kosten. Er is daarom ook gekozen om de steunintensiteit vast te stellen op een percentage van 100%, zodat een maximale stimulans aan de voormelde subsidiabele activiteiten wordt gegeven. Hierbij is ook van belang dat de som van de totale subsidie die voor deze niet-economische activiteiten door de minister, de Europese Commissie, het financieringsorgaan of andere bestuursorganen aan een Nederlands HPC-project verstrekt wordt hier ook ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten mag bedragen (zie de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.25.3, derde en vierde lid). De Europese en Nederlandse subsidie kan dus gecumuleerd nooit meer dan 100% bedragen.
Voor de verdere achtergrond wordt verwezen naar paragraaf 2 van het algemene deel van deze toelichting.
Maximum subsidiebedrag (artikel 3.25.3, derde lid)In dit nieuwe artikellid wordt bepaald wat de subsidie ten hoogste per Nederlands HPC-project bedraagt, in het geval de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op een bepaald deelgebied. De subsidie bedraagt ten hoogste: (a) 550.000 per Nederlands HPC-project, indien het Nederlandse HPC-project betrekking heeft op het deelgebied ‘National Competence Centers’ bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, onderdeel a, (b) € 6.395.320 per Nederlands HPC-project, indien het Nederlandse HPC-project betrekking heeft op het deelgebied ‘Quantum Computer’ bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, onderdeel b, (c) € 3.200.000 per Nederlands HPC-project, indien het Nederlandse HPC-project betrekking heeft op het deelgebied ‘Centers of Excellence and Lighthouse codes’ bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, onderdeel c en (d) € 1.000.000 per Nederlands HPC-project, indien het Nederlandse HPC-project betrekking heeft op het deelgebied ‘Quantum Machine Learning’ bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, onderdeel d. Er is voor deze maximum subsidiebedragen gekozen om ervoor te zorgen dat in voldoende mate geschikte (omvangrijke) projecten ondersteund kunnen worden, waarbij het ook mogelijk is dat bijvoorbeeld één project het subsidieplafond grotendeels of geheel zou gebruiken. Ook wordt met dit maximumsubsidiebedrag gebleven binnen de zogenaamde drempelbedragen die op grond van artikel 4, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing zijn op de economische activiteiten (onder de CEF-verordening, digitaal Europa verordening of horizon Europa verordening) die vallen onder artikelen 25, 25 Quater, 26, 26 bis en 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening (zie paragraaf 2 van het algemene deel van deze toelichting).
Anticumulatie (artikel 3.25.3, vierde lid)In dit nieuwe artikellid wordt afgeweken van de anticumulatiebepaling uit artikel 6 van het Kaderbesluit, dat van toepassing is op de subsidiemodule HPC-projecten. In artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit wordt onder meer bepaald dat indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie, met uitzondering van subsidie aan een financier, is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, slechts een zodanig bedrag aan subsidie wordt verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens het Kaderbesluit kan worden verstrekt. Dat betekent dat deze reeds verstrekte subsidies in mindering gebracht moeten worden op de subsidie die krachtens het Kaderbesluit verstrekt kan worden, ook als er nog steunruimte op grond van het toepasselijke Europese staatssteunkader is. Dit is met name nadelig in geval van grote projecten die met het toepasselijke subsidiepercentage uit het staatssteunkader op een hoger subsidiebedrag zouden uitkomen dan het maximale subsidiebedrag per project dat op grond van de subsidiemodule HPC-projecten mogelijk is.
Afwijking van artikel 6 van het Kaderbesluit is mogelijk op grond van artikel 7, eerste lid, van het Kaderbesluit. Daarom regelt artikel 3.25.3, vierde lid, dat de anticumulatiebepaling van artikel 6 van het Kaderbesluit niet van toepassing is op de financiële bijdragen van de Europese Commissie, het financieringsorgaan of andere bestuursorganen die worden verstrekt. Deze bijdragen worden aangemerkt als publieke cofinanciering en worden bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit buiten beschouwing gelaten als de totale som van de subsidie niet meer bedraagt dan 100% van de subsidiabele kosten en verder ook past binnen de geldende Europese kaders. De reden hiervoor is dat (naast door EZK verstrekte subsidie) er ook nog ruimte moet zijn voor cofinanciering op grond van de CEF-verordening, digitaal Europa verordening of horizon Europa verordening door de Europese Commissie, het financieringsorgaan of andere bestuursorganen.
In dit opnieuw vastgestelde artikel zijn (in aanvulling op of afwijking van de artikelen 10 tot en met 15 van het Kaderbesluit) bepalingen over de subsidiabele kosten opgenomen.
Allereerst bepaalt artikel 3.25.4, eerste lid, welke soort kosten voor subsidie in aanmerking komen. Dit zijn wederom de kosten zoals vermeld in de Europese subsidieovereenkomst of, eventueel bij de komende openstelling, mogelijk ook de kosten zoals vermeld in een betrouwbaar vergevorderd concept hiervan, zie ook de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.25.8. De Europese subsidieovereenkomst bevat een verdere uitwerking van het Europese goedkeuringsbesluit. Hierin wordt onder meer vermeld voor welke soort subsidiabele kosten een bijdrage verstrekt wordt door het financieringsorgaan (en dus ook door de nationale overheden). Dit past binnen het toepasselijke werkprogramma en bijhorende Europese oproep dat onderdeel uitmaakt van het (overkoepelende) CEF-, digitaal Europa of horizon programma, vastgesteld op grond van de CEF-verordening, digitaal Europa verordening of horizon verordening. Aanvullend bepaalt het eerste lid van artikel 3.25.4 dat de kosten voor economische activiteiten moeten vallen binnen het toepasselijke staatssteunkader. Afhankelijk van onder welk Europees programma de Europese oproep valt) kunnen (net zoals bij eerdere openstellingen) wederom de kosten onder artikel 25 quater van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking komen (op grond van de horizon Europa verordening). Bij de komende openstelling(en) van de nieuwe subsidiemodule HPC-projecten kunnen (afhankelijk van onder welk Europees programma de Europese oproep valt) ook de kosten voor subsidie in aanmerking komen die vallen onder artikel 25, derde en vierde lid, 26, vijfde lid, 26 bis, vierde lid, of 27, vijfde of achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening (op grond van de CEF-verordening of digitaal Europa verordening). Hiermee is aangetoond dat deze direct verbonden zijn aan de uit te voeren activiteiten (zie voor een nadere specificatie artikel 3.25.4, eerste lid, onderdelen a en b). Daarnaast volgt uit het eerste lid van artikel 3.25.4, eerste lid, onderdeel c, dat de kosten voor niet-economische onderzoeksactiviteiten, overeenkomstig artikel 10, eerste lid, van het Kaderbesluit, aantoonbaar direct verbonden moeten zijn met de uit te voeren activiteiten, omdat de kosten voor niet-economische onderzoeksactiviteiten niet vallen binnen een staatssteunkader. Zie voor de verdere achtergrond paragraaf 2.1 van het algemene deel van deze toelichting.
Ten tweede wordt in artikel 3.25.4, tweede lid, (net zoals voor eerdere openstellingen onder de oude subsidiemodule HPC-projecten) bepaald dat onder de subsidiabele kosten mede kunnen worden begrepen de kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan het moment waarop de Nederlandse juridische entiteit of juridische entiteiten de Nederlandse subsidieaanvraag, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, heeft of hebben ingediend. Van belang is dat artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit bepaalt dat vóór indiening van de Nederlandse subsidieaanvraag door de subsidieontvanger gemaakte kosten niet voor subsidie in aanmerking komen. Omdat deze bepaling ervoor zou zorgen dat ook de gemaakte kosten in de periode voorafgaand aan de indiening van de Nederlandse subsidieaanvraag niet voor subsidie in aanmerking zouden komen, is gebruik gemaakt van de mogelijkheid uit artikel 15 van het Kaderbesluit om af te wijken van artikel 10, tweede lid, van dit Kaderbesluit. Hierdoor kunnen toch de kosten voor subsidie in aanmerking komen die voor indiening van de Nederlandse subsidieaanvraag gemaakt zijn. Met deze afwijking wordt aangesloten bij de gangbare praktijk bij Europese subsidieverleningen in het kader van diverse Europese programma’s, zodat een subsidieontvanger ook daadwerkelijk eerder met een project kan starten. Bij eerdere openstellingen van de subsidiemodule HPC-projecten was het toegestaan om alle voor de Nederlandse subsidieaanvraag gemaakte kosten in aanmerking te laten komen voor subsidie, in het geval het financieringsorgaan hiermee had ingestemd in de Europese subsidieovereenkomst. Een dergelijke expliciete toestemming wordt in de praktijk echter niet door een financieringsorgaan gegeven in de Europese subsidieovereenkomst, en ook de kosten zullen in de regel gemaakt worden na indiening van de Europese subsidieaanvraag. Om die reden kunnen in het vervolg onder de subsidiabele kosten mede worden begrepen de kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de Nederlandse subsidieaanvraag, voor zover deze kosten zijn gemaakt na indiening van de Europese subsidieaanvraag. Wanneer deze kosten liggen voor de indiening van de Europese subsidieaanvraag dan zijn deze, conform de hoofdregel uit artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit, niet subsidiabel. In beide gevallen (bij gebruik of afwijking van artikel 10 Kaderbesluit) wordt gehandeld in overeenstemming met de eisen betreffende het stimulerend effect als bedoeld in artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening (zie hierover paragraaf 2.2 van de algemene toelichting).
Ten derde is in artikel 3.25.4, derde lid, (net zoals voor eerdere openstellingen onder de oude subsidiemodule HPC-projecten) bepaald dat de aanvrager de subsidiabele kosten moet berekenen overeenkomstig de wijze die is gebruikt in de Europese subsidieaanvraag. Hiermee wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid uit artikel 15 van het Kaderbesluit om af te wijken van artikel 11, eerste lid, van het Kaderbesluit, dat (normaal gesproken) de subsidieaanvrager de keuze geeft om bij de kostenberekening gebruikt te maken van drie standaard berekenmethoden. Met de verplichting voor het gebruik van een afwijkende berekenmethode wordt ervoor gezorgd dat de in Nederland gevestigde subsidieaanvragers de subsidieaanvraag op een efficiënte wijze kunnen en moeten opstellen, aangezien de kostensystematiek die al was gebruikt bij de Europese subsidieaanvraag niet hoeft te worden gewijzigd. Vanzelfsprekend moet de berekenmethode wel overeenkomen met de regels uit het toepasselijke Europese programma waarnaar artikel 3.25.3, derde lid verwijst. De verwijzing naar de regels betreffende de berekenmethode zijn geactualiseerd en waren voor de eerdere openstelling respectievelijk zijn voor de komende openstelling(en) onder meer neergelegd in de artikelen 35 en 36 van de horizon Europa verordening en zijn voor komende openstelling(en) in het vervolg aanvullend ook neergelegd in de artikelen 16, 17, 18 en 19, van de CEF-verordening of de artikelen 17, 19 en 23, eerste lid, van de Digitaal Europa verordening.
Dit opnieuw vastgestelde artikel bepaalt op welke wijze het subsidieplafond zal worden verdeeld. De verdeling vindt plaats op volgorde van rangschikking van de subsidieaanvragen. De Nederlandse HPC-projecten worden op grond van artikel 3.25.7 hoger gerangschikt naarmate de Europese subsidieaanvraag betreffende het bijhorende Europese of Nederlandse HPC-project (afhankelijk van het toepasslijke Europese programma) hoger is gerangschikt door de Europese Commissie, het financieringsorgaan of evaluatiecomité. Hoe hoger een Nederlands HPC-project wordt gerangschikt, hoe groter de kans is dat het voor subsidie in aanmerking komt. Alleen aan de Nederlandse HPC-projecten die na de rangschikking binnen het subsidieplafond passen, wordt subsidie verleend. Op het moment dat het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van de subsidieaanvragen die bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt, overeenkomstig artikel 28 van het Kaderbesluit, vastgesteld door middel van loting.
Dit artikel is opnieuw vastgesteld en in het vervolg onderverdeeld in twee leden. Het nieuwe eerste lid bevat een nieuwe inhoudelijke bepaling en het tweede lid bevat een bepaling die overeenkomt met het oude artikel 3.25.6.
In het eerste lid is bepaald dat met de uitvoering van een op grond van deze titel gesubsidieerd Nederlands HPC-project niet eerder gestart kan worden dan het tijdstip waarop de Europese subsidieaanvraag is ingediend bij het financieringsorgaan. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat voldaan wordt aan de eisen betreffende het stimulerend effect uit artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening op grond waarvan de subsidiabele activiteiten nog niet gestart mogen zijn voordat een subsidieaanvraag is ingediend. Het betreft hier een nadere uitwerking (en aanvulling op de algemene eisen betreffende het stimulerend effect, opgenomen in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit), waarin wordt verduidelijkt dat de Europese subsidieaanvraag als het startpunt wordt gezien, in plaats van de Nederlandse subsidieaanvraag. Zie ook paragraaf 2.2 uit het algemene deel van deze toelichting.
Aanvullend hierop is in het tweede lid van dit artikel (net zoals voor eerdere openstellingen onder de oude subsidiemodule HPC-projecten) de realisatietermijn vastgesteld op zeven jaar na subsidieverlening. Dit betekent dat het desbetreffende Nederlandse HPC-project binnen zeven jaar na de subsidieverlening gerealiseerd moet zijn. Indien uit het bij de Nederlandse subsidieaanvraag aangeleverde projectplan blijkt dat het Nederlandse HPC-project niet uiterlijk binnen deze realisatietermijn gerealiseerd zou kunnen worden, wordt de aanvraag op grond van artikel 23, aanhef en onderdeel b, van het Kaderbesluit afgewezen. Er is voor deze realisatietermijn gekozen, omdat de verwachting is dat een Nederlands HPC-project binnen deze termijn kan worden afgerond.
Van belang is nog dat artikel 37, derde lid, van het Kaderbesluit de bevoegdheid aan de Minister van EZK geeft om in geval van vertraging van de uitvoering van de activiteiten of het essentieel wijzigen daarvan ontheffing te verlenen van de verplichting om de activiteiten overeenkomstig het projectplan uit te voeren. Zo kan ook een ontheffing worden verleend van de realisatietermijn die is opgenomen in het projectplan.
In dit nieuwe artikel, dat het soortgelijke oude artikel 3.25.8 vervangt, is het criterium opgenomen op basis waarvan de Nederlandse subsidieaanvragen gerangschikt worden. De Nederlandse subsidieaanvraag betreffende een Nederlands HPC-project kan betrekking hebben op een Nederlands deelproject of -projectonderdeel van een Europees HPC-project of een zelfstandig Nederlands HPC-project. De Nederlandse subsidieaanvraag betreffende een Nederlands HPC-project waarop niet afwijzend is beslist, wordt hoger gerangschikt naar mate, na toepassing van de artikelen 28, eerste lid, en 29, eerste en tweede lid, van de horizon Europa verordening, artikel 14 van de CEF-verordening of de artikelen 20 en 21 van de digitaal Europa verordening: (a) de Europese subsidieaanvraag betreffende een Europees HPC-project, horend bij het onderliggende Nederlandse HPC-deelproject of -projectonderdeel, hoger is gerangschikt door het financieringsorgaan of evaluatiecomité respectievelijk (b) de Europese subsidieaanvraag betreffende het zelfstandige Nederlandse HPC-project hoger is gerangschikt door het financieringsorgaan of evaluatiecomité. Hiermee wordt aangesloten bij de Europese beoordeling en rangschikking van de Europese subsidieaanvraag door het financieringsorgaan of evaluatiecomité De diverse Europese subsidieaanvragen betreffende Europese, Nederlandse of andere nationale HPC-projecten (bijvoorbeeld uit andere EU-lidstaten of andere geassocieerde landen) worden ten opzichte van elkaar gerangschikt. Alle subsidieaanvragers (bijvoorbeeld uit het bijhorende Europese, Nederlandse of andere nationale samenwerkingsverband) ontvangen, overeenkomstig artikel 200, zevende lid, van het Financieel Reglement van de Europese Unie, tijdens alle fases van de beoordeling feedback. Indien het voorstel voor een Europese subsidie (lees: de Europese subsidieaanvraag) wordt afgewezen, ontvangen de subsidieaanvragers de redenen voor de afwijzing. Indien de Europese subsidieaanvraag een voldoende score op de rangschikkingscriteria heeft behaald en hoog genoeg in de rangschikking is geëindigd, wordt de Europese subsidieaanvraag gehonoreerd en ontvangen de subsidieaanvragers uit het Europese, Nederlandse of andere nationale samenwerkingsverband een Europees goedkeuringsbesluit van het financieringsorgaan. In dit besluit wordt bepaald dat een project in aanmerking kan komen voor een financiële bijdrage van het financieringsorgaan. Ook bevat dit besluit informatie over de plaats in de Europese rangschikking. Hierna zal een nadere uitwerking moeten plaatsvinden van onder meer de subsidiabele activiteiten en aanverwante subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie in een Europese subsidieovereenkomst, die wordt gesloten tussen het financieringsorgaan en de subsidieaanvragers die kwalificeren als begunstigde (bijvoorbeeld uit een Europees of Nederlands samenwerkingsverband).
Na de Europese beoordeling is het Europese proces afgerond en kunnen de in Nederland gevestigde juridische entiteiten, die na het Europese proces zijn overgebleven, op grond van de subsidiemodule HPC-projecten een Nederlandse subsidieaanvraag indienen voor het uitvoeren van het Nederlandse HPC-project. Op grond van deze Nederlandse subsidieaanvraag zal beoordeeld moeten worden of de Nederlandse HPC-projecten voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Hierbij worden de Nederlandse subsidieaanvragen beoordeeld en vindt ook rangschikking plaats. De Nederlandse rangschikking volgt hier de Europese rangschikking. Concreet betekent dit dat subsidieaanvragen betreffende Nederlandse HPC-projecten bij de verdeling van het beschikbare Nederlandse subsidieplafond op dezelfde volgorde gerangschikt worden als de Europese subsidieaanvraag.
Voor een uitgebreidere uiteenzetting van het Europese proces wordt verwezen naar paragraaf 1.3 van het algemene deel van de toelichting van deze regeling.
In artikel 3.25.8 is, ter vervanging van een afwijzingsgrond uit het vervallen artikel 3.25.7 (oud), een opschortende voorwaarde en verplichting opgenomen, die gelet op het tijdspad van het Europese proces passender wordt geacht dan een afwijzingsgrond. De subsidiemodule HPC-projecten bevat geen afwijzingsgrond meer en maakt uitsluitend gebruik van de afwijzingsgronden uit artikel 22 en 23 van het Kaderbesluit, die dus van toepassing zijn op de Nederlandse subsidieaanvragen. Na beoordeling van deze afwijzingsgronden, rangschikkingscriteria, criteria voor de subsidieverlening en overige voorwaarden uit de subsidiemodule HPC-projecten zal de subsidie toe- of afgewezen worden. Bij toewijzing, en dus verlening van de subsidie, zal echter wel de opschortende voorwaarde of verplichting uit artikel 3.25.8 gehanteerd worden.
Opschortende voorwaarde betreffende verstrekking van de Europese subsidieovereenkomst (artikel 3.25.8, eerste lid)Het eerste lid van artikel 3.25.8 bepaalt dat de subsidie voor een Nederlands HPC-project uitsluitend verleend wordt onder de opschortende voorwaarde dat binnen één jaar na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening, een ondertekend exemplaar van de Europese subsidieovereenkomst verstrekt is aan de Minister van EZK door de betrokken subsidieontvanger of subsidieontvangers. Deze opschortende voorwaarde vervangt de afwijzingsgrond uit de oude subsidiemodule HPC-projecten dat de subsidie voor een Nederlands HPC-project afgewezen moest worden indien er geen ondertekend exemplaar van de Europese subsidieovereenkomst verstrekt was. De voormelde opschortende voorwaarde tot het verstrekken van een ondertekend exemplaar van de Europese subsidieovereenkomst wordt bij de komende openstelling(en) van de nieuwe subsidiemodule HPC-projecten passender geacht, gelet op het tijdspad van het Europese proces. Het betreft hier de Europese subsidieovereenkomst, die gesloten moet zijn tussen het financieringsorgaan en de subsidieaanvragers die kwalificeren als begunstigde (uit een Europees of Nederlands samenwerkingsverband).
Bij het ontbreken van deze Europese subsidieovereenkomst binnen de voormelde termijn wordt de opschortende voorwaarde niet vervuld en vindt alsnog afwijzing van de subsidieaanvraag plaats, omdat de Europese subsidieovereenkomst van doorslaggevend belang is om te bepalen welke soort activiteiten en aanverwante kosten voor subsidie in aanmerking komen en wat de hoogte van de subsidie zal bedragen. Zie hieromtrent de algemene toelichting in paragraaf 2.1 en artikelsgewijze toelichting op artikelen 3.25.2, 3.25.3 en 3.25.4. De opschortende voorwaarde uit het eerste lid geldt in de regel voor alle Nederlandse HPC-projecten op alle toepasselijke deelgebieden, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, tenzij er zich een uitzonderingssituatie voordoet zoals opgenomen in het tweede lid van artikel 3.25.8.
Bij het verstrekken van deze Europese subsidieovereenkomst binnen de voormelde termijn wordt de opschortende voorwaarde wel vervuld en wordt de subsidieaanvraag (definitief) gehonoreerd. Pas vanaf dat moment zullen er (overeenkomstig het bij het projectplan gevoegde begroting) voorschotten verleend worden op grond van artikelen 45 tot en met 48 van het Kaderbesluit.
Verplichting betreffende verstrekking van de Europese subsidieovereenkomst (artikel 3.25.8, tweede lid)Het tweede lid van artikel 3.25.8 bevat voor Nederlandse HPC-projecten die betrekking hebben op het deelgebied ‘Quantum Computers’ bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, onderdeel b, de mogelijkheid voor de Minister van EZK om op verzoek van de subsidieaanvrager de voorgaande opschortende voorwaarde om te zetten in de verplichting dat de aanvraag om subsidieverlening vergezeld gaat van een kopie van een aantal documenten. Deze documenten moeten betrekking hebben op de samenwerking met andere Europese partners, omdat het Nederlandse HPC-project (gelet op de Europese oproep en binnengekomen Europese subsidieaanvragen) zal kwalificeren als een Nederlands HPC-deelproject of -projectonderdeel van een bijhorend overkoepelend Europees HPC-project op het deelgebied ‘Quantum Computers’. Het gaat hierbij om documenten die ingaan op de Europese samenwerking en uit te voeren activiteiten, die tezamen volledige en betrouwbare informatie geven die vergelijkbaar is met de informatie uit een definitieve Europese subsidieovereenkomst.
Het eerste document is een betrouwbaar vergevorderd concept van de Europese subsidieovereenkomst. De subsidieaanvrager zal het meest recente concept moeten verstrekken van de toepasselijke Europese subsidieovereenkomst betreffende de operationele kosten en/of de Europese subsidieovereenkomst betreffende integratie van het bijhorende Europese HPC-project. In deze Europese subsidieovereenkomsten moet ten minste een omschrijving zijn opgenomen van de juridische entiteiten en de kosten van de uit te voeren activiteiten waaraan het financieringsorgaan een financiële bijdrage zal verstrekken, het maximumbedrag van deze financiële bijdrage van het financieringsorgaan en de startdatum en realisatietermijn die betrekking hebben op de uitvoering van het Europese HPC-project. De subsidiabele activiteiten zullen (naast de aanschaf van een Quantum computer voor de beheerders hiervan) met name bestaan uit onderzoek en ontwikkeling met of ten behoeve van deze Quantum computer (zie paragraaf 1.2 van het algemene deel van deze toelichting).
Het tweede en derde document zijn een kopie van een getekende (definitieve) administratieve en hostingovereenkomst tussen het financieringsorgaan en juridische entiteiten die als beheerder van de Quantum computer kwalificeren gedurende de uitvoering van het Europese HPC-project. Deze beheerders dragen zorg voor de verwerving, de aanschaf, het beheer en exploitatie van de Quantum computer ten behoeve van het Europese HPC-project, inclusief dat de overige juridische entiteiten gebruik van de Quantum computer kunnen maken ten behoeve van het uitvoeren van (de onderzoeks- en ontwikkelactiviteiten van) het bijhorende Europese HPC-project. Voor enerzijds de verwerving en de aanschaf van de Quantum computer en anderzijds het beheer en exploitatie hiervan wordt tussen de beheerders een administratieve en een hostingovereenkomst gesloten. Een kopie van een getekende (definitieve) administratieve en hostingovereenkomst kan dan ook de betrouwbaarheid van de concept Europese subsidieovereenkomst onderstrepen, in het geval in deze overeenkomsten bepaalde informatie is opgenomen. In de administratieve overeenkomst moet ten minste een omschrijving zijn opgenomen van de hoogte van de financiële bijdrage die voor de aanschaf van de Quantum computer verstrekt zal worden door de landen waarbinnen de juridische entiteiten gevestigd zijn die gebruikmaken van deze Quantum computer bij het uitvoeren van (de onderzoeks- en ontwikkelactiviteiten van) het Europese HPC-project. In de hostingovereenkomst moet ten minste een omschrijving zijn opgenomen van de taakverdeling tussen de beheerders en de wijze waarop de beheerders de Quantum computer ter beschikking zullen stellen voor het gebruik door de overige juridische entiteiten ten behoeve van de uitvoering van (de onderzoeks- en ontwikkelactiviteiten van) het Europese HPC-project.
In het geval de voorgaande documenten plus bijlagen of concepten hiervan, bedoeld in artikel 3.25.8, tweede lid, onderdeel a, verstrekt zijn, zal subsidie verleend worden voor een Nederlands HPC-deelproject of -projectonderdeel van een Europees HPC-project, waarbij op grond van artikel 3.25.8, tweede lid, onderdeel b, wel de verplichting zal gelden dat binnen één jaar na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening alsnog een ondertekend exemplaar van de (definitieve) Europese subsidieovereenkomst verstrekt is aan de Minister van EZK door de betrokken subsidieontvanger of subsidieontvangers, bedoeld in artikel 3.25.2, derde en vierde lid. Nog voordat aan de verplichting tot het verstrekken van de (definitieve) Europese subsidieovereenkomst voldaan is, zullen er (overeenkomstig het bij het projectplan gevoegde begroting) voorschotten verleend worden (op grond van artikelen 45 tot en met 48 van het Kaderbesluit). De te betalen voorschotten en subsidie kunnen mogelijk (tussentijds of bij de subsidievaststelling) worden bijgesteld op grond van de regels uit de Awb en het Kaderbesluit (bijvoorbeeld in het geval uit de (definitieve) Europese subsidieovereenkomst andere feiten of omstandigheden naar voren mochten komen die een lagere subsidie zouden rechtvaardigen). De (definitieve) Europese subsidieovereenkomst wordt gebruikt om te beoordelen of de op grond van de concept subsidieovereenkomst verleende subsidie (en dus ook voorschotten) en subsidiabele activiteiten van het Nederlandse HPC-deelproject of -projectonderdeel overeenkomen met de omschrijving uit de (definitieve) Europese subsidieovereenkomst.
Verlenging aanlevertermijn (artikel 3.25.8, derde lid)Het derde lid van artikel 3.25.8 bepaalt dat (bij hoge uitzondering) de minister op verzoek van de subsidieontvanger de voormelde termijn, waarbinnen de opschortende voorwaarde, bedoeld in artikel 3.25.8, eerste lid, of verplichting, bedoeld in artikel 3.25.8, tweede lid, onderdeel b, tot het verstrekken van de Europese subsidieovereenkomst vervuld moet zijn, kan verlengen van ‘maximaal één jaar’ naar ‘maximaal twee jaar’ na de beschikking tot subsidieverlening. In de regel zal een dergelijke verlenging alleen plaatsvinden in het geval er vertraging is opgetreden in het Europese proces die niet het gevolg is van een doen of nalaten van de subsidieontvanger. Ook kunnen mogelijk andere onvoorziene omstandigheden van belang zijn om tot verlenging van deze termijn over te gaan.
In dit nieuwe artikel zijn verplichtingen opgenomen, die zich nog niet bevonden in de oude subsidiemodule HPC-projecten. Deze verplichtingen houden verband met een aantal nieuwe subsidiabele activiteiten. Op grond van de subsidiemodule HPC-projecten wordt in het vervolg namelijk ook onder meer subsidie verstrekt voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, test- en experimenteerinfrastructuur of een innovatiecluster dan wel het beheer of de exploitatie van een innovatiecluster ten behoeve van het uitvoeren van economische onderzoeksactiviteiten. De verlening van deze subsidie is staatssteun die gerechtvaardigd wordt door de artikelen 26, 26 bis en 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Verder bevat de artikelen 26, derde en vierde lid, 26 bis, tweede en derde lid, en 27, derde en vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening aanvullende voorwaarden voor deze subsidieontvangers. Om te waarborgen dat ook aan deze voorwaarden voldaan wordt, is in artikel 3.25.9 nog een aantal aanvullende verplichtingen opgenomen voor de subsidieontvangers die als onderneming kwalificeren. Zo moet de toegang tot de onderzoeksinfrastructuur, test- en experimenteerinfrastructuur of de panden, faciliteiten en activiteiten van het innovatiecluster openstaan voor meerdere gebruikers hiervan en moet deze toegang op transparante en niet-discriminerende basis worden verleend. Hierbij geldt dat ondernemingen die ten minste 10 procent van de investeringskosten van de onderzoeksinfrastructuur, de test- en experimenteerinfrastructuur of het innovatiecluster hebben gefinancierd preferente toegang kunnen krijgen op gunstigere voorwaarden. Om overcompensatie te vermijden, moet deze toegang evenredig zijn aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en moeten deze voorwaarden publiek beschikbaar worden gesteld. De vergoedingen die voor de exploitatie of het gebruik van de onderzoeksinfrastructuur of test- en experimenteerinfrastructuur wordt berekend dan wel de vergoedingen die voor het gebruik van de faciliteiten van het innovatiecluster en voor deelname aan de activiteiten van het innovatiecluster worden berekend, moeten overeenstemmen met de marktprijs.
In dit nieuwe artikel zijn verplichtingen opgenomen, die zich nog niet bevonden in de oude subsidiemodule HPC-projecten. Deze verplichtingen houden verband met een aantal nieuwe subsidiabele activiteiten. Op grond van de subsidiemodule HPC-projecten kan in het vervolg namelijk ook subsidie worden verstrekt voor niet-economische onderzoeksactiviteiten, bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een haalbaarheidsstudie of de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een subsidieontvanger die kwalificeert als onderzoeksorganisatie. Deze onderzoeksorganisatie kan deze niet-economische onderzoeksactiviteiten onder meer uitvoeren binnen een Europees of Nederlands samenwerkingsverband (1) met uitsluitend deelnemers die kwalificeren als onderzoeksorganisaties of (2) deelnemers die kwalificeren als ondernemingen. Dit artikel heeft betrekking op het laatste geval, waarvan in de praktijk (veelal) sprake zal zijn.
Indien er sprake is van het uitvoeren van niet-economische onderzoeksactiviteiten door onderzoeksorganisaties binnen een Europees of Nederlands samenwerkingsverband waaraan één of meer ondernemingen deelnemen, moet voldaan worden aan de volgende verplichtingen.
Allereerst moet er op grond van artikel 3.25.10, eerste lid, aanhef en onderdeel a, sprake zijn van daadwerkelijke samenwerking in het geval door een onderzoeksorganisatie bij het verrichten van niet-economische onderzoeksactiviteiten wordt samengewerkt met ondernemingen (lees: traditionele ondernemingen of onderzoeksorganisaties die economische activiteiten verrichten). Voor het begrip ‘daadwerkelijke samenwerking’ wordt in artikel 1.1 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies onder meer verwezen naar de begripsbepaling in paragraaf 1.3, onderdeel h, van het O&O&I-steunkader. Op grond hiervan bestaat daadwerkelijke samenwerking uit een samenwerking tussen ten minste twee onafhankelijke partijen om kennis of technologie uit te wisselen of om een gemeenschappelijke doelstelling op basis van een taakverdeling te bereiken. Hierbij dienen de partijen samen de omvang van het samenwerkingsproject te bepalen, bij te dragen aan de tenuitvoerlegging ervan, en het risico en de resultaten ervan te delen. Vanzelfsprekend worden contractonderzoek en het verrichten van onderzoeksdiensten niet als vormen van samenwerking beschouwd. Artikel 3.25.10 bewerkstelligt voorts dat, in het geval er sprake is van industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie, de voordelen die een onderzoeksorganisatie geniet niet als indirecte staatssteun doorgegeven worden aan een onderneming waarmee de onderzoeksorganisatie in samenwerking activiteiten verricht. Aan welke voorwaarden bij daadwerkelijke samenwerking voldaan moet worden is verder uitgewerkt in paragraaf 2.2.2 van het O&O&I-steunkader, waarvan randnummer 28 bepaalt dat de voorwaarden van een samenwerkingsproject, met name wat betreft de bijdrage in de kosten ervan, het delen in de risico’s en uitkomsten ervan, de verspreiding van de resultaten, de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele-eigendomsrechten vóór de aanvang van het Nederlandse HPC-project en, voor zover van toepassing ook het overkoepelende Europese HPC-project, moeten zijn overeengekomen. Naast de verplichting tot daadwerkelijke samenwerking, opgenomen in artikel 3.25.10, eerste lid, onderdeel a, is in artikel 3.25.10, eerste lid, onderdeel b, dan ook een aanvullende verplichting voor de subsidieaanvrager(s) opgenomen om voorafgaand aan de start van het Nederlandse HPC-project en, voor zover van toepassing, het overkoepelende Europese HPC-project, doch uiterlijk binnen één jaar na subsidieverlening, een samenwerkingsovereenkomst te sluiten waarin onder meer voormelde afspraken neergelegd zijn.
Ten tweede wordt met artikel 3.25.10, eerste lid, onderdeel c, verzekerd dat een onderzoeksorganisatie en een onderneming ten opzichte van elkaar handelen als normale marktpartijen. Deze voorwaarden zijn in lijn met de vereisten uit paragraaf 2.2.2, randnummers 29 en 30, van het O&O&I-steunkader. Wanneer Nederlandse HPC-projecten en, voor zover van toepassing overkoepelende Europese HPC-projecten, gezamenlijk door ondernemingen en onderzoeksorganisaties worden uitgevoerd, is de Europese Commissie volgens randnummer 29 van het O&O&I-steunkader van oordeel dat er met de gunstige samenwerkingsvoorwaarden via die entiteiten geen indirecte staatssteun aan de deelnemende ondernemingen wordt verleend indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
de deelnemende ondernemingen dragen de volledige kosten van de activiteiten van het project. Deze voorwaarde is niet opgenomen in artikel 3.25.10, eerste lid, onderdeel c, omdat in een Europese of Nederlandse samenwerkingsverband dat het Europese of Nederlandse project uitvoert zowel onderzoeksorganisaties als ondernemingen kosten zullen maken, en derhalve subsidieontvanger zijn;
de resultaten van de samenwerking die geen intellectuele-eigendomsrechten opleveren kunnen breed worden verspreid en alle intellectuele-eigendomsrechten die de activiteiten van de onderzoeksorganisatie opleveren worden volledig toegekend aan die entiteiten (zie voor deze voorwaarde artikel 3.25.10, eerste lid, onderdeel c, onder 1°);
uit het Europese of Nederlandse HPC-project ontstane intellectuele-eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, worden aan de verschillende samenwerkende partners toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen. Bij voormelde toegangsrechten, opgenomen in artikel 3.25.10, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, kan gedacht worden aan gebruiksrechten en licenties;
de onderzoeksorganisaties ontvangen een vergoeding die gelijkwaardig is aan de marktprijs voor de intellectuele-eigendomsrechten die uit hun activiteiten ontstaan en worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen of waartoe de deelnemende ondernemingen toegangsrechten kregen toegewezen. Het absolute bedrag van – financiële en niet financiële – bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de onderzoeksorganisatie die de betrokken intellectuele-eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op die vergoeding in mindering worden gebracht (zie voor deze voorwaarde artikel 3.25.10, eerste lid, onderdeel c, onder 3°, en het tweede lid). Voorts bewerkstelligt een onderzoeksorganisatie dat de voormelde vergoeding overeenstemt met de marktprijs, door één van de alternatieven te kiezen die opgesomd staan en uitgewerkt zijn in artikel 3.25.10, derde lid, onderdelen a tot en met d, en vierde lid. Hiermee wordt invulling gegeven aan randnummer 30 van het O&O&I-steunkader.
Indien geen van de vorenstaande voorwaarden is vervuld, zal de volledige waarde van de bijdrage van de onderzoeksorganisatie aan het Europese of Nederlandse HPC-project (overeenkomstig randnummer 31 van het O&O&I-steunkader) worden beschouwd als een (economisch) voordeel voor de samenwerkende ondernemingen, waarvoor de regels inzake staatssteun gelden. In dat geval zal gekeken moeten worden of de (indirecte) subsidieverlening aan deze ondernemingen past binnen de grenzen van het dan toepasselijke staatssteunkader (artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening).
Buiten toepassing verklaring artikel 1.9 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies (artikel 3.25.10, vijfde lid)Tot slot is van belang dat in artikel 1.9 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies een soortgelijke (minder verregaande) bepaling als in artikel 3.25.10 is opgenomen. Om te voorkomen dat er een verschil in interpretatie tussen artikelen 1.9 en 3.25.10 zou ontstaan, is artikel 1.9 niet van toepassing verklaard op deze subsidiemodule.
In dit nieuwe artikel zijn verplichtingen opgenomen, die verbandhouden met een nieuw soort subsidiabele activiteiten. Op grond van de subsidiemodule HPC-projecten wordt in het vervolg namelijk onder meer subsidie verstrekt voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur ten behoeve van het uitvoeren van niet-economische onderzoeksactiviteiten door een subsidieontvanger die als onderzoeksorganisatie kwalificeert.
De hoofdregel is dat op de verlening van deze subsidie ook de staatssteunvoorwaarden uit artikel 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing zijn zoals deze onder meer zijn opgenomen in de verplichtingen in artikel 3.25.9. De reden hiervoor is dat er binnen de Nederlandse HPC-projecten naar verwachting vaak sprake zal zijn van zowel economisch als niet-economische onderzoeksactiviteiten. Aan voorgaande staatssteunregels hoeft op grond van artikel 3.25.11 echter niet voldaan te worden in het geval waarin deze onderzoeksorganisatie er zorg voor draagt dat van het aantal uren dat deze onderzoeksinfrastructuur jaarlijks in werking is (a) voor meer dan 80 procent wordt gebruikt voor het uitvoeren van niet-economische onderzoeksactiviteiten en (b) aanvullend, voor ten hoogste 20 procent voor het uitvoeren van economische onderzoeksactiviteiten. Dit laatste wel met dien verstande dat de economische onderzoeksactiviteiten zuiver ondersteunend zijn en blijven aan de niet-economische onderzoeksactiviteiten door hiervoor precies dezelfde input te gebruiken als voor de niet-economische activiteiten. Hiermee wordt invulling gegeven aan de randvoorwaarden uit randnummer 21 van het O&OI-steunkader.
Dit nieuwe artikel bevat een aantal verplichtingen betreffende administratie, rapportage en kennisverspreiding. Die zich nog niet bevonden in de oude subsidiemodule HPC-projecten en nodig zijn op te kunnen voldoen aan de voorwaarden uit de toepasselijke Europese staatssteunkaders of Europese programma’s. Ook kan de opname van deze verplichtingen leiden tot vermindering van administratieve lasten.
Allereerst bevat het eerste lid een verplichting om in de administratie (lees: boekhouding) van de subsidieontvanger een onderscheid te maken tussen economische en niet-economische activiteiten, die de desbetreffende subsidieontvanger binnen het Nederlandse HPC-project uitvoert. Dit onderscheid geldt ook voor de aan de desbetreffende activiteit verbonden kosten en financiering. Deze verplichting is aanvullend op de administratieve verplichtingen uit artikel 38 van het Kaderbesluit. Hiermee wordt meer specifiek invulling gegeven aan artikelen 25, 26, 26 bis en 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 2.1.1, onderdeel 16, van het O&O&I-steunkader, waaruit volgt dat niet-economische en economische activiteiten en de kosten, financiering en inkomsten ervan duidelijk kunnen worden onderscheiden, zodat kruissubsidiëring van de economische activiteiten (met de subsidie voor niet-economische activiteiten) wordt vermeden. Het bewijs van een correcte toerekening van kosten, financiering en inkomsten kan worden geleverd door (het overleggen van) de financiële jaarrekeningen van de betrokken onderneming of onderzoeksorganisatie.
Ten tweede bevat het tweede lid een verplichting voor de subsidieontvanger om aan de Minister van EZK schriftelijk verslag uit te brengen over de voortgang of resultaten van het Nederlandse HPC-project en, voor zover van toepassing het overkoepelende Europese HPC-project. Deze verslaglegging moet plaatsvinden overeenkomstig de wijze en frequentie waarop de subsidieontvanger daartoe jegens het financieringsorgaan verplicht is op grond van artikel 50, eerste, tweede en derde lid, van de horizon Europa verordening, artikel 22, eerste tot en met derde lid, van de CEF-verordening of artikel 25, eerste tot en met vierde lid van de digitaal Europa verordening. Deze (laagdrempelige) verplichting tot het verstrekken van een verslag zorgt ervoor dat voldaan wordt aan voormelde bepalingen uit de CEF-verordening, digitaal Europa verordening of horizon Europa verordening en komt dan ook in plaats van de standaard verplichting tot een (uitgebreidere) jaarlijkse voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 39 van het Kaderbesluit.
Ten derde bevat het derde lid een verplichting voor de subsidieontvangers om zichtbaarheid te geven aan de financiering door het financieringsorgaan en de Minister van EZK van het Nederlandse HPC-project en, voor zover van toepassing het overkoepelende Europese HPC-project. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat voldaan wordt aan de beperkte zichtbaarheidsverplichtingen uit artikel 51, eerste lid, van de horizon Europa verordening, artikel 27, eerste lid, van de CEF-verordening of artikel 29, eerste lid, van de digitaal Europa verordening. Deze verplichting geldt gedurende de looptijd van het project tot en met vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling, overeenkomstig artikel 4:49, derde lid, van de Awb.
Dit artikel vervangt artikel 3.25.9 (oud). In dit artikel zijn informatieverplichtingen opgenomen ten aanzien van de gegevens die de subsidieaanvraag betreffende Nederlandse HPC-projecten (hierna: de Nederlandse subsidieaanvraag) moet bevatten of waarvan deze vergezeld dient te gaan. Deze verplichtingen komen in grote lijnen overeen met de soortgelijke verplichtingen uit de oude subsidiemodule HPC-projecten, maar zijn op bepaalde plaatsen wel wat verduidelijkt.
Het eerste lid van dit artikel maakt duidelijk welke informatie in een Nederlandse subsidieaanvraag opgenomen moet worden. Het betreft hier de minimale informatievereisten over de subsidieaanvrager en het project, die nodig zijn om de aanvraag te kunnen behandelen. Deze vereisten voor de komende openstelling(en) van de nieuwe subsidiemodule HPC-projecten sluiten (grotendeels) aan bij eerdere openstellingen van de oude subsidiemodule HPC-projecten en bij de wijze waarop andere (vergelijkbare) subsidiemodules in de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies zijn vormgegeven. Vooral het nieuwe onderdeel d, uit het eerste lid verdient aandacht en bestaat uit vier subonderdelen.
In het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1°, wordt (overeenkomstig het oude eerste lid van artikel 3.25.9 (oud)) bepaald dat de subsidieaanvraag voor economische activiteiten de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening moet bevatten, om te voldoen aan de voorwaarden van dit Europese staatssteunkader.
In het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2°, wordt bepaald dat de subsidieaanvraag voor economische onderzoeksactiviteiten in het vervolg ook gegevens over de grootte van de onderneming van de subsidieaanvrager moet bevatten, indien de subsidieaanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming, opgenomen in artikel 3.25.3, tweede lid, onderdelen a en b.
In het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3°, wordt bepaald dat een verklaring verstrekt moet worden dat de subsidieaanvrager geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, inclusief een beslisschema, een organogram van de verbonden groep waaruit de aandelenverhoudingen blijken en enkelvoudige of geconsolideerde jaarcijfers van de groep die is gebruikt voor de invulling van het beslisschema. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat overeenkomstig artikel 22 van het Kaderbesluit en de algemene groepsvrijstellingsverordening beoordeeld kan worden of een subsidieaanvraag al dan niet afgewezen moet worden omdat er sprake is van een onderneming in moeilijkheden.
In het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4°, wordt bepaald dat ook bepaalde informatie verstrekt moet worden in het geval de aanvraag om subsidieverlening betrekking heeft op de bouw of het upgraden van een innovatiecluster dan wel het beheer en de exploitatie van een innovatiecluster. In dat geval moet een beschrijving verstrekt worden van de activiteiten die de subsidieaanvrager via het beheer en de exploitatie van een innovatiecluster uit zal voeren en de partijen die onderdeel uitmaken van het innovatiecluster.
Verder bepaalt het tweede lid dat de Nederlandse subsidieaanvraag vergezeld dient te gaan van bepaalde bescheiden.
Allereerst moet de Nederlandse subsidieaanvraag op grond van artikel 3.25.13, tweede lid, onderdeel a, in het vervolg vergezeld gaan van een projectplan dat bij de Europese subsidieaanvraag aan het financieringsorgaan verstrekt is, inclusief de doelstelling of doelstellingen en de werkzaamheden binnen het Nederlandse HPC-project.
Ten tweede moet (b) een financieringsplan en begroting dat bij de Europese subsidieaanvraag aan het financieringsorgaan verstrekt is worden meegestuurd. Met deze informatie kan een adequaat beeld verkregen worden van de doelstellingen en werkzaamheden binnen het Nederlandse HPC-project en aanverwante kosten.
Ten derde moet op grond van artikel 3.25.13, tweede lid, onderdeel c, ook een kopie verschaft worden van het Europese goedkeuringsbesluit. De informatie uit dit document is van belang om te kunnen beoordelen of aan alle randvoorwaarden van deze subsidiemodule voldaan wordt, alsook waar het Nederlandse HPC-project in de rangschikking, bedoeld in artikel 3.25.7, terecht zal moeten komen.
Ten vierde moeten op grond van artikel 3.25.13, tweede lid, onderdeel d, voor zover van toepassing, in het vervolg ook de documenten, bedoeld in artikel 3.25.8, tweede lid, onderdeel a, verschaft worden. Zie hierover de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.25.8, tweede lid, onderdeel a.
Tot slot is van belang dat op grond van artikel 19, eerste lid, van het Kaderbesluit een aanvraag om subsidie moet worden ingediend met gebruikmaking van een middel dat beschikbaar wordt gesteld. Dit middel zal aan het begin van de openstellingsperiode beschikbaar worden gesteld via www.rvo.nl. De bij de aanvraag in te dienen documenten kunnen (behoudens de voormelde Nederlandse samenvatting van het project) ook in de Engelse taal worden aangeleverd, gelet op het Europese proces.
Dit artikel vervangt artikel 3.25.10 (oud) en bevat bepalingen over de aanvraag tot subsidievaststelling. Voor subsidiemodules in de Regeling nationale EZ-, LVVN, en KGG-subsidies zijn de verplichtingen inzake subsidievaststelling opgenomen in artikel 50 van het Kaderbesluit. Er is evenwel voor gekozen om deze verplichtingen in artikel 3.25.14 nader in te vullen voor de aanvraag tot subsidievaststelling betreffende Nederlandse HPC-projecten (hierna: de Nederlandse aanvraag tot subsidievaststelling).
Het eerste en tweede lid van dit artikel bevat een opsomming van de informatie die in ieder geval opgenomen moet worden in de Nederlandse aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeld in artikel 50, eerste lid en tweede lid, aanhef, van het Kaderbesluit, en in het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit, dat bij de Nederlandse aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend en welke documenten bijgevoegd moeten worden. Deze onderdelen dienen ervoor om te bezien of de subsidiabele activiteiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, alsook of de subsidiabele activiteiten tot het gewenste eindresultaat hebben geleid. De in artikel 3.25.14, eerste lid vermelde gegevens zijn (ten opzichte van eerdere openstellingen) nieuw ingevoegd in dit artikel om ervoor te zorgen dat duidelijk is dat deze gegevens op zijn minst verstrekt moeten worden bij de aanvraag tot subsidievaststelling. Ook moet op grond van artikel 3.25.14, tweede lid, het bij de aanvraag tot subsidievaststelling gevoegde eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit een aantal elementen bevatten.De te verstrekken omschrijvingen en overzichten komen overeen met eerdere openstellingen van de subsidiemodule HPC-projecten.
Het derde en vierde lid van dit artikel maakt (in tegenstelling tot de oude subsidiemodule HPC-projecten) gebruik van de mogelijkheid uit artikel 50, zesde lid, van het Kaderbesluit om af te wijken van artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit, waardoor niet elke Nederlandse aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld zal hoeven te gaan van een controleverklaring van de subsidieontvanger. Zie voor de achtergrond het slot van paragraaf 3.2 van het algemene deel van deze toelichting.
Opgemerkt wordt dat verdere effecten van de subsidie via een evaluatie getoetst kunnen worden. Op grond van artikel 41 van het Kaderbesluit dient de subsidieontvanger namelijk gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling medewerking te verlenen aan een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van de aan hem verleende subsidie, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.
Dit artikel vervangt artikel 3.25.11 (oud) en bevat een bepaling die aangeeft wanneer en sprake is van staatsteun, en zo ja, door welk Europees staatssteunkader dit gerechtvaardigd wordt.
In het geval het economische activiteiten betreft die worden uitgevoerd op grond van de horizon verordening als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid, onderdeel a, wordt de staatssteun bij de komende openstelling(en) van de nieuwe subsidiemodule HPC-projecten (net zoals bij eerdere openstellingen onder de oude subsidiemodule HPC-projecten) gerechtvaardigd door artikel 25 quater van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidie bestemd is voor fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie.
In het geval het economische activiteiten betreft die worden uitgevoerd op grond van de CEF-verordening of de digitaal Europa verordening als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid, onderdeel b, wordt de staatssteun bij de komende openstelling(en) van de nieuwe subsidiemodule HPC-projecten voor deze nieuwe subsidiabele activiteiten gerechtvaardigd door (1°) artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidie bestemd is voor fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie, (2°) artikel 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidie bestemd is voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, (3°) artikel 26 bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidie bestemd is voor de bouw of het upgraden van test- en experimenteer infrastructuur en (4°) artikel 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidie bestemd is voor de bouw of het upgraden van een innovatiecluster dan wel het beheer of de exploitatie hiervan.
In het geval de subsidie bestemd is voor niet-economische onderzoeksactiviteiten, bedoeld in artikel 3.25.3.2, tweede lid, onderdeel c, is er geen sprake van staatssteun.
Voor een uitgebreidere toelichting op de staatssteunaspecten wordt verwezen naar paragraaf 2 van het algemene deel van deze toelichting.
In artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 is bepaald dat subsidieregelingen een vervaltermijn van maximaal vijf jaren bevatten. Artikel 3.25.16 vervangt artikel 3.25.12 (oud) en geeft invulling aan voormelde bepaling. Dit artikel bepaalt namelijk wat de vervaldatum is voor de onderhavige subsidiemodule HPC-projecten. Deze opnieuw vastgestelde subsidiemodule HPC-projecten vervalt (nog steeds vijf jaar na de invoering van de oude subsidiemodule HPC-projecten) met ingang van 1 oktober 2028. Te zijner tijd zal bezien worden of het wenselijk is deze titel te verlengen. De (mogelijke) ontwerpregeling inzake een dergelijke verlenging zal, overeenkomstig artikel 4.10, zevende lid, van de Comptabiliteitswet 2016, aan de Tweede Kamer worden overgelegd.
In de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 is aangegeven in welke periode de diverse subsidiemodules van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies zijn opengesteld en wat het subsidieplafond bedraagt. In de tabel van artikel 1 is ook de openstelling van de subsidiemodule HPC-projecten toegevoegd.
Voor de subsidiemodule HPC-projecten loopt de openstellingsperiode van 19 oktober 2026 tot en met 6 november 2026 om 17.00 uur voor Nederlandse HPC-projecten op de deelgebieden ‘National Competence Centers’ en ‘Quantum Computers’. Het subsidieplafond wordt voor het Deelgebied ‘National Competence Centers’ vastgesteld op € 550.000 en voor het deelgebied ‘Quantum Computers’ op € 6.395.320.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Met deze datum wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen op de eerste dag van een kwartaal in werking treden en twee maanden voordien bekend worden gemaakt. Dat kan worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding. Met deze regeling wordt namelijk de subsidiemodule HPC-projecten opnieuw vastgesteld en opengesteld. Hiermee wordt de doelgroep dan ook de mogelijkheid geboden om spoedig subsidieaanvragen in te dienen op grond van de subsidiemodule HPC-projecten. Vasthouden aan de systematiek van de vaste verandermomenten zou hebben betekend dat subsidieaanvragen pas vanaf het eerstvolgende vaste verandermoment op 1 januari 2027 ingediend zouden kunnen worden. Ook heeft de doelgroep voldoende tijd om aanvragen in te dienen en voor te bereiden, omdat de bijhorende Europese oproep al eerder gepubliceerd is en het Europese proces al eerder gestart is.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
De volledige tekst hierboven is de officiële, gepubliceerde bekendmaking; de samenvatting bovenaan deze pagina is automatisch gegenereerd. Controleer voorwaarden, deadlines en subsidieplafonds altijd op de officiële pagina voordat u een aanvraag indient.