Terug naar de radar

Officiële Bekendmakingen (KOOP)

Subsidiemodule Important Projects of Common European Interest (IPCEI) op het deelgebied betreffende Kunstmatige intelligentietechnologie

Open

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

De subsidiemodule IPCEI wordt gewijzigd en opengesteld voor onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën. Daarbij horen aanpassingen aan de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026. Doelgroep: in Nederland gevestigde ondernemingen en onderzoeksorganisaties die deelnemen aan een Europees samenwerkingsverband op het deelgebied onderzoek en ontwikkeling van AI-technologieën. Subsidieplafond: € 7.500.000 per subsidiea.

Volledige officiële tekst

Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 28 september 2026, nr. WJZ/108358075, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 in verband met de wijziging en openstelling van de subsidiemodule Important Projects of Common European Interest (IPCEI) op het deelgebied betreffende Kunstmatige intelligentietechnologieDe Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,Gelet op de artikelen 2, eerste lid, 4, onderdelen a, b, d en h, 16, 17, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, 19, derde lid, 23, onderdeel b, 25 en 44 van het Kaderbesluit Nationale EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

De Regeling Nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:AArtikel 3.27.1 wordt als volgt gewijzigd:1.In de begripsbepaling ‘Europese centrale narratief’ wordt na ‘een narratief, paper, scopingsdocument’ ingevoegd ‘, waardeketendocument’.2.De begripsbepaling ‘waterstofproductie door elektrolyse’ wordt vervangen door de begripsbepaling ‘test- en experimenteerinfrastructuur’, luidende:test- en experimenteerinfrastructuur:

test- en experimenteerinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 98 bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

BArtikel 3.27.2 wordt als volgt gewijzigd:1.Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:a.In onderdeel b wordt ‘bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c,’ vervangen door ‘bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, onder 1°, 2°, 3°, 4° en 7°, en c,’.b.Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
  • c.

    onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën, voor zover het de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, onder 1°, 2°, 3°, 5° of 6°, of c, betreft.

2.Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:a.Onderdeel a, aanhef, komt te luiden:
  • a.

    één of meer van de volgende activiteiten, uitgevoerd door een subsidieontvanger die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert en als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit:.

b.Onderdeel b, aanhef, komt te luiden:
  • b.

    één of meer van de volgende economische activiteiten, uitgevoerd door een subsidieontvanger die voor het uitvoeren van deze activiteiten op grond van artikel 1 van het besluit als onderneming kwalificeert en niet als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit:.

c.In onderdeel b worden, onder vernummering van het subonderdeel 5° tot 7°, na het subonderdeel 4° twee subonderdelen ingevoegd, luidende:
  • 5°.

    de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming ten behoeve van de activiteiten, bedoeld in de subonderdelen 1°, 2° of 3°, die door een onderneming worden uitgevoerd binnen het desbetreffende Nederlandse belangrijke project;

  • 6°.

    de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur door een onderneming ten behoeve van de activiteiten, bedoeld in de subonderdelen 1°, 2° of 3°, die door een onderneming worden uitgevoerd binnen het desbetreffende Nederlandse belangrijke project;.

d.Onderdeel c, aanhef, komt te luiden:
  • c.

    één of meer van de volgende niet-economische onderzoeksactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht door een subsidieontvanger die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderzoeksorganisatie kwalificeert en niet als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit:.

3.Het derde en vierde lid komen te luiden:

3.

De subsidieontvanger bestaat uit:

  • a.

    indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, betreft: een in Nederland gevestigde onderneming die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, uitvoert in een Europees samenwerkingsverband en, eventueel, ook in een bijhorend Nederlands samenwerkingsverband;

  • b.

    indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft: een in Nederland gevestigde onderneming of onderzoeksorganisatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, uitvoert in een Europees samenwerkingsverband en ook in een bijhorend Nederlands samenwerkingsverband van ten minste twee in Nederland gevestigde ondernemingen;

  • c.

    indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, betreft:

    • 1°.

      een in Nederland gevestigde onderneming, niet-zijnde een in Nederland gevestigde onderzoeksorganisatie die op grond van het tweede lid, onderdeel b, en artikel 1 van het Besluit ook als onderneming kwalificeert, die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zelfstandig uitvoert in een Europees samenwerkingsverband met ten minste één deelnemer die als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit of, eventueel, in een bij dit Europees samenwerkingsverband horend onderliggend Nederlands samenwerkingsverband;

    • 2°.

      een in Nederland gevestigde onderzoeksorganisatie, ongeacht of deze onderzoeksorganisatie op grond van het tweede lid, onderdeel b, en artikel 1 van het Besluit ook als onderneming kwalificeert, die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, uitvoert in een Europees samenwerkingsverband met ten minste één deelnemer die als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit en in een bij dit Europees samenwerkingsverband horend onderliggend Nederlands samenwerkingsverband met ten minste één andere deelnemende subsidieontvanger die als een in Nederland gevestigde onderneming kwalificeert als bedoeld onder 1°.

4.

De penvoerder van een Nederlands samenwerkingsverband is:

  • a.

    indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’ of ‘onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a respectievelijk b, betreft: een onderneming; of

  • b.

    indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, betreft: een onderneming of onderzoeksorganisatie.

CArtikel 3.27.3 wordt als volgt gewijzigd:1.In het eerste lid, onderdeel b, wordt, onder vernummering van de subonderdelen 5° en 6° tot 6° en 7°, na het subonderdeel 4° een subonderdeel ingevoegd, luidende:
  • 5°.

    25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur;.

2.Het tweede lid komt te luiden:

2.

De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, worden verhoogd met:

  • a.

    10 procentpunten, indien de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een middelgrote onderneming voor het uitvoeren van industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een haalbaarheidsstudie of de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 3° of 5°;

  • b.

    20 procentpunten, indien de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een kleine onderneming voor het uitvoeren van industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een haalbaarheidsstudie of de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 3° of 5°;

  • c.

    10 procentpunten, indien de subsidiabele kosten betrekking hebben op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 2°, en voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • d.

    10 procentpunten, indien de subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 5°, en voldaan is aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 26 bis, zesde lid, onderdeel b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

3.Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:a.De aanhef komt te luiden:

3.

De subsidie bedraagt:.

b.In onderdelen a en b, aanhef, wordt ‘niet meer dan’ vervangen door ‘ten hoogste’.c.In onderdeel a vervalt ‘en, voor zover de activiteiten betrekking hebben op het deelgebied als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel a, niet meer dan € 50.000.000’.d.In onderdeel b wordt, onder vernummering van het subonderdeel 4° tot 5°, na het subonderdeel 3° een subonderdeel ingevoegd, luidende:
  • 4°.

    € 7.500.000 per subsidieaanvrager in een Nederlands belangrijk project, voor zover de activiteiten bestaan uit de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur dan wel test en experimenteerinfrastructuur door een onderneming binnen een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c;.

4.Het vierde lid komt te luiden:

4.

Onverminderd de maximumsubsidiebedragen per activiteit, bedoeld in het derde lid, bedraagt de subsidie:

  • a.

    indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’ als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel a, betreft: ten hoogste € 50.000.000 per subsidieaanvrager in het desbetreffende Nederlandse belangrijke project;

  • b.

    indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel b, betreft: ten hoogste € 15.000.000 per Nederlands belangrijk project;

  • c.

    indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c, betreft: ten hoogste € 60.000.000 per Nederlands belangrijk project.

DIn artikel 3.27.4, onderdeel b, wordt, onder vernummering van het subonderdeel 4° tot 5°, na het subonderdeel 3° een subonderdeel ingevoegd, luidende:
  • 4°.

    de kosten, bedoeld in artikel 26 bis, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur door een onderneming;.

EArtikel 3.27.6, tweede lid, komt te luiden:

2.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is:

  • a.

    indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’ of ‘onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdelen a respectievelijk b, betreft: zeven jaar;

  • b.

    indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c, betreft: vier jaar.

FArtikel 3.27.7 wordt als volgt gewijzigd:1.Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:a.De onderdelen b en c vervallen, onder verlettering van de onderdelen d en e tot b en c.b.In onderdeel b, subonderdeel 2°, (nieuw) wordt ‘Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (PbEU 2019, L 79 I)’ vervangen door ‘Verordening (EU) 2026/1386 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2026 inzake de screening van buitenlandse investeringen in de Unie en tot intrekking van Verordening (EU) 2019/452 (PbEU 2026, L 1386)’.2.Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:a.Onderdeel a vervalt, onder verlettering van de onderdelen b en c tot a en b.b.Aan onderdeel a (nieuw) worden na het subonderdeel 5° drie subonderdelen toegevoegd, luidende:
  • 6°.

    waarvoor de subsidiabele kosten minder zouden bedragen dan € 5.000.000;

  • 7°.

    de te verlenen subsidie minder dan € 125.000 per subsidieaanvrager zou bedragen;

  • 8°.

    na toepassing van artikel 3.27.8, eerste lid, onderdelen a tot en met d, onder 1° en 2°, en tweede lid, minder dan zes punten per criterium zijn toegekend;.

c.Aan onderdeel b (nieuw) worden, onder vervanging van de punt aan het slot van het subonderdeel 2° door een puntkomma, na het subonderdeel 2° drie subonderdelen toegevoegd, luidende:
  • 3°.

    waarvoor de subsidiabele kosten minder zouden bedragen dan € 5.000.000;

  • 4°.

    de te verlenen subsidie minder dan € 125.000 per subsidieaanvrager zou bedragen;

  • 5°.

    na toepassing van artikel 3.27.8, eerste lid, onderdelen a tot en met d, onder 1° en 2°, en tweede lid, minder dan zes punten per criterium zijn toegekend;.

d.Na onderdeel b (nieuw) wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
  • c.

    de aanvraag betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c:

    • 1°.

      waarvoor niet een voorlopig projectvoorstel ingediend was bij de minister op uiterlijk 25 maart 2026 om 17:00 uur op grond van de oproep, opgenomen in Stcrt. 2026, 7919;

    • 2°.

      dat niet past binnen één van de thema’s of voorwaarden van het waardeketendocument als bedoeld in paragraaf 1.4 van de oproep, opgenomen in Stcrt. 2026, 7919;

    • 3°.

      waarvoor de subsidiabele kosten minder zouden bedragen dan € 5.000.000;

    • 4°.

      de te verlenen subsidie minder dan € 125.000 per subsidieaanvrager zou bedragen, indien het Nederlandse belangrijke project wordt uitgevoerd in een Nederlands samenwerkingsverband;

    • 5°.

      na toepassing van artikel 3.27.8, eerste lid, onderdelen a, b, c, d, onder 1°, en e, en tweede lid, minder dan zes punten per criterium zijn toegekend.

GArtikel 3.27.8 wordt als volgt gewijzigd:1.Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:a.Onderdeel a komt te luiden:
  • a.

    het Nederlandse belangrijke project meer bijdraagt aan de doelstellingen of de strategieën van de Europese Unie, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, aanhef, op het desbetreffende deelgebied, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, waaronder mede begrepen een bijdrage aan het versterken van de Europese technologische autonomie, het verbeteren van de concurrentiekracht en veerkracht van de Europese Unie en aan het verminderen van de strategische afhankelijkheid van de Europese Unie van derde landen;.

b.Onderdeel c, subonderdeel 2°, komt te luiden:
  • 2°.

    de kwaliteit van de inrichting van de projectorganisatie binnen de subsidieaanvrager respectievelijk het Nederlandse samenwerkingsverband en, indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c, betreft, ook binnen het bijhorende Europese samenwerkingsverband, waaronder ten minste begrepen de structuur van de projectorganisatie en de taakverdeling tussen de betrokken medewerkers van de subsidieaanvrager of de deelnemers uit het desbetreffende samenwerkingsverband;.

c.Onderdeel d, onder 2°, komt te luiden:
  • 2°.

    indien het een aanvraag om subsidieverlening voor een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’ of ‘onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdelen a respectievelijk b, betreft: de toepassingsmogelijkheden en slaagkans van de met het Nederlandse belangrijke project te ontwikkelen innovatie of innovaties op de internationale markt, de verwachte bijdrage aan de ontwikkeling van omzet en arbeidsplaatsen binnen de halfgeleidersectoren in Nederland, de verwachte concurrentiepositie en het verdienvermogen van de subsidieaanvrager of het Nederlandse samenwerkingsverband en de snelheid waarmee impact kan worden gerealiseerd;.

d.Na onderdeel d wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
  • e.

    indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c, betreft: het Nederlandse belangrijke project na afloop hiervan naar verwachting een blijvende economische effect heeft, blijkend uit een adequate omschrijving van een strategie voor de beoogde exploitatie, marktintroductie en opschaling voor de met het Nederlandse belangrijke project te ontwikkelen innovatie of innovaties op de internationale markt, inclusief een omschrijving van de haalbaarheid en slaagkans van deze strategie en de daarvoor benodigde en verwachte financiering.

2.In het tweede lid wordt ‘per onderdeel van het eerste lid’ vervangen door ‘per het toepasselijke onderdeel of subonderdeel van het eerste lid’.3.Het derde lid komt te luiden:

3.

Voor de rangschikking van aanvragen om subsidieverlening betreffende een Nederlands belangrijk project wordt:

  • a.

    indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘algemene en pre-commerciële ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’ of ‘onderzoek en ontwikkeling van geavanceerde halfgeleidertechnologieën’, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdelen a respectievelijk b, betreft: het aantal punten gegeven op grond van het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 4 en het aantal punten gegeven op grond van het eerste lid, onderdelen b, c, en d, per onderdeel vermenigvuldigd met 2, waarna alle punten worden opgeteld;

  • b.

    indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c, betreft: het aantal punten gegeven op grond van het eerste lid, onderdelen a, b, c, d, onder 1°, en e, per onderdeel vermenigvuldigd met 1, waarna alle punten worden opgeteld.

HHet opschrift van artikel 3.27.9 komt te luiden:Artikel3.27.9.Verplichtingen betreffende samenwerking bij niet-economische onderzoeksactiviteiten door onderzoeksorganisaties.IArtikel 3.27.10 wordt als volgt gewijzigd:1.Het tweede lid komt te luiden:

2.

Indien in het Nederlandse belangrijke project activiteiten betreffende de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur of test- en experimenteerinfrastructuur door een onderneming worden verricht, draagt deze onderneming er zorg voor dat, overeenkomstig de artikelen 26, derde en vierde lid, en 26 bis, tweede en derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening:

  • a.

    de toegang tot de onderzoeksinfrastructuur of test- en experimenteerinfrastructuur openstaat voor meerdere gebruikers en dat deze op transparante en niet-discriminerende basis verleend wordt;

  • b.

    de vergoedingen die voor de exploitatie of het gebruik van de onderzoeksinfrastructuur of test- en experimenteerinfrastructuur worden berekend, overeenstemmen met de marktprijs.

2.In het derde lid (nieuw) wordt ‘In afwijking van het tweede lid, aanhef en onderdeel b, subonderdeel 1°,’ vervangen door ‘In afwijking van het tweede lid, aanhef en onderdeel a,’.JArtikel 3.27.11 wordt als volgt gewijzigd:1.Het opschrift komt te luiden:Artikel3.27.11.Verplichtingen betreffende administratie, voortgangsrapportages en kennisverspreiding2.Het eerste en tweede lid komen te luiden:

1.

Onverminderd artikel 38 van het besluit wordt in de administratie van de subsidieontvanger een onderscheid gemaakt tussen economische en niet-economische activiteiten, die deze subsidieontvanger binnen het project uitvoert en de kosten en de financiering hiervan.

2.

De subsidieontvanger verleent tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling medewerking aan de monitoring van de voortgang en het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten, via ten minste het verstrekken van de volgende informatie:

  • a.

    het gedurende de looptijd van het Nederlandse belangrijke project en onverminderd artikel 39 van het besluit:

    • 1°.

      op verzoek van de minister te verstrekken inlichtingen omtrent de voortgang van de verrichte of te verrichten activiteiten of resultaten van het Nederlandse belangrijke project, die gebruikt kunnen worden voor het monitoren van de voortgang van het Nederlandse belangrijke project;

    • 2°.

      een jaarlijkse voortgangsrapportage over het project, die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan;

    • 3°.

      een schriftelijk verslag over de voortgang of resultaten van het Europese belangrijke project, overeenkomstig de wijze en frequentie waarop de subsidieontvanger daartoe jegens de Europese Commissie verplicht is;

  • b.

    na afloop van het project: een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag dat bestemd is voor het openbaar maken van de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan.

3.Het derde en vierde lid vervallen, onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot derde en vierde lid.4.In het derde lid (nieuw) wordt ‘bedoeld in het tweede en derde lid’ vervangen door ‘bedoeld in het tweede lid’.5.In het vierde lid (nieuw) wordt ‘In afwijking van het tweede en derde lid’ vervangen door ‘In afwijking van het tweede lid’.KAan artikel 3.27.12, derde lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, na onderdeel d een onderdeel toegevoegd, luidende:
  • e.

    indien het een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c, betreft: een kopie van een concept verklaring van de partijen die naar verwachting zullen deelnemen aan het desbetreffende Europese samenwerkingsverband, waaruit volgt dat de intentie is om het desbetreffende Europese belangrijke project, horend bij het onderliggende Nederlandse belangrijke project, te gaan uitvoeren met deze partijen in een Europees samenwerkingsverband.

LAan artikel 3.27.14, onderdeel b, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van het subonderdeel 3° door een puntkomma, na het subonderdeel 3° een subonderdeel toegevoegd, luidende:
  • 4°.

    door artikel 26 bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur.

In de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 wordt onder de laatste rij betreffende titel 3.27 een rij ingevoegd, luidende:

artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c

onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën

05-10-2026 t/m 16-11-2026

€ 114.000.000, voor zover dit subsidieplafond niet verlaagd of op nihil vastgesteld wordt na behandeling en, voor zover van toepassing, goedkeuring door de Tweede en Eerste Kamer van beleidsartikel 1 (Goed functionerende economie en markten) van het voorstel van wet betreffende de vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor het jaar 2027 (Kamerstukken II 2026/27, 37020 XIII).

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage,28 september 2026

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,

Toelichting

Met deze wijzigingsregeling wordt de subsidiemodule Important Projects of Common European Interest uit titel 3.27 (subsidiemodule IPCEI) van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies (RNES) gewijzigd en opnieuw opengesteld voor Nederlandse belangrijke projecten op het deelgebied betreffende ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’.

Het kabinet heeft de ambitie om Nederlandse ondernemingen en onderzoeksorganisaties financieel te ondersteunen om deel te kunnen nemen aan verschillende Important Projects of Common European Interest (IPCEI), in het Nederlands Belangrijke Projecten van Gemeenschappelijk Europees Belang genoemd (Europese belangrijke projecten). Een Europees belangrijk project bestaat uit meerdere nationale belangrijke projecten van ondernemingen of onderzoeksorganisaties uit diverse lidstaten van de Europese Unie en de Europese Economische ruimte die complementair zijn aan elkaar. Daarbij gaat het om een groep afzonderlijke nationale projecten die zijn opgenomen in een gemeenschappelijke structuur, routekaart of programma, welke op dezelfde doelstelling is gericht en op een coherente, systemische benadering is gebaseerd. Binnen een Europees belangrijk project worden dus zogenaamde nationale deelprojecten binnen de diverse lidstaten van de Europese Unie uitgevoerd. Hieronder kunnen zich ook zogenaamde Nederlandse belangrijke projecten bevinden die uitgevoerd worden door Nederlandse ondernemingen of onderzoeksorganisaties. De onderdelen van een Nederlands belangrijk project mogen betrekking hebben op verschillende niveaus van de leveringsketen, maar moeten complementair zijn en een aanzienlijke toegevoegde waarde hebben in hun bijdrage aan de verwezenlijking van belangrijke Europese doelstellingen en strategieën. Voor een uitgebreidere achtergrond van deze subsidiemodule wordt verwezen naar paragraaf 1.1 van de algemene toelichting van de wijzigingsregeling waarmee deze subsidiemodule is ingevoerd (de invoeringsregeling)1Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 16 december 2021, nr. WJZ/ 21303634, tot wijziging van de Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2021 in verband met de invoering van de subsidiemodule Important Projects of Common European Interest (IPCEI) (Stcrt. 2021, 50262)..

De subsidiemodule IPCEI beoogt om financiële ondersteuning te geven voor Nederlandse belangrijke projecten die zich richten op bepaalde Europese en onderliggende Nederlandse doelstellingen en strategieën op bepaalde deelgebieden. Er wordt op aanvraag subsidie verstrekt aan één of meer in Nederland gevestigde ondernemingen of onderzoeksorganisaties uit een Europees samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een Nederlands belangrijk project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de doelstellingen en strategieën van de Europese Unie, bedoeld in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader2Mededeling van de Commissie betreffende criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang, PBEU 2021 C 528/02.. De subsidiemodule IPCEI was vanaf medio december 2021 tot en met 2026 al meerdere malen opengesteld voor Nederlandse belangrijke projecten die deze doelstellingen en strategieën zouden kunnen verwezenlijken op diverse deelgebieden en wordt met deze wijzigingsregeling opnieuw opengesteld voor Nederlandse belangrijke projecten op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’ (IPCEI AI).

Nederlandse belangrijke projecten komen in aanmerking voor subsidie als deze in voldoende mate een bijdrage leveren aan het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’ en daarmee het overkoepelende Europees belangrijke project. Het IPCEI AI heeft als doel de volgende generatie kunstmatige intelligentie – artificial intelligence (AI) – technologieën te ontwikkelen en te implementeren om een eerste ecosysteem voor AI voor Europa te creëren, waardoor de EU-industrie toegang krijgt tot gefedereerde computerbronnen en open, herbruikbare en schaalbare AI-basismodellen. De snelle ontwikkeling van AI vormt een belangrijke nieuwe impuls voor digitalisering en innovatie. Ook de Berlin Declaration – Friends of Industry 2025 benadrukt het strategisch belang van kunstmatige intelligentie voor het versterken van de concurrentiekracht, productiviteit en technologische soevereiniteit van de Europese industrie. De verklaring roept op tot versnelde en gecoördineerde investeringen in AI, digitale infrastructuur en interoperabele ecosystemen, en benadrukt dat initiatieven zoals het IPCEI AI essentieel zijn om strategische afhankelijkheden te verminderen en Europees leiderschap in AI te realiseren. Europese belangrijke projecten spelen een belangrijke rol, omdat zij kennis, technologie, infrastructuur en investeringen op Europees niveau kunnen verbinden en zo een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan het versterken van het Europese AI-ecosysteem.

De technologische scope van de IPCEI AI omvat alle onderdelen van de waardeketen, van data tot toepassingen, die bijdragen aan een soeverein, veilig en interoperabel Europees AI-ecosysteem. Een IPCEI (en dus ook het Nederlandse belangrijke project) moet een bijdrage leveren aan die AI-waardeketen: van dataverwerking, -orkestratie en veilige datatoegang via betrouwbare clouddiensten, via de ontwikkeling van soevereine foundation models (LLM’s en LRM’s) en sectorspecifieke AI-modellen, tot en met AI-deployment, operations en grootschalige toepassing in industrie en publieke sector. Daarnaast moet een IPCEI bijdragen aan open en interoperabele AI-platforms, bij voorkeur gebaseerd op open source, waarmee vendor lock-in wordt voorkomen en samenwerking wordt gestimuleerd. Nederlandse belangrijke projecten dienen ook aandacht te hebben voor overkoepelende aspecten zoals het versterken van de Europese technologische autonomie, compliance met Europese wet- en regelgeving, cybersecurity en veiligheid, betrouwbaarheid en veerkracht van AI-systemen, energie-efficiëntie en duurzaamheid, maar ook brede toegankelijkheid en inzetbaarheid voor bedrijven van alle groottes, in het bijzonder het MKB3Een meer gedetailleerde uitleg over de technologische scope kan gevonden worden op de website van de IPCEI-AI: IPCEI Artificial Intelligence | BMWE, onder het kopje ‘Further information’..

Het Nederlandse belangrijke project moet een bijdrage leveren aan voormelde doelstellingen door het verrichten van subsidiabele activiteiten die uitsluitend kunnen bestaan uit (a) onderzoek en ontwikkeling (industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie) door een onderneming of onderzoeksorganisatie of (b) het bouwen of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur of test- en experimenteer infrastructuur door een onderneming ten behoeve van deze voorgaande onderzoeksactiviteiten die binnen het desbetreffende Nederlandse belangrijke project verricht worden. De onderneming of onderzoeksorganisatie die het Nederlandse belangrijke project uitvoert, hoeft voor het verrichten van deze activiteiten niet als directe partner vermeld te zijn in het Europees goedkeuringsbesluit en worden ook wel indirecte partners genoemd (zie artikel 3.27.2, tweede lid, onderdelen b en c, van de RNES). Om als indirecte partner te kunnen deelnemen aan een Europees belangrijk project, moet een Nederlands belangrijk project ook hoog innovatief zijn, aantoonbare Europese spillover effecten hebben, bijdrage aan het versterken en toekomstbestendig maken van de AI-waardeketen in de Europese Unie en nadrukkelijk gericht zijn op samenwerking met Nederlandse en verdere Europese ondernemingen, inclusief mkb-ondernemingen. Ook moet een significante eigen (financiële) bijdrage door de subsidieontvangers geleverd worden en moet dit Nederlandse belangrijke project van indirecte partners verbonden zijn met een Europees belangrijk project van directe partners dat voldoet aan het IPCEI-steunkader en is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het eindresultaat van het Nederlandse belangrijke project kan bestaan uit een proof of concept of prototype.

Voordat subsidie verstrekt wordt aan één of meer van de Nederlandse belangrijke projecten, moet echter eerst nog een Europees en aanvullend Nederlands proces worden doorlopen (verwezen wordt naar paragraaf 1.3 van de algemene toelichting van de invoeringsregeling (Stcrt. 2021, 50262)).

Met deze wijzigingsregeling wordt de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 aangepast. Hiermee wordt de openstelling van de subsidiemodule IPCEI AI geregeld. De subsidiemodule IPCEI wordt voor Nederlandse belangrijke projecten op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’ opengesteld van 5 oktober 2026 tot en met 16 november 2026 om 17.00 uur. Het subsidieplafond wordt vastgesteld op € 114.000.000. Dit subsidieplafond is vastgesteld, voor zover dit subsidieplafond niet verlaagd of op nihil vastgesteld wordt na behandeling en, voor zover van toepassing, goedkeuring door de Tweede en Eerste Kamer van beleidsartikel 1 van het voorstel van wet betreffende de vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor het jaar 2027 (Kamerstukken II 2026/27, 37020 XIII (ontwerpbegrotingswet EZK 20264Zie XIII Economische Zaken en Klimaat Rijksbegroting 2027 | Rijksoverheid.nl.)). Zie hierover de artikelsgewijze toelichting op artikel II.

De subsidiabele activiteiten binnen de IPCEI AI zullen worden uitgevoerd door een onderneming of onderzoeksorganisatie die voor het verrichten van deze activiteiten niet als directe partner is vermeld in het Europees goedkeuringsbesluit. Deze ondernemingen en onderzoeksorganisaties worden indirecte partners genoemd. De subsidiabele activiteiten zullen bestaan uit: (a) economische activiteiten, uitgevoerd door een onderneming bestaande uit onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten (in de vorm van industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie) dan wel de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur of test- of experimenteerinfrastructuur ten behoeve van deze onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten of (b) niet-economische onderzoeksactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht door een onderzoeksorganisatie (bestaande uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie). De economische activiteiten worden gerechtvaardigd door de artikelen 25 en 26 bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening5Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187).. De niet-economische onderzoeksactiviteiten bevatten geen staatssteun en voldoen, waar nodig, aan de randvoorwaarden uit het O&O&I-steunkader6Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2022/C 414/01 (PbEU 2022, C 414)..

Voor een nadere beschrijving van het Europees goedkeuringsbesluit, het verschil tussen directe en indirecte partners en het verschil tussen economische en niet-economische activiteiten wordt verwezen naar paragraaf 2 van de algemene toelichting van de invoeringsregeling.

De subsidiemodule IPCEI heeft administratieve lasten tot gevolg, samenhangend met de aanvraag voor subsidie, de tussentijdse (jaarlijkse) rapportage over de voortgang en de aanvraag voor subsidievaststelling. De subsidiemodule brengt geen inhoudelijke nalevingskosten met zich mee.

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, moet een aanvraag voor subsidie worden ingediend, waarin bepaalde informatie verschaft moet worden. In artikel 3.27.12 van de RNES zijn informatieverplichtingen opgenomen ten aanzien van de gegevens die de subsidieaanvraag moet bevatten of waarvan deze vergezeld dient te gaan. Voor de subsidieaanvraag is een aantal minimale informatievereisten opgenomen over de subsidieaanvrager, het project en deelnemers uit het Nederlandse samenwerkingsverband, die nodig zijn om de aanvraag te kunnen behandelen. Daarnaast moet de subsidieaanvraag vergezeld gaan van (a) een projectplan met in ieder geval een omschrijving van de doelstellingen, de werkzaamheden en de impact van het Nederlandse belangrijke project, samenwerking met Europese belangrijke projecten, een marktintroductiestrategie alsmede (b) een financieringsplan en begroting. Ook moet de subsidieaanvraag vergezeld gaan van (c) documenten met een beknopte beschrijving van de kennis, ervaring en projectorganisatie (d) een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt, alsook (e) een kopie van een concept verklaring van de partijen die naar verwachting zullen deelnemen aan het desbetreffende Europese samenwerkingsverband, waaruit volgt dat de intentie is om het des betreffende Europese belangrijke project, horend bij het onderliggende Nederlandse belangrijke project, te gaan uitvoeren met deze partijen in een Europees samenwerkingsverband. Ook dient op grond van artikel 3.27.9 van de RNES in bepaalde gevallen ook een samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemers aan het IPCEI-deelproject beschikbaar te worden gesteld betreffende de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten. Al deze informatie is nodig voor de rangschikking op de beoordelingscriteria uit artikel 3.27.8 van de RNES.

Na een positieve beoordeling van de subsidieaanvraag en na het goedkeuringsbesluit van de Europese Commissie betreffende relevante directe partners in andere lidstaten kan er subsidie verleend worden. Met het Nederlandse belangrijke project mag niet later gestart worden dan zes maanden na de subsidieverlening en moet het project binnen vier jaar na de startdatum afgerond zijn. Om tussentijds zicht te houden op de voortgang van het desbetreffende Nederlandse belangrijke project, zal op grond van artikel 39 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (Kaderbesluit) jaarlijks een tussenrapportage over de voortgang van het Nederlandse belangrijke project van de subsidieontvangers (penvoerders) worden verlangd, alsook inlichtingen en andere rapportages die zijn opgenomen in artikel 3.27.11 van de RNES. Deze tussenrapportages kunnen na afronding van het Nederlandse belangrijke project ook gedeeltelijk gebruikt worden bij de uiteindelijke vaststelling van de subsidie. Voor de vaststelling van de subsidie dient de subsidieontvanger nog een aanvraag tot subsidievaststelling in te dienen waarin deze (in de vorm van een eindrapportage) aanvullende informatie verschaft. De Europese Commissie stelt naar verwachting ook een rapportageverplichting in voorde subsidieontvangers. De regeldrukkosten die hier uit volgen zijn echter niet een gevolg van deze wijzigingsregeling(maar een gevolg van de betreffende EU-verplichting) en kunnen niet de Nederlandse rapportageverplichting uit het Kaderbesluit vervangen. Daarom wordt de Europese rapportageverplichting niet meegenomen in onderstaande berekening.

Voor de aanvraag tot subsidievaststelling zijn de informatieverplichtingen opgenomen in artikel 50 van het Kaderbesluit. Er is evenwel eerder al voor gekozen om deze informatieverplichtingen in artikel 3.27.13 van de RNES verder aan te vullen. Zo moet het eindverslag, dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling gevoegd wordt, informatie bevatten waarmee kan worden vastgesteld of de subsidiabele activiteiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, alsook of ze tot het gewenste eindresultaat hebben geleid. De te verschaffen informatie bestaat concreet uit een omschrijving van de projectresultaten, op welke wijze het Nederlandse belangrijke project heeft bijgedragen aan de doelen op de betreffende gebieden en een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten.

In het vervolg zal ook subsidie worden verstrekt aan Nederlandse belangrijke projecten op het deelgebied betreffende onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën. Om die reden zullen voormelde administratieve lasten ook van toepassing zijn op dit type project.

Allereerst is de verwachting dat er voor Nederlandse belangrijke projecten op het deelgebied betreffende onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën 15 subsidieaanvragen worden ingediend. De verwachting is dat voor het indienen van de subsidieaanvraag 450 uur nodig is (210 uur voor de penvoerder en 240 uur voor de overige samenwerkingspartners tezamen bij een Nederlands belangrijk project). Het totale aantal uren voor de werkzaamheden ten behoeve van deze 15 subsidieaanvragen komt hiermee uit op 6.750 uur.

Ten tweede is de verwachting dat drie Nederlandse belangrijke projecten binnen het toepasselijke subsidieplafond kunnen worden gehonoreerd.

  • –

    Voor deze gehonoreerde Nederlandse belangrijke projecten zal over het eerste, tweede en derde jaar een tussenrapportage opgesteld moeten worden en inlichtingen verstrekt moeten worden (zie artikel 39 van het Kaderbesluit en artikel 3.27.11 van de RNES). Naar verwachting zal dit gemiddeld 20 uur kosten. Uitgaande van drie gehonoreerde Nederlandse belangrijke projecten zullen er dus in totaal 9 tussenrapportages gemaakt moeten worden en aanverwante inlichtingen verstrekt moeten worden, waaraan door de subsidieontvangers in totaal 180 uur besteed zal worden.

  • –

    Voor deze gehonoreerde Nederlandse belangrijke projecten moet mogelijk ook kennisverspreiding plaatsvinden. De brede verspreiding van de kennis die de Nederlandse belangrijke projecten gaan opleveren, is een verplicht onderdeel van de subsidiemodule IPCEI (zie ook artikel 3.27.11 van de RNES). Te denken valt aan het verspreiden van kennis via onder andere publicaties, conferenties en online media. De totale tijdsbesteding hiervan wordt ingeschat op 16 uur per Nederlands belangrijk project per jaar. Bij drie gehonoreerde Nederlandse belangrijke projecten van maximaal vier jaar komt het totaal aantal uren dat besteed wordt aan kennisoverdracht uit op 192 uur.

Tot slot wordt aangenomen dat de verslaglegging achteraf (onder meer het opstellen van de eindrapportage, medewerking aan eindevaluatie en het indienen van de aanvraag voor subsidievaststelling) gemiddeld 70 uur in beslag zal nemen per Nederlands belangrijk project. Uitgaande van drie Nederlandse belangrijke projecten komt het totale aantal uren voor het indienen van de aanvragen voor subsidievaststelling hiermee uit op 210 uur.

Uit het voorgaande volgt dat het totale aantal uren werk om aan de informatieverplichtingen te kunnen voldoen naar verwachting uitkomt op 180 uur, exclusief de uren voor de kennisverspreiding. Het toepasselijke uurtarief is € 60 (zie artikel 3.1.1 van de RNES). De totale administratieve lasten van alle projecten gezamenlijk, inclusief bijkomende externe kosten, zoals een in controle verklaring en uitgaven rondom kennisoverdracht, komen uit op € 439.920. Dit is circa 0,39 procent van het subsidieplafond van € 114.000.000.

Het ontwerp van deze wijzigingsregeling en de toelichting zijn voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). ATR heeft de wijzigingsregeling niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

De subsidiemodule IPCEI AI wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Deze subsidiemodule wordt uitvoerbaar en handhaafbaar geacht.

In dit artikel zijn de begripsbepalingen opgenomen die van belang zijn voor de subsidiemodule IPCEI, zoals de begripsbepaling ‘Europese centrale narratief’ die wordt aangepast en ‘test- en experimenteerinfrastructuur’ die wordt toegevoegd (zie voor een toelichting hierop de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.27.2 van de RNES). Daarnaast vervalt de begripsbepaling ‘waterstofproductie door elektrolyse’, omdat deze voor de komende openstellingen van de subsidiemodule IPCEI niet meer van belang is.

Dit artikel bevat de subsidiegrondslag voor de subsidiemodule IPCEI. Op grond van de subsidiemodule IPCEI wordt subsidie verstrekt voor het uitvoeren van een Nederlands belangrijk project. Een subsidiabel Nederlands belangrijk project moet onderdeel uitmaken van een Europees belangrijk project (IPCEI). Een Europees belangrijk project moet worden uitgevoerd door een Europees samenwerkingsverband.

Doelstellingen, deelgebieden en subsidiabele activiteiten (artikel 3.27.2, eerste en tweede lid)

In het eerste en tweede lid zijn de subsidiabele activiteiten opgenomen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt in (1) de doelstelling van de subsidie, (2) de deelgebieden waarbinnen de doelstelling verwezenlijkt moeten worden, (3) de hoofdcategorieën van subsidiabele activiteiten en (4) de nadere uitwerking van de subsidiabele activiteiten.

Ad (1) In het eerste lid, aanhef, wordt bepaald dat een Nederlands belangrijk project gericht moet zijn op het verwezenlijken van één of meer van de Europese doelstellingen en strategieën, bedoeld in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader (zie artikel 3.27.2, eerste lid, aanhef) en (2) de inhoud, doelstellingen en strategieën voor het desbetreffende deelgebied die uitgewerkt zijn in het toepasselijke Europese centrale narratief, waarvoor een begripsbepaling is opgenomen in artikel 3.27.1 van de RNES. Deze begripsbepaling wordt aangepast, zodat bij de komende openstelling onder het ‘Europese centrale narratief’ wordt verstaan een waardeketendocument dat (a) voorafgaand aan een Europees matchmakingsproces is opgesteld door zowel de Europese Commissie als lidstaten van de Europese Unie of de Europese Vrijhandelsassociatie en (b) is gericht op het tot stand brengen van een Europees belangrijk project en bijhorend Nederlands belangrijk project op een deelgebied en dat informatie bevat over welke Europese doelstellingen en strategieën van toepassing zijn op het des betreffende deelgebied. Om welk deelgebieden het gaat, volgt uit artikel 3.27.2, eerste lid, van de RNES.

Ad (2) In het eerste lid, onderdelen a en b, (oud) zijn twee deelgebieden opgenomen. Aan dit eerste lid wordt een onderdeel c (nieuw) toegevoegd, waardoor bij de komende openstelling subsidie verstrekt kan worden aan een Nederlands belangrijk project op het nieuwe deelgebied betreffende ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’. De subsidie op dit nieuwe deelgebied moet dus passen in de toepasselijke Europese doelstellingen en Centrale Europese narratief (lees: het waardeketendocument) als bedoeld in het eerste lid, aanhef. Ook moeten binnen dit deelgebied bepaalde activiteiten worden uitgevoerd uit de activiteitenlijst die is opgenomen in artikel 3.27.2, tweede lid, van de RNES. In artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c, is daarom een verwijzing opgenomen naar de activiteiten uit het tweede lid die van toepassing zijn.

Ad (3) In het tweede lid, onderdelen a, b en c, zijn de volgende drie hoofdcategorieën van subsidiabele activiteiten opgenomen: (a) de subsidiabele activiteiten van een entiteit die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert en als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit, (b) de subsidiabele economische activiteiten van een entiteit die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert en niet als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit (hierna: indirecte partner onderneming), en (c) de subsidiabele niet-economische onderzoeksactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht door een entiteit die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderzoeksorganisatie kwalificeert en niet als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit (indirecte partner onderzoeksorganisatie). Het tweede lid, onderdelen a, b, aanhef, en c, aanhef, is aangepast om dit onderscheid nog beter naar voren te laten komen, als ook om met name te verduidelijken dat het soort activiteiten van een entiteit doorslaggevend kunnen zijn voor het oordeel of deze al dan niet als onderneming zal kwalificeren. Iedere entiteit, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering (dus ook een bv, nv, stichting, vereniging, onderzoeksorganisatie dan wel elke andere natuurlijke of rechtspersoon), zal op grond van artikel 1 van het Kaderbesluit als onderneming kwalificeren in het geval deze entiteit subsidiabele economische activiteiten verricht. Een entiteit kan (overeenkomstig artikel 1 van het Kaderbesluit) op grond van het toepasselijke Europese staatssteunkader ook voor het verrichten van de subsidiabele economische en niet-economische activiteiten als onderzoeksorganisatie kwalificeren, maar zal in het geval de activiteiten economisch van aard zijn dus altijd als onderneming kwalificeren.

Ad (4) In de subonderdelen van het tweede lid, onderdelen a, b en c, van artikel 3.27.2 wordt een nadere omschrijving gegeven van de subsidiabele activiteiten binnen de voormelde hoofdcategorieën. De komende openstelling zal uitsluitend betrekking hebben op een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’, voor zover het economische activiteiten betreft (in het geval deze bestaan uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, een haalbaarheidsstudie of de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur of test- en experimenteerinfrastructuur ten behoeve hiervan door een indirecte partner onderneming) dan wel het niet-economische onderzoeksactiviteiten betreft (in het geval deze bestaan uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een indirecte partner onderzoeksorganisatie). Hierbij is van belang dat aan de nadere omschrijving van de economische activiteiten van indirecte partner ondernemingen uit het tweede lid, onderdeel b, een subonderdeel wordt toegevoegd, zodat de economische activiteiten in het vervolg ook kunnen bestaan uit de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur of test- en experimenteerinfrastructuur door een onderneming ten behoeve van in het des betreffende Nederlandse belangrijke project te verrichten industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie. Vanwege deze invoeging vindt ook vernummering van de subonderdelen plaats in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b, van de RNES, en is ook een begripsbepaling voor test- en experimenteerinfrastructuur toegevoegd aan artikel 3.27.1 van de RNES.

Voor de verdere achtergrond bij artikel 3.27.2, eerste en tweede lid, wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.27.2 wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting van de invoeringsregeling en de regeling waarmee de subsidiemodule IPCEI grondig is aangepast (omvangrijke herzieningsregeling)7Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 4 juni 2026, nr. WJZ/ 106407182, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN- enKGG- subsidies en de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG- subsidies 2026 in verband met de wijziging en openstelling van de subsidiemodule Important Projects of Common European Interest (IPCEI) op deelgebiedenbetreffende geavanceerde halfgeleidertechnologie (Stcrt. 2026, 20378)..

Subsidieontvangers (artikel 3.27.2, derde lid)

In het derde lid van artikel 3.27.2 wordt geregeld dat de subsidieontvanger moet kwalificeren als een in Nederland gevestigde onderneming of onderzoeksorganisatie die de activiteiten van een Nederlands belangrijk project uitvoert in een Europees samenwerkingsverband. Aanvullend op deze hoofdregel worden in het vervolg per deelgebied afzonderlijke eisen gesteld aan de Nederlandse subsidieontvanger en het eventuele Nederlandse samenwerkingsverband. Het derde lid van artikel 3.27.2 wordt aangepast om ervoor te zorgen dat de eisen voor de subsidieontvangers in het vervolg worden ondergebracht in een afzonderlijk onderdeel per deelgebied. De nieuwe onderdelen a en b hebben betrekking op deelgebieden waarvoor al een eedere openstelling heeft plaatsgevonden en het nieuwe onderdeel c van artikel 3.27.3, derde lid, op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’, waarop de komende openstelling betrekking heeft.

Allereerst wordt voor een Nederlands belangrijk project dat betrekking heeft op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’ (net zoals voor alle andere deelgebieden) expliciet in het nieuwe onderdeel c geregeld dat een subsidieontvanger de activiteiten van een Nederlands belangrijk project uitvoert in een Europees samenwerkingsverband, met ten minste directe en eventueel indirecte partners (zie artikel 3.27.2, derde lid, onderdeel c, van de RNES). Een Europees samenwerkingsverband moet op grond van paragraaf 3.2.1, onderdeel 16, van het IPCEI-steunkader bestaan uit partijen (in dit geval ondernemingen of onderzoeksorganisaties) die gevestigd zijn in ten minste vier landen die lid zijn van de Europese Unie of de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudends de situatie waarin de aard van het Europees belangrijke project de vestiging in een kleiner aantal lidstaten rechtvaardigt (zie artikel 3.27.1 van de RNES). De subsidiabele Nederlandse belangrijke projecten maken onderdeel uit van de bovenliggende Europese belangrijke projecten, en worden op hun beurt uitgevoerd door een in Nederland gevestigde onderneming of onderzoeksorganisatie, die onderdeel uitmaakt van het Europese samenwerkingsverband.

Ten tweede wordt voor een Nederlands belangrijk project dat betrekking heeft op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’ in het nieuwe onderdeel c geregeld dat alle in Nederland gevestigde subsidieontvangers de subsidiabele activiteiten moeten uitvoeren in een Europees samenwerkingsverband met ten minste één deelnemer die als directe partner is vermeld in het Europese goedkeuringsbesluit. Ook volgt hieruit dat een in Nederland gevestigde indirecte partneronderneming de subsidiabele activiteiten zelfstandig kan uitvoeren binnen dit Europese samenwerkingsverband of, eventueel, in een bij het desbetreffende Europees samenwerkingsverband horend onderliggend Nederlands samenwerkingsverband, waaraan verder geen specifieke eisen gesteld worden.

Daarnaast dient een in Nederland gevestigde indirecte partneronderzoeksorganisatie de subsidiabele activiteiten uit te voeren in een bij het desbetreffende Europese samenwerkingsverband horend onderliggend Nederlands samenwerkingsverband, waaraan ten minste één andere subsidieontvanger als samenwerkingspartner moet deelnemen die als een in Nederland gevestigde onderneming kwalificeert; deze laatste deelnemende samenwerkingspartner kan dus niet bestaan uit een onderzoeksorganisatie die op grond van artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b, van de RNES juncto artikel 1 van het Kaderbesluit ook nog eens als onderneming kwalificeert. Met de voorgaande bepalingen in onderdeel c, onder 1° en 2°, van artikel 3.27.3, derde lid, van de RNES wordt ervoor gezorgd dat, conform de eisen van het IPCEI-steunkader en het Europese narratief (waardeketendocument), er altijd een in Nederland gevestigde onderneming betrokken zal zijn bij het desbetreffende Nederlandse belangrijke project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’.

Behoudens de laatste uitzondering voor onderzoeksorganisaties die alleen subsidie kunnen ontvangen in het geval deze samenwerken met een in Nederland gevestigde onderneming, is het in de regel mogelijk dat de voorgaande subsidie tijdens de komende openstelling wordt aangevraagd door zowel individuele subsidieaanvragers als meerdere deelnemers uit een Nederlands samenwerkingsverband, die als indirecte partner kwalificeren. Het moet hierbij specifiek gaan om in Nederland gevestigde ondernemingen of onderzoeksorganisaties die op grond van artikel 39a van het Kaderbesluit voor de eerste voorschotbetaling van de subsidie een vaste inrichting of dochteronderneming in Nederland hebben. Deze aspecten zijn ook bij een Nederlands samenwerkingsverband van belang. Een samenwerkingsverband is op grond van artikel 1 van het Kaderbesluit een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaand uit ten minste twee niet in een groep verbonden deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van activiteiten, niet zijnde een vennootschap. Een samenwerkingsverband kan dus bijvoorbeeld niet uitsluitend door moeder- en dochterondernemingen gevormd worden. Bij het Nederlands belangrijk project kan, overeenkomstig artikel 3.27.1 van de RNES, door ondernemingen en onderzoeksorganisaties samengewerkt worden in het kader van economische dan wel niet-economische activiteiten. Zowel een onderneming als een onderzoeksorganisatie kan dan ook als deelnemer van het Nederlands samenwerkingsverband subsidie ontvangen. Alle deelnemers aan het Nederlands samenwerkingsverband worden beschouwd als individuele subsidieaanvragers. Hierbij is ook de rol van de penvoerder van belang.

De penvoerder in een Nederlands samenwerkingsverband (artikel 3.27.2, vierde lid)

Het vierde lid van artikel 3.27.2 van de RNES gaat in op de rol van de penvoerder. In de praktijk zal de penvoerder namens alle deelnemers uit het Nederlandse samenwerkingsverband de aanvraag om subsidieverlening indienen. Dit is bepaald in artikel 20 van het Kaderbesluit. Het is de bedoeling dat de penvoerder zelf ook subsidiabele activiteiten verricht. De beschikking tot subsidieverlening wordt verzonden aan de penvoerder, maar de subsidie zal uiteindelijk verleend en betaald worden aan de subsidieontvanger (individuele deelnemer uit het Nederlandse samenwerkingsverband) die de desbetreffende subsidiabele activiteiten uitvoert. Voor het geval dat het Nederlandse belangrijke project betrekking heeft op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’ wordt in artikel 3.27.2, vierde lid, onderdeel b, (nieuw), van de RNES geregeld dat de penvoerder van een Nederlands samenwerkingsverband een onderneming of onderzoeksorganisatie moet zijn. Deze nieuwe eis is bedoeld om te stimuleren dat ondernemingen en onderzoeksorganisaties beiden een sturende en cruciale rol zullen hebben bij het verwezenlijken van de Europese doelstellingen en strategieën, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, aanhef, van de RNES.

In de aangepaste artikelen 3.27.3 en 3.27.4 van de RNES wordt voor de subsidiemodule IPCEI AI aangegeven welke steunintensiteiten voor de subsidiabele kosten gehanteerd worden respectievelijk welke kosten voor subsidie in aanmerking komen. Net als bij artikel 3.27.2, tweede lid (nieuw), wordt hierbij een onderscheid gemaakt tussen: (a) de subsidie voor directe partnerondernemingen, (b) de subsidie voor economische activiteiten van indirecte partnerondernemingen en (c) de subsidie voor niet-economische activiteiten van indirecte partneronderzoeksorganisaties. Met de artikelen 3.27.3 en 3.27.4 wordt ervoor gezorgd dat met de subsidieverlening gebleven wordt binnen de begrenzingen en voorwaarden van het toepasselijke Europese staatssteunkader. In deze artikelen worden een aantal aanpassingen doorgevoerd in de steunintensiteiten en subsidiabele kosten die in het vervolg van toepassing zullen zijn, alsook welke maximum subsidiebedragen van toepassing zijn indien het Nederlandse belangrijke project betrekking heeft op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’.

Steunintensiteiten en subsidiabele kosten (artikelen 3.27.3, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, en 3.27.4, onderdeel b)

Allereerst wordt in de artikelen 3.27.3, eerste lid, onderdeel b, en 3.27.4, onderdeel b, van de RNES voor de nieuwe subsidiabele activiteit ‘bouw of upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur’ een basissubsidiepercentage respectievelijk een omschrijving van de subsidiabele kosten8Verwijzing naar de subsidiabele kosten uit het toepasselijke Europese staatsteunkader. toegevoegd die betrekking hebben op economische activiteiten van indirecte partnerondernemingen en in lijn zijn met het toepasselijke Europese staatssteunkader (artikel 26 bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening). Het basissubsidiepercentage van de bouw of het upgraden van economische test- en experimenteerinfrastructuur bedraagt 25 procent van de subsidiabele kosten; er wordt geen subsidie verstrekt voor de bouw of het upgraden van niet-economische test- en experimenteerinfrastructuur door indirecte partneronderzoeksorganisaties. Zie de artikelen 3.27.3, eerste lid, onderdelen b en c, en 3.27.4, onderdelen b en c, van de RNES voor de overige percentages en subsidiabele kosten voor de voormelde en andere economische activiteiten respectievelijk niet-economische onderzoeksactiviteiten die bij de komende openstelling van toepassing zijn.

Ten tweede worden in artikel 3.27.3, tweede lid (nieuw), van de RNES nieuwe mogelijkheden opgenomen om de (basis) percentages voor economische activiteiten van indirecte partnerondernemingen uit artikel 3.27.3, eerste lid, onderdeel b, op te hogen, omdat de verwachting is dat dan meer Nederlandse belangrijke projecten in voldoende mate gefinancierd kunnen worden om daadwerkelijk van de grond te komen. De Minister van Economische Zaken en Klimaat (minister) kan de basispercentages van de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur, net als de basispercentages van industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie, in het vervolg ook ophogen met 10 procentpunten voor de kosten van een middelgrote onderneming en 20 procent?xpp afbm?>punten voor de kosten van een kleine onderneming.

Aanvullend kan de minister ook in het vervolg op grond van artikel 26 bis, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening het (basis) percentage voor de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur nog verder ophogen met 10 procentpunten, indien ten minste twee lidstaten van de Europese Unie overheidsfinanciering verstrekken dan wel in het geval het test- en experimenteerinfrastructuur betreft die op het niveau van de Europese Unie wordt geëvalueerd en geselecteerd.

Maximumsubsidiebedragen (artikel 3.27.3, derde en vierde lid)

Het derde en vierde lid van artikel 3.27.3 van de RNES worden aangepast, om te verduidelijken dat het derde lid uitsluitend betrekking heeft op de subsidie die ten hoogste per soort subsidiabele activiteit verstrekt kan worden, alsook dat het vierde lid betrekking heeft op de totale subsidie die voor alle activiteiten uit het Nederlandse belangrijke project ten hoogste verstrekt kan worden per project of per subsidieontvanger.

Het nieuwe derde lid bevat concreet het maximumsubsidiebedrag dat bij de komende openstelling per activiteit per subsidieaanvrager (bijvoorbeeld economisch en niet-economisch industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie) wederom beschikbaar is. Hieraan wordt ook een nieuw maximumsubsidiebedrag toegevoegd van € 7.500.000 per subsidieaanvrager voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur of test- en experimenteerinfrastructuur door een indirecte partneronderneming binnen een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’. De in het derde lid opgenomen bedragen per activiteit per subsidieaanvrager die al van toepassing waren zorgen, samen met het nieuw ingevoegde maximumbedrag, voor een evenwichtige verdeling en subsidiëring van de diverse subsidiabele activiteiten die bij de komende openstelling plaats zullen vinden in een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’.

In het nieuwe vierde lid wordt geregeld wat de totale subsidie voor een Nederlands belangrijk project op een bepaald deelgebied kan bedragen. De nieuwe onderdelen a en b hebben betrekking op deelgebieden waarvoor eerder openstelling plaatsvond. Het nieuwe onderdeel c betreft een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’, de subsidie bedraagt ten hoogste € 60.000.000 bedraagt per Nederlands belangrijk project. Hiermee wordt er voor gezorgd dat er ten minste in voldoende mate subsidie verstrekt kan worden aan omvangrijke projecten op dit deelgebied (ten minste twee omvangrijke projecten), zonder dat één project het hele subsidieplafond van € 114.000.000 gebruikt.

In dit artikel is de start- en realisatietermijn opgenomen die van toepassing is op de uitvoering van Nederlandse belangrijke projecten. Het eerste lid bevat de starttermijn voor het project van zes maanden na subsidieverlening, die bij eerdere openstellingen voor vrijwel alle deelgebieden gebruikt is en ook van toepassing blijft op het nieuwe deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’.

Het tweede lid van artikel 3.27.6 van de RNES bevat de realisatietermijn en wordt aangepast. Het nieuwe onderdeel a heeft betrekking op deelgebieden waarvoor een eerdere openstelling heeft plaatsgevonden. Het nieuwe onderdeel b betreft een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’, de realisatietermijn wordt vastgesteld op vier jaar na de startdatum van het project, bedoeld in het eerste lid van artikel 3.27.6. Indien uit het bij de subsidieaanvraag aangeleverde projectplan blijkt dat het project niet uiterlijk binnen deze termijn gerealiseerd zou kunnen worden, wordt de aanvraag op grond van artikel 23, aanhef en onderdeel b, van het Kaderbesluit afgewezen. Er is voor deze termijn gekozen, omdat de verwachting is dat een Nederlands belangrijk project binnen deze termijn kan worden afgerond. De termijn gaat lopen vanaf de start van het project, omdat dit moment voor een ieder direct kenbaar zal zijn.

Van belang is dat op grond van artikel 37, derde lid, van het Kaderbesluit de minister in geval van vertraging van de uitvoering van de activiteiten of het essentieel wijzigen daarvan ontheffing kan verlenen van de verplichting om de activiteiten overeenkomstig het projectplan uit te voeren. Op grond hiervan is het ook mogelijk de realisatietermijn voor een project te verlengen. Voor de verdere achtergrond bij de start en realisatietermijn wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting van de invoeringsregeling en de omvangrijke herzieningsregeling.

Dit artikel bevat de afwijzingsgronden die van toepassing zijn in aanvulling op de afwijzingsgronden in de artikelen 22 en 23 van het Kaderbesluit. In deze afwijzingsgronden wordt een verwijzing naar een Europese verordening geactualiseerd, die ervoor zorgt dat alle Nederlandse belangrijke projecten aan de voor IPCEI’s cruciale voorwaarden blijven voldoen. Ook worden deze afwijzingsgronden geactualiseerd voor de toepassing op subsidieaanvragen die betrekking hebben op Nederlandse belangrijke projecten op het deelgebied betreffende ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’ (het nieuwe onderdeel c van het tweede lid van artikel 3.27.7 van de RNES).

Allereerst wordt de subsidieaanvraag afgewezen, indien na toepassing van artikel 3.27.8, eerste lid, onderdelen a, b c, d, onder 1°, en e, en tweede lid, van de RNES minder dan zes punten per criterium zijn toegekend. De subsidieaanvragen worden verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen en in artikel 3.27.8, eerste lid, onderdelen a, b c, d, onder 1°, en e, zijn voor dit deelgebied de zogenaamde rangschikkingscriteria voor deze verdeling opgenomen waarvoor op grond van artikel 3.27.8, tweede lid, per rangschikkingscriterium ten minste één en ten hoogste tien punten toe worden gekend. De bedoeling van deze afwijzingsgrond is dat alleen projecten die van voldoende kwaliteit zijn, gehonoreerd zullen worden. Met een schaal van één tot en met tien punten per rangschikkingscriterium wordt een score van zes punten als kwalitatief voldoende beschouwd. Overigens heeft voormelde afwijzingsgrond uitsluitend betrekking op de score die per rangschikkingscriterium behaald wordt voordat de zogenaamde wegingsfactor uit artikel 3.27.8, derde lid, wordt toegepast.

Ten tweede wordt de subsidieaanvraag afgewezen indien hiervoor niet een voorlopig projectvoorstel ingediend was bij de minister op uiterlijk 25 maart 2026 om 17:00 uur op grond van de oproep, opgenomen in Stcrt. 2026, 7919, of dat niet past binnen één van de thema’s of voorwaarden van het waardeketendocument als bedoeld in paragraaf 1.4 van deze oproep. Op deze wijze wordt ervoor gezorgd dat alleen de Nederlandse partijen die hebben gereageerd op de interessepeiling, voor subsidie in aanmerking kunnen komen, ongeacht of deze partijen te beschouwen zijn als directe of indirecte partner. Ook wordt met deze afwijzingsgrond invulling gegeven aan de gemaakte afspraken tussen de betrokken lidstaten en de Europese Commissie, waarmee de Europese belangrijke projecten geclusterd zijn binnen een aantal thema’s.

Ten derde wordt de subsidieaanvraag afgewezen indien de subsidiabele kosten voor dit project minder zouden bedragen dan € 5.000.000. Hierdoor zullen kleinere projecten niet voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Op deze wijze worden aanvragen om subsidie gestimuleerd die voldoende massa hebben, zodat de subsidieaanvrager significante stappen kan zetten en gefragmenteerde inzet van publieke middelen voorkomen wordt.

Ten vierde wordt de subsidieaanvraag afgewezen indien de te verlenen subsidie minder dan € 125.000 per subsidieaanvrager zou bedragen, als het Nederlandse belangrijke project wordt uitgevoerd in een Nederlands samenwerkingsverband. Op deze wijze wordt ervoor gezorgd dat de bijdrage van de subsidieaanvragers die in een Nederlands samenwerkingsverband het Nederlandse belangrijke project uitvoeren, voldoende substantieel is.

In dit artikel zijn criteria opgenomen op basis waarvan de subsidieaanvragen gerangschikt worden binnen het subsidieplafond, behorend bij het toepasselijke deelgebied, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, van de RNES. Een subsidieaanvraag wordt hoger gerangschikt naarmate het Nederlandse belangrijke project meer bijdraagt aan deze rangschikkingscriteria (artikel 3.27.8, eerste lid, van de RNES). Per rangschikkingscriterium wordt op grond van artikel 3.27.8, tweede lid, van de RNES ten minste één en ten hoogste tien punten toegekend. Aan de subsidieaanvraag van het project dat het hoogst gerangschikt is, wordt subsidie verleend, uiteraard voor zover het subsidieplafond nog niet is overschreden en tenzij de subsidieaanvraag voor het desbetreffende project op grond van artikel 3.6.7 van de RNES afgewezen zou moeten worden. Artikel 3.27.8 wordt aangepast om ervoor te zorgen dat bestaande rangschikkingscriteria beter aansluiten op het desbetreffende deelgebied, alsook om een nieuw rangschikkingscriterium toe te voegen aan artikel 3.27.8.

Aanpassingen in de bestaande rangschikkingscriteria (artikel 3.27.8, eerste lid, onderdelen a, b, c en d)

De bestaande rangschikkingscriteria, opgenomen in artikel 3.27.8, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, van de RNES worden aangepast om ervoor te zorgen dat een onderscheid gemaakt wordt tussen (a) de rangschikkingscriteria die van toepassing zijn op alle deelgebieden en (b) de rangschikkingscriteria die van toepassing zijn op bepaalde deelgebieden. Voor de beoordeling van een subsidieaanvraag betreffende een Nederlands belangrijk project op het deelgebied betreffende ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’ zijn de bestaande rangschikkingscriteria toepassing zoals deze zijn opgenomen in artikel 3.27.8, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, onder 1°, (zie voor de achtergrond van deze rangschikkingscriteria de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.27.8 in de omvangrijke herzieningsregeling). Daarnaast worden de volgende aanpassingen in de bestaande rangschikkingscriteria doorgevoerd.

Allereerst wordt het rangschikkingscriteria ‘bijdrage aan het doel van de subsidiemodule’, in het eerste lid, onderdeel a, aangepast. Op grond van dit rangschikkingscriterium wordt aan een subsidieaanvraag voor een Nederlands belangrijk project een hoger aantal punten toegekend naarmate het Nederlandse belangrijke project meer bijdraagt aan de doelen, genoemd in artikel 3.27.2, eerste lid, aanhef, van de RNES. Het Nederlandse belangrijke project dient te zijn gericht op het verwezenlijken van één of meer van de doelstellingen en strategieën, bedoeld in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader, die passen binnen het deelgebied waarop het Nederlandse belangrijke project betrekking heeft en die uit het toepasselijke Europese centrale narratief volgen. Dit rangschikkingscriterium in het eerste lid, onderdeel a, is aangepast om te verduidelijken dat Nederlandse belangrijke projecten onder meer een substantiële bijdrage moeten leveren aan een gemeenschappelijk Europees belang waarbij het individuele of nationale belang wordt overstegen, en waarbij dus vanuit een ecosysteem- of waardeketenbenadering wordt gedacht. Hierbij gaat het ten minste (doch niet uitsluitend) om het versterken van de Europese technologische autonomie, het verbeteren van de concurrentiekracht en veerkracht van de Europese Unie en aan het verminderen van de strategische afhankelijkheid van de Europese Unie van derde landen.

Ten tweede wordt het rangschikkingscriteria ‘de geschiktheid van de subsidieaanvrager of het Nederlandse samenwerkingsverband’, in het eerste lid, onderdeel c, aangepast. Op grond van dit rangschikkingscriterium worden aan een subsidieaanvraag voor een Nederlands belangrijk project meer punten toegekend naarmate de subsidieaanvrager of het Nederlandse samenwerkingsverband meer geschikt is om het project uit te voeren. Dit rangschikkingscriterium is aangepast, zodat uitsluitend bij subsidieaanvragen betreffende een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’ ook moet worden aangetoond dat de inrichting van de projectorganisatie binnen het Europese samenwerkingsverband (net zoals binnen de subsidieaanvrager of het Nederlandse samenwerkingsverband) adequaat is, waaronder mede begrepen de structuur van de projectorganisatie en de taakverdeling tussen de betrokken medewerkers van deelnemers uit het Europese samenwerkingsverband.

Toevoeging nieuw rangschikkingscriterium ‘Economische impact van het Nederlandse belangrijke project’ (artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel e (nieuw))

Voor subsidieaanvragen betreffende een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’ wordt een nieuw rangschikkingscriterium opgenomen in artikel 3.27.8, eerste lid, onderdeel e (nieuw), van de RNES. Op grond van dit rangschikkingscriterium worden aan een subsidieaanvraag voor een Nederlands belangrijk project meer punten toegekend naar mate de economische impact van het Nederlandse belangrijke project groter is. Waar bij de criteria a, b en c van artikel 3.27.8, eerste lid, vooral de nadruk ligt op de input, de activiteiten en de output van het project, gaat het bij het nieuwe criterium in onderdeel e, net als bij het criterium in onderdeel d, onder 1°, om de uitkomst (het verwacht effect/de verwachte impact). Het doel hiervan is te waarborgen dat de met publieke middelen ontwikkelde kennis, technologieën en innovaties niet uitsluitend binnen de looptijd van het project worden ontwikkeld, maar ook daadwerkelijk kunnen worden doorontwikkeld, geëxploiteerd en toegepast op de nationale en internationale markt.

Een subsidieaanvraag scoort hoger op dit criterium naarmate de omschrijving adequater is van de strategie voor de beoogde exploitatie, marktintroductie en opschaling voor de met het Nederlandse belangrijke project te ontwikkelen innovatie of innovaties op de internationale markt, inclusief een omschrijving van de haalbaarheid en slaagkans van deze strategie en de daarvoor benodigde en verwachte financiering. Een goede onderbouwing, waar mogelijk kwantitatief, van de verwachtingen op dit punt is voor de beoordeling van dit criterium belangrijk, de aannames en inschattingen dienen expliciet gemaakt te worden. Er dient daarom in het businessplan (als onderdeel van het projectplan, bedoeld in artikel 3.27.12, tweede lid, onderdeel a, van de RNES), een adequate kwantitatieve onderbouwing verstrekt te worden van de verwachte afzetmarkt, bestaande uit een omschrijving van de soorten potentiële afnemers. Daarbij wordt ingegaan op welke stappen nog gezet moeten worden om de markt te bereiken en welke kosten en welke termijnen daarbij horen. Concreet scoort een projectvoorstel hoger op dit criterium, naarmate in het projectvoorstel:

  • a)

    meer onderbouwd is in welke sectoren/marktsegmenten behoefte is aan de voorgestelde oplossingen (methoden of technieken), wat de bredere context is;

  • b)

    een visie op het implementatietraject beter onderbouwd is, door inzicht te geven in de vervolgstappen die bij een positief resultaat gezet zullen worden in de verdere ontwikkeling en marketing van de voorgestelde oplossingen en door wie, zo mogelijk tot aan introductie op de markt.

Wegingsfactoren (artikel 3.27.8, derde lid)

In het derde lid van artikel 3.27.8 van de RNES zijn de zogenaamde wegingsfactoren opgenomen, waarmee de op een schaal van 1 tot 10 toegekende punten per rangschikkingscriteria vermenigvuldigd kunnen worden. Het derde lid is aangepast, zodat in het vervolg per deelgebied andere wegingsfactoren gehanteerd kunnen worden. Het nieuwe onderdeel a van het derde lid bevat de wegingsfactoren voor de deelgebieden waarvoor eerder openstelling plaats heeft gevonden. Het nieuwe onderdeel b van het derde lid bevat de wegingsfactoren voor een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’. Hieruit volgt dat voor dit type project het aantal punten gegeven op grond van de rangschikkingscriteria uit het eerste lid, onderdelen a, b, c, d, onder 1°, en e, per onderdeel worden vermenigvuldigd met 1, waarna alle punten worden opgeteld.

In deze artikelen worden enkele technische en kleine inhoudelijke aanpassingen doorgevoerd. Zo wordt het opschrift van artikel 3.27.9 van de RNES aangepast en wordt de verplichting tot het bijhouden van een gescheiden boekhouding uit artikel 3.27.10, tweede lid, onderdeel a (oud), verplaatst naar artikel 3.27.11, eerste lid (nieuw).

Verder wordt in het nieuwe artikel 3.27.10, tweede lid, aanhef, van de RNES naast de bestaande verwijzing naar onderzoeksinfrastructuur een nieuwe verwijzing toegevoegd naar test- en experimenteerinfrastructuur. Hierdoor worden de verplichtingen betreffende de toegang tot en vergoedingen voor onderzoeksinfrastructuur uit artikel 3.27.10, tweede lid, onderdelen a en b (nieuw), van de RNES in het vervolg ook van toepassing op de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden uit het toepasselijke Europese staatssteunkader (de artikelen 26, derde en vierde lid, en 26 bis, tweede en derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening).

Dit artikel bevat verplichtingen betreffende voortgangsrapportages en kennisverspreiding; de aanpassingen betreffen een verduidelijking van enkele verplichtingen in deze bepaling en het weghalen van dubbelingen.

Allereerst wordt in het nieuwe eerste lid van artikel 3.27.11 van de RNES de verplichting opgenomen dat in de administratie van de subsidieontvanger een onderscheid moet worden gemaakt tussen economische en niet-economische activiteiten, die deze subsidieontvanger binnen het project uitvoert en de kosten en de financiering hiervan. Met deze verplichting wordt invulling gegeven aan de voorwaarden die voortvloeien uit de diverse toepasselijke Europese staatssteunkaders (de artikelen 27, 26 en 26 bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening en het O&O&I-steunkader). Deze verplichting is aanvullend op de standaard administratieve verplichtingen uit artikel 38 van het Kaderbesluit en vervangt de vervallen verplichting tot een gescheiden boekhouding uit artikel 3.27.10, tweede lid, onderdeel a (oud), van de RNES, omdat deze een te beperkte toepassing had op uitsluitend onderzoeksinfrastructuur. Ook wordt het opschrift van artikel 3.27.11 van de RNES aangepast, zodat in het vervolg duidelijk is dat ook deze administratieve verplichting hier onderdeel van uitmaakt.

Ten tweede worden het oude eerste tot en met vierde lid vervangen door een nieuw tweede lid, waarin zich alle verplichtingen betreffende rapportage en kennisverspreiding bevinden. Het gaat hierbij onder meer om verplichtingen die aanvullend zijn op de standaard rapportageverplichtingen uit artikel 39 van het Kaderbesluit en die gelden gedurende de looptijd van het Nederlandse belangrijke project. Deze verplichtingen bestaan, overeenkomstig eerdere openstellingen, uit het gedurende de looptijd van het project op verzoek van de minister verstrekken van inlichtingen omtrent de voortgang van de verrichte of te verrichten activiteiten of resultaten van het project en het verstrekken van een jaarlijkse voortgangsrapportage ten behoeve van de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie, alsook het na afloop van het project tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling openbaar maken van de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie in een verslag. In het vervolg bestaan deze verplichtingen bij de komende openstellingen(en) voor het eerst ook uit het gedurende de looptijd van het poject verstrekken van een schriftelijk verslag over de voortgang of resultaten van het Europese belangrijke project, overeenkomstig de wijze en frequentie waarop de subsidieontvanger daartoe jegens de Europese Commissie verplicht is. Hiermee wordt er voor gezorgd dat een adequaat beeld wordt gegeven van zowel de voortgang van het Nederlandse als overkoeplende Europese belangrijke project.

In dit artikel zijn informatieverplichtingen opgenomen ten aanzien van de gegevens die de subsidieaanvraag moet bevatten of waarvan deze vergezeld dient te gaan. Het eerste lid van artikel 3.27.12 van de RNES bepaalt welke informatie in een subsidieaanvraag opgenomen moet worden over de subsidieaanvrager, het project, en, voor zover van toepassing, deelnemers uit het Nederlandse samenwerkingsverband, die nodig zijn om de subsidieaanvraag te kunnen behandelen.

Het tweede lid van artikel 3.27.12 bepaalt dat de subsidieaanvraag vergezeld dient te gaan van documenten op grond waarvan een goede inschatting gemaakt zou moeten kunnen worden of het Nederlandse belangrijke project aan het doel van deze subsidiemodule voldoet, zoals (a) een projectomschrijving, (b) een financieringsplan en een projectbegroting, (c) documenten op de geschiktheid van de subsidieaanvrager of samenwerkingsverband te kunnen beoordelen en (d) een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt. Deze informatieverplichtingen worden uitgebreid, zodat in het vervolg een subsidieaanvraag betreffende een Nederlands belangrijk project op het deelgebied ‘onderzoek en ontwikkeling van kunstmatige intelligentietechnologieën’ aanvullend vergezeld moet gaan van (e) een kopie van een concept verklaring van de partijen die naar verwachting zullen deelnemen aan het desbetreffende Europese samenwerkingsverband, waaruit volgt dat de intentie is om het des betreffende Europese belangrijke project, horend bij het onderliggende Nederlandse belangrijke project, te gaan uitvoeren met deze partijen in een Europees samenwerkingsverband. Hierdoor kan beoordeeld worden dat er wordt voldaan aan de eisen voor een deelname aan een Europees matchmakingsproces, de eisen voor het Europese samenwerkingsverband en de eisen betreffende de kwaliteit van de projectorganisatie binnen het Europese samenwerkingsverband.

De subsidie, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, van de RNES bevat, met uitzondering van niet-economisch onderzoeksactiviteiten door een onderzoeksorganisatie, staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de verschillende Europese steunkaders, waarnaar dit artikel verwijst. In deze bepaling wordt verder expliciet opgenomen dat de subsidie die betrekking heeft op de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur, staatssteun bevat die gerechtvaardigd wordt door artikel 26 bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Voor een nadere toelichting op de overige toepasselijke staatssteunkaders wordt verwezen naar paragraaf 2 van deze toelichting en paragraaf 3 van de toelichting op de omvangrijke herzieningsregeling.

Aan de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 is de openstelling van de subsidiemodule IPCEI AI toegevoegd. De subsidiemodule IPCEI AI opengesteld van 5 oktober 2026 tot en met 16 november 2026 om 17.00 uur. Het subsidieplafond wordt vastgesteld op € 114.000.000.

Dit subsidieplafond is vastgesteld, voor zover dit subsidieplafond niet verlaagd of op nihil vastgesteld wordt na goedkeuring door de Tweede en Eerste Kamer van beleidsartikel 1 (Goed functionerende economie en markten) van het ontwerpbegrotingswet EZK 2026.

Met dit begrotingsvoorbehoud wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 4:28 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hiervoor biedt. De reden hiervoor is dat de toepasselijke begrotingspost uit de ontwerpbegrotingswet EZK 2026 voor het voormelde subsidieplafond nog behandeld en goedgekeurd moet worden door de Tweede en Eerste Kamer.

Artikel 4:28 Awb bevat een uitzondering op de in artikel 4:27, tweede lid, van de Awb, neergelegde hoofdregel dat een latere verlaging van het subsidieplafond niet van toepassing kan zijn op een subsidieaanvrager die een aanvraag om subsidie heeft ingediend voordat de desbetreffende verlaging plaatsvond. Artikel 4:28 van de Awb bepaalt dat een verlaging van het subsidieplafond na de aanvang van het subsidietijdvak wel gevolgen kan hebben voor reeds ingediende aanvragen indien de verlaging voortvloeit uit de vaststelling of goedkeuring van de begroting. Het kan hierbij gaan om een verlaging die voortvloeit uit de vaststelling of goedkeuring van de begroting (in de praktijk een verlaging of schrapping van een begrotingspost). Dit betekent ook dat de verlaging niet verder mag gaan dan uit de begroting voortvloeit. Ook moet ingevolge artikel 4:28 van de Awb bij de bekendmaking van het subsidieplafond reeds zijn gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Met deze datum wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen op de eerste dag van een kwartaal in werking treden en twee maanden voordien bekend worden gemaakt. Dat kan worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding. De subsidieaanvragers hebben voldoende tijd om subsidieaanvragen in te dienen en voor te bereiden, gelet op de lengte van de openstellingsperiode en het feit dat zij al de nodige werkzaamheden hebben verricht als deelnemer aan het Europese proces.

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,

De volledige tekst hierboven is de officiële, gepubliceerde bekendmaking; de samenvatting bovenaan deze pagina is automatisch gegenereerd. Controleer voorwaarden, deadlines en subsidieplafonds altijd op de officiële pagina voordat u een aanvraag indient.