Officiële Bekendmakingen (KOOP)
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Aanpassing van de Subsidieregeling beproeven examenprogramma’s om een schrijffout te corrigeren.
Besluit:
De Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs wordt als volgt gewijzigd:AArtikel 5 komt te luiden:In afwijking van de paragrafen 2.13.1, 2.13.2 en 2.13.3, van bijlage 2, blijft paragraaf 2.13, van bijlage 2, zoals die luidde op 31 juli 2027, van toepassing op de leerlingen die op 1 augustus 2027 zijn toegelaten tot het derde jaar van het vmbo, met dien verstande dat het examen gebaseerd op paragraaf 2.13 voor de laatste maal wordt afgenomen in schooljaar 2028/2029.
Het schoolvak wiskunde, genoemd in de paragrafen 2.13,1, 2.13.2 en 2.13.3, bestaat uit verschillende domeinen. Het examenprogramma bestaat uit zeven domeinen:
domein A: Domeinonafhankelijke ondersteunende vaardigheden;
domein B: Verhoudingen en procenten;
domein C: Grootheden en eenheden;
domein D: Kwantitatieve informatie en kansen;
domein E: Verbanden, verschijningsvormen en vergelijkingen;
domein F: Twee- en driedimensionale ruimte; en
domein G: Wiskundige oriëntatie.
Per (sub)domein is aangegeven welk onderdeel terugkomt in het schoolexamen (SE) of het centraal examen (CE). Vervolgens volgen de eindtermen. Per eindterm zijn een doelzin, een uitwerking (‘Het gaat hierbij om’) en een illustratie (‘Te denken valt aan’) opgenomen. De doelzin en uitwerking behoren tot het wettelijk deel en zijn dus verplicht; de illustraties behoren tot het niet-wettelijke deel en zijn ter inspiratie. Bij de eindterm staat of het om een beheersingsdoel (B) of een ervaringsdoel (E) gaat.
2.Paragraaf 2.13 wordt vervangen door drie paragrafen, luidende:Het examenprogramma wiskunde vmbo gemengde en theoretische leerweg (gl/tl) omvat:
Het eindexamen
Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:
Domein A: Domeinonafhankelijke ondersteunende vaardigheden
Domein B: Verhoudingen en procenten
Domein C: Grootheden en eenheden
Domein D: Kwantitatieve informatie en kansen
Domein E: Verbanden, verschijningsvormen en vergelijkingen
Domein F: Twee- en driedimensionale ruimte
Domein G: Wiskundige oriëntatie
Het centraal examen en het schoolexamen
Het centraal examen en het schoolexamen hebben betrekking op de volgende domeinen:
Domeinindeling | Titel (sub)domein | Toewijzing SE | Toewijzing CE |
Domein A | Domeinonafhankelijke ondersteunende vaardigheden | ||
Subdomein A1 | Bewerking met getallen | x | x |
Subdomein A2: | Hulpmiddelen | x | x |
Domein B | Verhoudingen en procenten | ||
Subdomein B1 | Wiskundig probleemoplossen | x | |
Subdomein B2 | Rekenwiskundige handelingen | x | |
Subdomein B3 | Representeren en vaktaal | x | |
Subdomein B4 | Abstraheren | x | x |
Subdomein B5 | Wiskundig modelleren | x | |
Subdomein B6 | Wiskundig redeneren | x | |
Domein C | Grootheden en eenheden | ||
Subdomein C1 | Wiskundig probleemoplossen | x | |
Subdomein C2 | Rekenwiskundige handelingen | x | |
Subdomein C3 | Representeren en vaktaal | x | |
Subdomein C4 | Abstraheren | x | |
Subdomein C5 | Gereedschap gebruiken | x | x |
Domein D | Kwantitatieve informatie en kansen | ||
Subdomein D1 | Wiskundig probleemoplossen | x | |
Subdomein D2 | Rekenwiskundige handelingen | x | |
Subdomein D3 | Representeren en vaktaal | x | |
Subdomein D4 | Abstraheren | x | |
Subdomein D5 | Wiskundig modelleren | x | |
Subdomein D6 | Wiskundig redeneren | x | |
Domein E | Verbanden, verschijningsvormen en vergelijkingen | ||
Subdomein E1 | Wiskundig probleemoplossen | x | |
Subdomein E2 | Rekenwiskundige handelingen | x | |
Subdomein E3 | Representeren en vaktaal | x | |
Subdomein E4 | Abstraheren | x | |
Subdomein E5 | Wiskundig modelleren | x | |
Subdomein E6 | Wiskundig redeneren | x | |
Domein F | Twee- en driedimensionale ruimte | ||
Subdomein F1 | Wiskundig probleemoplossen | x | |
Subdomein F2 | Rekenwiskundige handelingen | x | |
Subdomein F3 | Representeren en vaktaal | x | |
Subdomein F4 | Abstraheren | x | |
Subdomein F5 | Wiskundig redeneren | x | |
Subdomein F6 | Gereedschap gebruiken | x | x |
Domein G | Wiskundige oriëntatie | ||
Subdomein G1 | Wiskundige houding | x | |
Subdomein G2 | Verbindende vaardigheden | x | x |
Subdomein G3 | Geïntegreerde wiskundige activiteiten | x | |
Subdomein G4 | Loopbaanontwikkeling | x |
Eindtermen
Eindterm 1: De leerling rekent met gehele en decimale getallen en breuken en rondt getallen af. (B) |
Het gaat hierbij om: • optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, machtsverheffen en worteltrekken van gehele en decimale getallen en met het getal ϖ; • optellen, aftrekken en vermenigvuldigen van breuken die op verschillende visuele wijzen voorgesteld kunnen worden; • omzetten van een breuk in een decimaal getal en omgekeerd; • vooraf schatten van uitkomsten; • rekenen met grote en kleine getallen in de wetenschappelijke notatie; • wiskundig afronden van getallen op een gegeven aantal decimalen en op een veelvoud van machten van tien; • situationeel afronden van getallen. |
Eindterm 2: De leerling gebruikt hulpmiddelen. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van een rekenmachine; • gebruiken van digitale hulpmiddelen; • gebruiken van een formulekaart met relevante formules; • afzien van tussentijdse afrondingen bij gecombineerde berekeningen, tenzij de situatie daar om vraagt. |
Eindterm 3: De leerling lost in een concrete situatie een probleem op waarin verhoudingen, procenten en/of schaal een rol spelen. (B) |
Eindterm 4: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met verhoudingen, procenten en schaal. (B) |
Het gaat hierbij om: • vergelijken van verhoudingen met elkaar; • bepalen van deel, geheel of percentage als twee van de drie gegeven zijn; • omrekenen tussen procenten, breuken, decimale getallen; • berekeningen met schaal uitvoeren; • een deel nemen van een geheel; • uitrekenen welk deel een getal is van een ander getal. |
Eindterm 5: De leerling geeft een verhouding in taal en teken weer. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van verhoudingstaal en verhoudingsnotatie; • gebruiken van procentteken; • gebruiken van breuknotatie; • gebruiken van schaalnotatie en schaallijn; • noteren van een groeifactor. |
Eindterm 6: De leerling identificeert en geeft betekenis aan verhoudingen, procenten en schaal. (B) |
Het gaat hierbij om: • herkennen en beschrijven van verschijningsvormen van verhoudingen; • onderscheiden van verhoudingen en niet-verhoudingen; • verbanden leggen tussen verhoudingen en samengestelde grootheden, omrekening van valuta, gelijkvormigheid, evenredige verbanden, cirkeldiagrammen en kansen; • uitleggen wat verhoudingen, procenten en schaal betekenen. |
Eindterm 7: De leerling geeft een verhoudingssituatie weer door middel van een verhoudingsfactor en een formule. (B) |
Eindterm 8: De leerling toont bewerkingen over verhoudingen en procenten aan of weerlegt ze. (B) |
Eindterm 9: De leerling lost in een concrete situatie een probleem op waarin grootheden, maten, aantallen, eenheden en/of hun representaties een rol spelen. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van grootheden en eenheden bij probleemsituaties in de meetkunde; • gebruiken van grootheden en eenheden bij probleemsituaties met verhoudingen. |
Eindterm 10: De leerling lost in een concrete situatie een probleem op met behulp van benaderingen, referentiematen en/of referentieaantallen. (B) |
Het gaat hierbij om: • kiezen van gepaste referentiematen en -aantallen; • benaderen van een waarde met referentiematen en -aantallen. |
Eindterm 11: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met maten. (B) |
Het gaat hierbij om: • berekeningen uitvoeren met enkelvoudige en samengestelde grootheden; • omrekenen van enkelvoudige en samengestelde meeteenheden. |
Eindterm 12: De leerling kiest in concrete situaties passende eenheden en voorvoegsels en geeft een maat met de gekozen eenheid weer. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van meter (m), vierkante meter (m²), kubieke meter (m³), liter (l), gram (g), byte (B); • gebruiken van de voorvoegsels micro, milli, centi, deci, hecto, kilo, mega, giga, tera; • gebruiken van de symbolen °, °C, € en symbolen voor vreemde valuta; • gebruiken van de tijdsaanduidingen seconde (s), minuut, uur (u), dag, week, maand, kwartaal, jaar; • gebruiken van de begrippen hectare als oppervlaktemaat, ton in geld en ton in gewicht (massa). |
Eindterm 13: De leerling geeft betekenis aan gangbare grootheden en eenheden. (B) |
Het gaat hierbij om: • uitleggen of het gaat over lengte, oppervlakte, inhoud, tijd, geld, gewicht (massa), temperatuur, geheugenomvang of een hoek; • uitleggen van omrekenfactoren. |
Eindterm 14: De leerling gebruikt meetinstrumenten. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van gangbare meetinstrumenten voor het meten van lengte, inhoud, tijdsduur, snelheid, gewicht (massa) en temperatuur; • gebruiken van minder gangbare meetinstrumenten; • schatten van de orde van grootte van een meetwaarde. |
Eindterm 15: De leerling lost een probleem op waarin data en/of hun grafische representaties een rol spelen. (B) |
Het gaat hierbij om: • beoordelen of de onderzoeksvraag aansluit bij de gegeven data; • benoemen welke gegevens relevant zijn voor de onderzoeksvraag; • beantwoorden van onderzoeksvragen; • inzicht tonen in het feit dat een grotere steekproef een betere inschatting van de werkelijkheid geeft. |
Eindterm 16: De leerling lost een kansprobleem op. (B) |
Eindterm 17: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met univariate en bivariate data. (B) |
Het gaat hierbij om: • aflezen van informatie uit verschillende diagrammen die univariate of bivariate data weergeven; • berekenen van het rekenkundig gemiddelde, de mediaan, de spreidingsbreedte, de kwartielen en de interkwartielafstand; • bepalen van de modus, minimum- en maximumwaarde. |
Eindterm 18: De leerling berekent kansen met behulp van een boom- of wegendiagram. (B) |
Het gaat hierbij om: • berekenen van de kans bij een pad bestaande uit meerdere takken of wegen. |
Eindterm 19: De leerling geeft in een concrete situatie een of meerdere datasets met behulp van ICT grafisch weer. (B) |
Het gaat hierbij om: • weergeven van één of meerdere univariate datasets en van één bivariate dataset; • beredeneerd kiezen voor een diagram; • beredeneerd kiezen hoe je twee of meer datasets wilt weergeven; • labelen van de onderdelen van een diagram. |
Eindterm 20: De leerling geeft in een concrete situatie een kans in taal en teken weer. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van de spreek- en schrijfwijze met 'op'; • gebruiken van een percentage bij het weergeven van een kans; • gebruiken van een breuk bij het weergeven van een kans. |
Eindterm 21: De leerling identificeert en geeft betekenis aan centrum- en spreidingsmaten, trends en gangbare grafische representaties van data in concrete situaties. (B) |
Het gaat hierbij om: • herkennen en beschrijven van modus, minimum- en maximumwaarde, gemiddelde, mediaan, kwartielen, spreidingsbreedte en interkwartielafstand; • conclusies trekken en beoordelen in hoeverre door anderen getrokken conclusies correct zijn; • blootleggen van misleiding; • uitleggen wat centrum- en spreidingsmaten van data zeggen over de situatie; • uitleggen of er een trend zichtbaar is. |
Eindterm 22: De leerling geeft een kanssituatie weer met een boom- of wegendiagram. (B) |
Het gaat hierbij om: • schetsen van een boom- of wegendiagram waarbij de takken per niveau gelijke kansen voorstellen. |
Eindterm 23: De leerling geeft in een concrete situatie betekenis aan kansen. (B) |
Het gaat hierbij om: • uitleggen wat de kans is in een situatie; • uitleggen wanneer kansen gelijk of niet gelijk zijn. |
Eindterm 24: De leerling lost een probleem op waarin tabellen, grafieken, formules en/of vergelijkingen een rol spelen. (B) |
Eindterm 25: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met tabellen en grafieken. (B) |
Het gaat hierbij om: • aflezen van een grafiek, ook met een zaagtand in een as; • uitvoeren van een lineaire interpolatie en een lineaire extrapolatie; • tekenen van een grafiek aan de hand van een tabel; • tekenen van de grafiek van een lineair verband aan de hand van een gegeven punt en een geheeltallige of gebroken richtingscoëfficiënt; • bepalen van het startgetal en de richtingscoëfficiënt bij een lineair verband, de groeifactor bij een exponentieel verband, en de amplitude, periode en frequentie bij een periodiek verband. |
Eindterm 26: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met formules. (B) |
Het gaat hierbij om: • tekenen van een grafiek aan de hand van een formule; • berekenen van de waarde van de uitkomst met een formule als die van de andere variabelen gegeven is; • oplossen van een vergelijking door middel van inklemmen; • algebraïsch oplossen van lineaire, kwadratische en wortelvergelijkingen; • samennemen van gelijksoortige termen; • bepalen van de waarde van een variabele bij een omgekeerd evenredig verband. |
Eindterm 27: De leerling gebruikt vaktaal voor representaties en het veranderingsgedrag van verbanden en standaardverbanden. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van de begrippen assenstelsel, horizontale en verticale as, oorsprong, coördinaat, schaalverdeling, zaagtand, variabele, snijpunt, algebraïsch oplossen, formule; • gebruiken van de begrippen stijgen, dalen, constant, minimum, maximum; • gebruiken van de begrippen lineair, evenredig, omgekeerd evenredig, exponentieel, kwadratisch, wortel- en periodiek verband; • gebruiken van de begrippen richtingscoëfficiënt, startgetal, groeifactor, periode, amplitude, frequentie. |
Eindterm 28: De leerling identificeert patronen en verbanden in een situatie. (B) |
Het gaat hierbij om: • herkennen en benoemen van grootheden die in een concrete situatie met elkaar in verband staan; • herkennen en benoemen van een patroon in een rij getallen; • herkennen en benoemen van een lineair, evenredig, omgekeerd evenredig, kwadratisch en exponentieel verband en van een wortelverband aan de hand van een formule; • herkennen en benoemen van een lineair en periodiek verband aan de hand van een grafiek. |
Eindterm 29: De leerling geeft betekenis aan tabellen, grafieken, formules en verbanden. (B) |
Het gaat hierbij om: • uitleggen van het veranderingsgedrag, de veranderingssnelheid, het asymptotisch gedrag en de extreme waarden van een verband in een concrete situatie; • onderscheiden van lineaire verbanden en niet-lineaire verbanden in een concrete situatie. |
Eindterm 30: De leerling geeft een concrete situatie weer als een verband of een vergelijking met behulp van een tabel, een grafiek en een formule. (B) |
Het gaat hierbij om: • weergeven van een tabel en een grafiek bij een verband; • opstellen van een formule met lettervariabelen bij een lineair verband en bij een exponentieel verband; • opstellen van een lineaire vergelijking; • opstellen van een lineaire, wortel- en kwadratische vergelijking wanneer een verband met een formule weergegeven is; • verticaal verschuiven van grafieken. |
Eindterm 31: De leerling toont aan de hand van een grafiek of formule een bewering over een verband aan. (B) |
Eindterm 32: De leerling lost een probleem op met hoeken en/of met de omtrek, oppervlakte en/of inhoud van meetkundige figuren. (B) |
Eindterm 33: De leerling lost een probleem op met routes en kijklijnen. (B) |
Eindterm 34: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met afmetingen, omtrek, oppervlakte, inhoud en meetkundige plaatsbepaling en gebruikt daarbij een formulekaart met relevante formules. (B) |
Het gaat hierbij om: • afleiden van een ontbrekende afmeting uit andere afmetingen in een tekening; • berekenen van de omtrek van rechthoeken en cirkels; • berekenen van de oppervlakte van rechthoeken, driehoeken, cirkels en balken; • berekenen van de inhoud van balken, piramiden, cilinders, prisma’s, kegels en bollen; • bepalen van een punt dat door coördinaten is gegeven, zowel bij cartesische coördinaten in twee en drie dimensies als bij niet- cartesische coördinaten; • bepalen van de coördinaten van een gegeven punt, zowel bij cartesische coördinaten in twee en drie dimensies als bij niet- cartesische coördinaten. |
Eindterm 35: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met lengten van zijdes van driehoeken en met hoeken. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruikmaken van de hoeksomeigenschap van driehoeken en vierhoeken; • gebruikmaken van eigenschappen van snijhoeken bij evenwijdige en snijdende lijnen; • toepassen van de stelling van Pythagoras in vlakke en ruimtefiguren; • berekenen van hoeken en lengtematen met behulp van goniometrische verhoudingen. |
Eindterm 36: De leerling geeft driedimensionale objecten op een tweedimensionale manier weer. (B) |
Het gaat hierbij om: • tekenen van een aanzicht; • tekenen van een uitslag van een ruimtefiguur; • tekenen van een doorsnede van een ruimtefiguur. |
Eindterm 37: De leerling gebruikt de namen, begrippen en symbolen van en bij meetkundige vormen. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van de begrippen vierkanten, rechthoeken, driehoeken, cirkels, kubussen, balken, piramiden, cilinders, kegels, bollen, parallellogrammen, prisma’s en combinaties van ruimtelijke vormen; • gebruiken van de begrippen hoeken, loodrecht en haaks en van rechtehoektekens; • gebruiken van tekens om hoeken van gelijke grootte en tekens om zijden van gelijke lengte aan te geven; • gebruiken van de begrippen lijnsymmetrie, draaisymmetrie, symmetrieas en evenwijdig, en van het symbool //; • gebruiken van de begrippen hoekpunt, zijde, diagonaal, middelpunt, straal, diameter, ribbe, zijvlak, grondvlak en lichaamsdiagonaal; • gebruiken van het begrip vergrotingsfactor. |
Eindterm 38: De leerling identificeert en geeft betekenis aan meetkundige grootheden, constructies, eigenschappen en plaatsbepaling. (B) |
Het gaat hierbij om: • koppelen van aanzichten en uitslagen aan een driedimensionale weergave; • bepalen welk van de grootheden omtrek, oppervlakte en inhoud bij een situatie past; • herkennen en benoemen van meetkundige figuren, ook aan de hand van hun eigenschappen; • herkennen en benoemen van lijn- en draaisymmetrie; • interpreteren van hoogtekaarten. |
Eindterm 39: De leerling maakt beweringen aannemelijk over meetkundige figuren en hun afmetingen, omtrek, oppervlakte of inhoud. (B) |
Het gaat hierbij om: • redeneren over meetkundige figuren aan de hand van hun eigenschappen; • redeneren over het effect van het vergroten of verkleinen van de afmetingen van een figuur op de omtrek, oppervlakte en inhoud. |
Eindterm 40: De leerling gebruikt meetinstrumenten voor het meten en tekenen van hoeken. (B) |
Het gaat hierbij om: • schatten van de orde van de grootte van een hoek voorafgaand aan het meten en tekenen; • meten en tekenen van een hoek met behulp van een koershoekmeter of een geodriehoek. |
Eindterm 41: De leerling werkt aan de ontwikkeling van een wiskundige houding. (E) |
Het gaat hierbij om: • kennismaken met het nut en de kracht van wiskunde in uiteenlopende toepassingen; • verkennen van de eigen onderzoekende en kritische houding ten aanzien van wiskundige informatie; • reflecteren op eigen en andermans wiskundig handelen; • deelnemen aan activiteiten gerelateerd aan het schoolvak wiskunde. |
Eindterm 42: De leerling gebruikt wiskundige denk-werkwijzen bij de ontwikkeling van algemene vaardigheden. (B) |
Het gaat hierbij om: • communiceren over een oplossingswijze, redenering of uitleg ten behoeve van de ontwikkeling van sociaal handelingsvermogen; • wiskundig probleemoplossen, abstraheren, modelleren en redeneren ten behoeve van de ontwikkeling van analytisch denkvermogen; • wiskundig probleemoplossen, modelleren en redeneren ten behoeve van de ontwikkeling van kritisch en creatief denkvermogen; • wiskundig redeneren als onderzoeksvaardigheid; • wiskundig modelleren als ontwerpvaardigheid. |
Eindterm 43: De leerling herkent en gebruikt wiskunde in dagelijkse, maatschappelijke en onderwijsgerichte situaties. (E) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van wiskundige concepten in onderlinge samenhang; • gebruikmaken van wiskunde in andere vakken; • toepassen van wiskundige denk-werkwijzen; • adequaat en autonoom omgaan met de kwantitatieve kant van de wereld; • wiskunde gebruiken bij het nemen van beslissingen en het oplossen van problemen. |
Eindterm 44: De leerling legt verbanden tussen ervaringen, persoonlijke interesses en kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst. (E) |
Het gaat hierbij om: • verkennen van de plaats en functie van wiskunde in de samenleving; • oriënteren op sectoren, beroepen en vervolgopleidingen waarin de kennis en vaardigheden van het schoolvak wiskunde relevant zijn; • verwoorden van de eigen kwaliteiten en interesses passend bij het schoolvak wiskunde; • reflecteren op opgedane ervaringen in het kader van oriëntatie op studie en werk. |
Het examenprogramma wiskunde vmbo kaderberoepsgerichte leerweg (kb) omvat:
Het eindexamen
Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:
Domein A: Domeinonafhankelijke ondersteunende vaardigheden
Domein B: Verhoudingen en procenten
Domein C: Grootheden en eenheden
Domein D: Kwantitatieve informatie en kansen
Domein E: Verbanden, verschijningsvormen en vergelijkingen
Domein F: Twee- en driedimensionale ruimte
Domein G: Wiskundige oriëntatie
Het centraal examen en het schoolexamen
Het centraal examen en het schoolexamen hebben betrekking op de volgende domeinen:
Domeinindeling | Titel (sub)domein | Toewijzing SE | Toewijzing CE |
Domein A | Domeinonafhankelijke ondersteunende vaardigheden | ||
Subdomein A1 | Bewerking met getallen | x | x |
Subdomein A2: | Hulpmiddelen | x | x |
Domein B | Verhoudingen en procenten | ||
Subdomein B1 | Wiskundig probleemoplossen | x | |
Subdomein B2 | Rekenwiskundige handelingen | x | |
Subdomein B3 | Representeren en vaktaal | x | |
Subdomein B4 | Abstraheren | x | x |
Subdomein B5 | Wiskundig modelleren | x | |
Domein C | Grootheden en eenheden | ||
Subdomein C1 | Wiskundig probleemoplossen | x | |
Subdomein C2 | Rekenwiskundige handelingen | x | |
Subdomein C3 | Representeren en vaktaal | x | |
Subdomein C4 | Abstraheren | x | |
Subdomein C5 | Gereedschap gebruiken | x | x |
Domein D | Kwantitatieve informatie en kansen | ||
Subdomein D1 | Wiskundig probleemoplossen | x | |
Subdomein D2 | Rekenwiskundige handelingen | x | |
Subdomein D3 | Representeren en vaktaal | x | |
Subdomein D4 | Abstraheren | x | |
Subdomein D5 | Wiskundig redeneren | x | |
Domein E | Verbanden, verschijningsvormen en vergelijkingen | ||
Subdomein E1 | Wiskundig probleemoplossen | x | |
Subdomein E2 | Rekenwiskundige handelingen | x | |
Subdomein E3 | Representeren en vaktaal | x | |
Subdomein E4 | Abstraheren | x | |
Subdomein E5 | Wiskundig modelleren | x | |
Subdomein E6 | Wiskundig redeneren | x | |
Domein F | Twee- en driedimensionale ruimte | ||
Subdomein F1 | Wiskundig probleemoplossen | x | |
Subdomein F2 | Rekenwiskundige handelingen | x | |
Subdomein F3 | Representeren en vaktaal | x | |
Subdomein F4 | Abstraheren | x | |
Subdomein F5 | Wiskundig redeneren | x | |
Subdomein F6 | Gereedschap gebruiken | x | x |
Domein G | Wiskundige oriëntatie | ||
Subdomein G1 | Wiskundige houding | x | |
Subdomein G2 | Verbindende vaardigheden | x | x |
Subdomein G3 | Geïntegreerde wiskundige activiteiten | x | |
Subdomein G4 | Loopbaanontwikkeling | x |
Eindtermen
Eindterm 1: De leerling rekent met gehele en decimale getallen en breuken en rondt getallen af. (B) |
Het gaat hierbij om: • optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, machtsverheffen en worteltrekken van gehele en decimale getallen en met het getal ϖ; • optellen, aftrekken en vermenigvuldigen van breuken die op verschillende visuele wijzen voorgesteld kunnen worden; • omzetten van een breuk in een decimaal getal en omgekeerd; • lezen en weergeven van grote getallen in de wetenschappelijke notatie; • vooraf schatten van uitkomsten; • wiskundig afronden van getallen op een gegeven aantal decimalen en op een veelvoud van machten van tien; • situationeel afronden van getallen. |
Eindterm 2: De leerling gebruikt hulpmiddelen |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van een rekenmachine; • gebruiken van digitale hulpmiddelen; • gebruiken van een formulekaart met relevante formules; • afzien van tussentijdse afrondingen bij gecombineerde berekeningen, tenzij de situatie daar om vraagt. |
Eindterm 3: De leerling lost in een concrete situatie een probleem op waarin verhoudingen, procenten en/of schaal een rol spelen. (B) |
Eindterm 4: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met verhoudingen, procenten en schaal. (B) |
Het gaat hierbij om: • vergelijken van verhoudingen met elkaar; • bepalen van deel, geheel of percentage als twee van de drie gegeven zijn; • omrekenen tussen procenten, breuken en decimale getallen; • berekeningen met schaal uitvoeren; • een deel nemen van een geheel; • uitrekenen welk deel een getal is van een ander getal. |
Eindterm 5: De leerling geeft een verhouding in taal en teken weer. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van verhoudingstaal; • gebruiken van het procentteken; • gebruiken van breuknotatie; • gebruiken van schaalnotatie en schaallijn. |
Eindterm 6: De leerling identificeert en geeft betekenis aan verhoudingen, procenten en schaal. (B) |
Het gaat hierbij om: • herkennen en beschrijven van verschijningsvormen van verhoudingen; • onderscheiden van verhoudingen en niet-verhoudingen; • verbanden leggen tussen verhoudingen en samengestelde grootheden, omrekening van valuta, gelijkvormigheid, evenredige verbanden, cirkeldiagrammen en kansen; • uitleggen wat verhoudingen, procenten en schaal betekenen. |
Eindterm 7: De leerling geeft een verhoudingssituatie weer door middel van een verhoudingsfactor. (B) |
Eindterm 8: De leerling lost in een concrete situatie een probleem op waarin grootheden, maten, aantallen, eenheden en/of hun representaties een rol spelen. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van grootheden en eenheden bij probleemsituaties in de meetkunde; • gebruiken van grootheden en eenheden bij probleemsituaties met verhoudingen. |
Eindterm 9: De leerling lost in een concrete situatie een probleem op met behulp van benaderingen, referentiematen en/of referentieaantallen. (B) |
Het gaat hierbij om: • kiezen van gepaste referentiematen en -aantallen; • benaderen van een waarde met referentiematen en -aantallen. |
Eindterm 10: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met maten. (B) |
Het gaat hierbij om: • berekeningen uitvoeren met enkelvoudige en samengestelde grootheden; • omrekenen van enkelvoudige en samengestelde meeteenheden waarbij de schaalfactor ten hoogste 1000 is. |
Eindterm 11: De leerling kiest in concrete situaties passende eenheden en voorvoegsels en geeft een maat met de gekozen eenheid weer. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van meter (m), vierkante meter (m²), kubieke meter (m³), liter (l), gram (g), byte (B); • gebruiken van de voorvoegsels milli, centi, deci, kilo, mega, giga, tera; • gebruiken van de symbolen °, °C, € en symbolen voor vreemde valuta; • gebruiken van de tijdsaanduidingen seconde (s), minuut, uur (u), dag, week, maand, kwartaal, jaar; • gebruiken van de begrippen hectare als oppervlaktemaat, ton in geld en ton in gewicht (massa). |
Eindterm 12: De leerling geeft in concrete situaties betekenis aan gangbare grootheden en eenheden. (B) |
Het gaat hierbij om: • uitleggen in een concrete situatie of het gaat over lengte, oppervlakte, inhoud, tijd, geld, gewicht (massa), temperatuur, geheugenomvang of een hoek. |
Eindterm 13: De leerling gebruikt meetinstrumenten. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van gangbare meetinstrumenten voor het meten van lengte, inhoud, tijdsduur, snelheid, gewicht (massa) en temperatuur; • schatten van de orde van grootte van een meetwaarde. |
Eindterm 14: De leerling lost in een concrete situatie een probleem op waarin data en/of hun grafische representaties een rol spelen. (B) |
Het gaat hierbij om: • beoordelen of de onderzoeksvraag aansluit bij de gegeven data; • benoemen welke gegevens relevant zijn voor de onderzoeksvraag; • beantwoorden van onderzoeksvragen. |
Eindterm 15: De leerling lost een kansprobleem op. (B) |
Eindterm 16: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met univariate data. (B) |
Het gaat hierbij om: • aflezen van informatie uit verschillende diagrammen die univariate data weergeven; • berekenen van het rekenkundig gemiddelde en de mediaan; • bepalen van de modus, minimum- en maximumwaarde. |
Eindterm 17: De leerling geeft in een concrete situatie een of meerdere datasets met behulp van ICT grafisch weer. (B) |
Het gaat hierbij om: • weergeven van één of meerdere univariate datasets; • beredeneerd kiezen voor een diagram; • beredeneerd kiezen hoe je twee of meer datasets wilt weergeven; • labelen van de onderdelen van een diagram. |
Eindterm 18: De leerling geeft in een concrete situatie een kans in taal en teken weer. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van de spreek- en schrijfwijze met 'op'; • gebruiken van een percentage bij het weergeven van een kans; • gebruiken van een breuk bij het weergeven van een kans. |
Eindterm 19: De leerling identificeert en geeft betekenis aan centrum- en spreidingsmaten, trends en gangbare grafische representaties van data in concrete situaties. (B) |
Het gaat hierbij om: • herkennen en beschrijven van modus, minimum- en maximumwaarde, gemiddelde en mediaan; • conclusies trekken en beoordelen in hoeverre door anderen getrokken conclusies correct zijn; • blootleggen van misleiding; • uitleggen wat centrum- en spreidingsmaten van data zeggen over de situatie; • uitleggen of er een trend zichtbaar is. |
Eindterm 20: De leerling geeft in een concrete situatie betekenis aan kansen. (B) |
Het gaat hierbij om: • uitleggen wat de kans is in een situatie; • uitleggen wanneer kansen gelijk of niet gelijk zijn. |
Eindterm 21: De leerling lost een probleem op waarin tabellen, grafieken, formules en/of vergelijkingen een rol spelen. (B) |
Eindterm 22: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met tabellen en grafieken. (B) |
Het gaat hierbij om: • aflezen van een grafiek, ook met een zaagtand in een as; • uitvoeren van een lineaire interpolatie en een lineaire extrapolatie; • tekenen van een grafiek aan de hand van een tabel; • tekenen van de grafiek van een lineair verband aan de hand van een gegeven punt en een geheeltallig hellingsgetal; • bepalen van het startgetal en hellingsgetal bij een lineair verband, de groeifactor bij een exponentieel verband, en de periode en frequentie bij een periodiek verband. |
Eindterm 23: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met formules. (B) |
Het gaat hierbij om: • tekenen van een grafiek aan de hand van een formule; • berekenen van de waarde van de uitkomst met een formule als die van de andere variabele gegeven is; • oplossen van een vergelijking door middel van inklemmen en gericht proberen. |
Eindterm 24: De leerling gebruikt vaktaal voor representaties en het veranderingsgedrag van verbanden en standaardverbanden. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van de begrippen assenstelsel, horizontale en verticale as, oorsprong, coördinaat, schaalverdeling, zaagtand, formule; • gebruiken van de begrippen stijgen, dalen, constant, minimum, maximum; • gebruiken van de begrippen lineair, evenredig, exponentieel, kwadratisch, wortel- en periodiek verband; • gebruiken van de begrippen hellingsgetal, startgetal, groeifactor, periode, frequentie. |
Eindterm 25: De leerling identificeert patronen en verbanden in een situatie. (B) |
Het gaat hierbij om: • herkennen en benoemen van grootheden die in een concrete situatie met elkaar in verband staan; • herkennen en benoemen van een lineair patroon en een exponentieel patroon in een rij getallen; • herkennen en benoemen van een lineair, evenredig en kwadratisch verband en van een wortelverband aan de hand van een formule; • herkennen en benoemen van een lineair en periodiek verband aan de hand van een grafiek. |
Eindterm 26: De leerling geeft betekenis aan tabellen, grafieken, formules en verbanden. (B) |
Het gaat hierbij om: • uitleggen van het veranderingsgedrag, de veranderingssnelheid en de extreme waarden van een verband in een concrete situatie; • onderscheiden van lineaire verbanden en niet-lineaire verbanden in een concrete situatie. |
Eindterm 27: De leerling geeft een concrete situatie weer als een verband met behulp van een tabel, een grafiek en een formule. (B) |
Het gaat hierbij om: • weergeven van een tabel en een grafiek bij een verband; • opstellen van een formule met betekenisvolle lettervariabelen bij een lineair verband; • verticaal verschuiven van grafieken. |
Eindterm 28: De leerling toont aan de hand van een grafiek een bewering over een verband aan. (B) |
Eindterm 29: De leerling lost een probleem op met hoeken en/of met de omtrek, oppervlakte en/of inhoud van meetkundige figuren. (B) |
Eindterm 30: De leerling lost een probleem op met routes en kijklijnen. (B) |
Eindterm 31: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met afmetingen, omtrek, oppervlakte, inhoud en meetkundige plaatsbepaling en gebruikt daarbij een formulekaart met relevante formules. (B) |
Het gaat hierbij om: • afleiden van een ontbrekende afmeting uit andere afmetingen in een tekening; • berekenen van de omtrek van rechthoeken en cirkels; • berekenen van de oppervlakte van rechthoeken, driehoeken, cirkels en balken; • berekenen van de inhoud van balken, piramiden, cilinders en prisma’s; • bepalen van een punt dat door coördinaten is gegeven, zowel bij cartesische coördinaten in twee dimensies als bij niet-cartesische coördinaten; • bepalen van de coördinaten van een gegeven punt, zowel bij cartesische coördinaten in twee dimensies als bij niet-cartesische coördinaten. |
Eindterm 32: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met lengten van zijdes van driehoeken en met hoeken. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruikmaken van de hoeksomeigenschap van driehoeken en vierhoeken; • gebruikmaken van eigenschappen van snijhoeken bij evenwijdige en snijdende lijnen; • toepassen van de stelling van Pythagoras in vlakke figuren; • berekenen van hoeken met behulp van goniometrische verhoudingen. |
Eindterm 33: De leerling geeft driedimensionale objecten op een tweedimensionale manier weer. (B) |
Het gaat hierbij om: • tekenen van een aanzicht; • tekenen van een uitslag van een veelvlak; • tekenen van een doorsnede van een veelvlak. |
Eindterm 34: De leerling gebruikt de namen, begrippen en symbolen van en bij meetkundige vormen. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van de begrippen vierkanten, rechthoeken, driehoeken, cirkels, kubussen, balken, piramiden, cilinders, bollen, parallellogrammen en prisma’s; • gebruiken van de begrippen hoeken, loodrecht en haaks en van rechtehoektekens; • gebruiken van tekens om hoeken van gelijke grootte en tekens om zijden van gelijke lengte aan te geven; • gebruiken van de begrippen lijnsymmetrie, symmetrieas en evenwijdig; • gebruiken van de begrippen hoekpunt, zijde, diagonaal, middelpunt, straal, diameter, ribbe, zijvlak, grondvlak en lichaamsdiagonaal; • gebruiken van het begrip vergrotingsfactor. |
Eindterm 35: De leerling identificeert en geeft betekenis aan meetkundige grootheden, constructies, eigenschappen en plaatsbepaling. (B) |
Het gaat hierbij om: • koppelen van aanzichten en uitslagen aan een driedimensionale weergave; • bepalen welk van de grootheden omtrek, oppervlakte en inhoud bij een situatie past; • herkennen en benoemen van meetkundige figuren, ook aan de hand van hun eigenschappen; • herkennen en benoemen van lijnsymmetrie; • interpreteren van hoogtekaarten. |
Eindterm 36: De leerling maakt beweringen aannemelijk over meetkundige figuren en hun afmetingen of omtrek. (B) |
Het gaat hierbij om: • redeneren over meetkundige figuren aan de hand van hun eigenschappen; • redeneren over het effect van het vergroten of verkleinen van de afmetingen van een figuur op de omtrek. |
Eindterm 37: De leerling gebruikt meetinstrumenten voor het meten en tekenen van hoeken. (B) |
Het gaat hierbij om: • schatten van de orde van de grootte van een hoek voorafgaand aan het meten en tekenen; • meten en tekenen van een hoek met behulp van een koershoekmeter of een geodriehoek. |
Eindterm 38: De leerling werkt aan de ontwikkeling van een wiskundige houding. (E) |
Het gaat hierbij om: • kennismaken met het nut en de kracht van wiskunde in uiteenlopende toepassingen; • verkennen van de eigen onderzoekende en kritische houding ten aanzien van wiskundige informatie; • reflecteren op eigen en andermans wiskundig handelen; • deelnemen aan activiteiten gerelateerd aan het schoolvak wiskunde. |
Eindterm 39: De leerling gebruikt wiskundige denk-werkwijzen bij de ontwikkeling van algemene vaardigheden. (B) |
Het gaat hierbij om: • communiceren over een oplossingswijze, redenering of uitleg ten behoeve van de ontwikkeling van sociaal handelingsvermogen; • wiskundig probleemoplossen, abstraheren, modelleren en redeneren ten behoeve van de ontwikkeling van analytisch denkvermogen; • wiskundig probleemoplossen, modelleren en redeneren ten behoeve van de ontwikkeling van kritisch en creatief denkvermogen; • wiskundig redeneren als onderzoeksvaardigheid; • wiskundig modelleren als ontwerpvaardigheid. |
Eindterm 40: De leerling herkent en gebruikt wiskunde in dagelijkse, maatschappelijke en onderwijsgerichte situaties. (E) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van wiskundige concepten in onderlinge samenhang; • gebruikmaken van wiskunde in andere vakken; • toepassen van wiskundige denk-werkwijzen; • adequaat en autonoom omgaan met de kwantitatieve kant van de wereld; • wiskunde gebruiken bij het nemen van beslissingen en het oplossen van problemen. |
Eindterm 41: De leerling legt verbanden tussen ervaringen, persoonlijke interesses en kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst. (E) |
Het gaat hierbij om: • verkennen van de plaats en functie van wiskunde in de samenleving; • oriënteren op sectoren, beroepen en vervolgopleidingen waarin de kennis en vaardigheden van het schoolvak wiskunde relevant zijn; • verwoorden van de eigen kwaliteiten en interesses passend bij het schoolvak wiskunde; • reflecteren op opgedane ervaringen in het kader van oriëntatie op studie en werk. |
Het examenprogramma wiskunde vmbo basisberoepsgerichte leerweg (bb) omvat:
Het eindexamen
Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:
Domein A: Domeinonafhankelijke ondersteunende vaardigheden
Domein B: Verhoudingen en procenten
Domein C: Grootheden en eenheden
Domein D: Kwantitatieve informatie en kansen
Domein E: Verbanden, verschijningsvormen en vergelijkingen
Domein F: Twee- en driedimensionale ruimte
Domein G: Wiskundige oriëntatie
Het centraal examen en het schoolexamen
Het centraal examen en het schoolexamen hebben betrekking op de volgende domeinen:
Domeinindeling | Titel (sub)domein | Toewijzing SE | Toewijzing CE |
Domein A | Domeinonafhankelijke ondersteunende vaardigheden | ||
Subdomein A1 | Bewerking met getallen | x | x |
Subdomein A2: | Hulpmiddelen | x | x |
Domein B | Verhoudingen en procenten | ||
Subdomein B1 | Wiskundig probleemoplossen | x | |
Subdomein B2 | Rekenwiskundige handelingen | x | |
Subdomein B3 | Representeren en vaktaal | x | |
Subdomein B4 | Abstraheren | x | x |
Domein C | Grootheden en eenheden | ||
Subdomein C1 | Wiskundig probleemoplossen | x | |
Subdomein C2 | Rekenwiskundige handelingen | x | |
Subdomein C3 | Representeren en vaktaal | x | |
Subdomein C4 | Abstraheren | x | |
Subdomein C5 | Gereedschap gebruiken | x | x |
Domein D | Kwantitatieve informatie en kansen | ||
Subdomein D1 | Wiskundig probleemoplossen | x | |
Subdomein D2 | Rekenwiskundige handelingen | x | |
Subdomein D3 | Representeren en vaktaal | x | |
Subdomein D4 | Abstraheren | x | |
Subdomein D5 | Wiskundig redeneren | x | |
Domein E | Verbanden, verschijningsvormen en vergelijkingen | ||
Subdomein E1 | Wiskundig probleemoplossen | x | |
Subdomein E2 | Rekenwiskundige handelingen | x | |
Subdomein E3 | Representeren en vaktaal | x | |
Subdomein E4 | Abstraheren | x | |
Subdomein E5 | Wiskundig modelleren | x | |
Subdomein E6 | Wiskundig redeneren | x | |
Domein F | Twee- en driedimensionale ruimte | ||
Subdomein F1 | Wiskundig probleemoplossen | x | |
Subdomein F2 | Rekenwiskundige handelingen | x | |
Subdomein F3 | Representeren en vaktaal | x | |
Subdomein F4 | Abstraheren | x | |
Subdomein F5 | Wiskundig redeneren | x | |
Subdomein F6 | Gereedschap gebruiken | x | x |
Domein G | Wiskundige oriëntatie | ||
Subdomein G1 | Wiskundige houding | x | |
Subdomein G2 | Verbindende vaardigheden | x | x |
Subdomein G3 | Geïntegreerde wiskundige activiteiten | x | |
Subdomein G4 | Loopbaanontwikkeling | x |
Eindtermen
Eindterm 1: De leerling rekent met gehele en decimale getallen en rondt getallen af. (B) |
Het gaat hierbij om: • optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, kwadrateren en worteltrekken; • herkennen en benoemen van breuken die op eenvoudige visuele wijze voorgesteld kunnen worden; • een eenvoudige breuk in een decimaal getal omzetten en omgekeerd; • vooraf schatten van uitkomsten; • wiskundig afronden van getallen op een gegeven aantal decimalen en op een veelvoud van machten van tien; • situationeel afronden van getallen. |
Eindterm 2: De leerling gebruikt hulpmiddelen. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van een rekenmachine; • gebruiken van digitale hulpmiddelen; • gebruiken van een formulekaart met relevante formules. |
Eindterm 3: lost in een concrete situatie een probleem op waarin verhoudingen, procenten en/of schaal een rol spelen. (B) |
Eindterm 4: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met verhoudingen, procenten en schaal. (B) |
Het gaat hierbij om: • vergelijken van verhoudingen met elkaar; • berekenen hoeveel een bepaald percentage van iets is, en berekenen hoeveel procent iets van iets is; • omrekenen tussen procenten, breuken en decimale getallen; • berekeningen met schaal uitvoeren; • een deel nemen van een geheel; • uitrekenen welk deel een getal is van een ander getal. |
Eindterm 5: De leerling geeft een verhouding in taal en teken weer. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van verhoudingstaal; • gebruiken van het procentteken; • gebruiken van breuknotatie; • gebruiken van een schaallijn. |
Eindterm 6: De leerling identificeert en geeft betekenis aan verhoudingen, procenten en schaal in een concrete situatie. (B) |
Het gaat hierbij om: • herkennen en beschrijven van verschijningsvormen van verhoudingen; • onderscheiden van verhoudingen en niet-verhoudingen; • verbanden leggen tussen verhoudingen en samengestelde grootheden, evenredige verbanden en cirkeldiagrammen; • uitleggen wat verhoudingen, procenten en schaal betekenen. |
Eindterm 7: De leerling lost in een concrete situatie een probleem op waarin grootheden, maten, aantallen, eenheden en/of hun representaties een rol spelen. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van grootheden en eenheden bij probleemsituaties in de meetkunde; • gebruiken van grootheden en eenheden bij probleemsituaties met verhoudingen. |
Eindterm 8: De leerling lost in een concrete situatie een probleem op met behulp van benaderingen, referentiematen en/of referentieaantallen. (B) |
Het gaat hierbij om: • kiezen van gepaste referentiematen en -aantallen; • benaderen van een waarde met referentiematen en -aantallen. |
Eindterm 9: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met maten. (B) |
Het gaat hierbij om: • berekeningen uitvoeren met enkelvoudige en samengestelde grootheden; • omrekenen van enkelvoudige en samengestelde meeteenheden waarbij de schaalfactor ten hoogste 1000 is. |
Eindterm 10: De leerling kiest in concrete situaties gangbare eenheden en voorvoegsels en geeft een maat met de gekozen eenheid weer. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van meter (m), vierkante meter (m²), kubieke meter (m³), liter (l), gram (g), byte (B); • gebruiken van de voorvoegsels milli, centi, deci, kilo, mega, giga, tera; • gebruiken van de symbolen °, °C, €; • gebruiken van de tijdsaanduidingen seconde (s), minuut, uur (u), dag, week, maand, jaar; • gebruiken van de begrippen ton in geld en ton in gewicht (massa). |
Eindterm 11: De leerling geeft in concrete situaties betekenis aan gangbare grootheden en eenheden. (B) |
Het gaat hierbij om: • uitleggen in een concrete situatie of het gaat over lengte, oppervlakte, inhoud, tijd, geld, gewicht (massa), temperatuur, geheugenomvang of een hoek. |
Eindterm 12: De leerling gebruikt meetinstrumenten. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van gangbare meetinstrumenten voor het meten van lengte, inhoud, tijdsduur, snelheid, gewicht (massa) en temperatuur; • schatten van de orde van grootte van een meetwaarde. |
Eindterm 13: De leerling lost in een concrete situatie een probleem op waarin data en/of hun grafische representaties een rol spelen. (B) |
Het gaat hierbij om: • beoordelen of de onderzoeksvraag aansluit bij de gegeven data; • benoemen welke gegevens relevant zijn voor de onderzoeksvraag; • beantwoorden van onderzoeksvragen. |
Eindterm 14: De leerling lost een kansprobleem op. (B) |
Eindterm 15: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met een kleine hoeveelheid univariate data. (B) |
Het gaat hierbij om: • aflezen van informatie uit verschillende diagrammen die univariate data weergeven; • berekenen van het rekenkundig gemiddelde; • bepalen van de kleinste, de grootste en de meest voorkomende waarde. |
Eindterm 16: De leerling geeft in een concrete situatie een dataset met behulp van ICT grafisch weer. (B) |
Het gaat hierbij om: • weergeven van een univariate dataset; • beredeneerd kiezen voor een diagram; • labelen van de onderdelen van een diagram. |
Eindterm 17: De leerling geeft in een concrete situatie een kans in taal en teken weer. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van de spreek- en schrijfwijze met 'op'; • gebruiken van een percentage bij het weergeven van een kans; • gebruiken van een breuk bij het weergeven van een kans. |
Eindterm 18: De leerling geeft in concrete situaties betekenis aan gemiddelden en gangbare grafische representaties van data. (B) |
Het gaat hierbij om: • herkennen en beschrijven van kleinste, grootste, meest voorkomende waarde en gemiddelde; • conclusies trekken en beoordelen in hoeverre door anderen getrokken conclusies correct zijn; • blootleggen van misleiding. |
Eindterm 19: De leerling geeft in een concrete situatie betekenis aan kansen. (B) |
Het gaat hierbij om: • uitleggen wat de kans is in een situatie; • uitleggen wanneer kansen gelijk of niet gelijk zijn. |
Eindterm 20: De leerling lost in een concrete situatie een probleem op waarin tabellen, grafieken en/of woordformules een rol spelen. (B) |
Eindterm 21: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met tabellen en grafieken. (B) |
Het gaat hierbij om: • aflezen van een grafiek, ook met een zaagtand in een as; • uitvoeren van een lineaire extrapolatie; • tekenen van een grafiek aan de hand van een tabel. |
Eindterm 22: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met woordformules. (B) |
Het gaat hierbij om: • tekenen van een grafiek aan de hand van een woordformule; • berekenen van de waarde van de uitkomst met een woordformule als die van de andere variabele gegeven is; • oplossen van een vergelijking door middel van inklemmen en gericht proberen. |
Eindterm 23: De leerling gebruikt vaktaal voor representaties en het veranderingsgedrag van verbanden en standaardverbanden. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van de begrippen assenstelsel, horizontale en verticale as, oorsprong, coördinaat, schaalverdeling, zaagtand en woordformule; • gebruiken van de begrippen stijgen, dalen, constant, minimum, maximum; • gebruiken van de begrippen lineair, kwadratisch en wortelverband; • gebruiken van de begrippen hellingsgetal en startgetal. |
Eindterm 24: De leerling identificeert patronen en verbanden in een situatie. (B) |
Het gaat hierbij om: • herkennen en benoemen van grootheden die in een concrete situatie met elkaar in verband staan; • herkennen en benoemen van een lineair patroon in een rij getallen; • herkennen en benoemen van een lineair, evenredig en kwadratisch verband en van een wortelverband aan de hand van een woordformule; • herkennen en benoemen van een lineair verband aan de hand van een grafiek. |
Eindterm 25: De leerling geeft betekenis aan tabellen, grafieken, woordformules en verbanden. (B) |
Het gaat hierbij om: • uitleggen van het veranderingsgedrag, de veranderingssnelheid en de extreme waarden van een verband in een concrete situatie; • onderscheiden van lineaire verbanden en niet-lineaire verbanden in een concrete situatie. |
Eindterm 26: De leerling geeft een concrete situatie weer als een verband met behulp van een tabel, een grafiek en een woordformule. (B) |
Het gaat hierbij om: • weergeven van een lineair, wortel- of kwadratisch verband in een tabel en een grafiek; • opstellen van een woordformule bij een lineair verband. |
Eindterm 27: De leerling redeneert met behulp van voorbeelden over een verband. (B) |
Eindterm 28: De leerling lost in een concrete situatie een probleem op met hoeken en/of met de omtrek, oppervlakte en/of inhoud van meetkundige figuren. (B) |
Eindterm 29: De leerling lost in concrete situaties een probleem op met routes en kijklijnen. (B) |
Eindterm 30: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met afmetingen, omtrek, oppervlakte, inhoud en meetkundige plaatsbepaling en gebruikt daarbij een formulekaart met relevante formules. (B) |
Het gaat hierbij om: • afleiden van een ontbrekende afmeting uit andere afmetingen in een tekening; • berekenen van de omtrek van rechthoeken en cirkels; • berekenen van de oppervlakte van rechthoeken, driehoeken en cirkels; • berekenen van de inhoud van balken; • bepalen van een punt dat door coördinaten is gegeven, zowel bij cartesische coördinaten in twee dimensies als bij niet-cartesische coördinaten; • bepalen van de coördinaten van een gegeven punt, zowel bij cartesische coördinaten in twee dimensies als bij niet-cartesische coördinaten. |
Eindterm 31: De leerling voert rekenwiskundige handelingen uit met lengten van zijdes van driehoeken en met hoeken. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruikmaken van de hoeksomeigenschap van driehoeken en vierhoeken; • gebruikmaken van eigenschappen van snijhoeken bij evenwijdige en snijdende lijnen. |
Eindterm 32: De leerling geeft in concrete situaties driedimensionale objecten op een tweedimensionale manier weer. (B) |
Het gaat hierbij om: • tekenen van een aanzicht; • tekenen van een uitslag van een veelvlak opgebouwd uit rechthoeken; • tekenen van een horizontale doorsnede van een veelvlak opgebouwd uit rechthoeken. |
Eindterm 33: De leerling gebruikt de namen, begrippen en symbolen van en bij meetkundige vormen. (B) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van de begrippen vierkanten, rechthoeken, driehoeken, cirkels, kubussen, balken, piramiden, cilinders en bollen; • gebruiken van de begrippen hoeken, loodrecht en haaks en van rechtehoektekens; • gebruiken van tekens om hoeken van gelijke grootte en tekens om zijden van gelijke lengte aan te geven; • gebruiken van de begrippen lijnsymmetrie, symmetrieas en evenwijdig; • gebruiken van de begrippen hoekpunt, zijde, diagonaal, middelpunt, straal, diameter, ribbe, zijvlak en grondvlak. |
Eindterm 34: De leerling identificeert en geeft betekenis aan meetkundige grootheden, constructies, eigenschappen en plaatsbepaling. (B) |
Het gaat hierbij om: • koppelen van aanzichten en uitslagen aan een driedimensionale weergave; • bepalen welk van de grootheden omtrek, oppervlakte en inhoud bij een situatie past; • herkennen en benoemen van meetkundige figuren, ook aan de hand van hun eigenschappen; • herkennen en benoemen van lijnsymmetrie. |
Eindterm 35: De leerling maakt beweringen aannemelijk over meetkundige figuren. (B) |
Het gaat hierbij om: • redeneren over meetkundige figuren aan de hand van hun eigenschappen. |
Eindterm 36: De leerling gebruikt meetinstrumenten voor het meten en tekenen van hoeken. (B) |
Het gaat hierbij om: • schatten van de orde van de grootte van een hoek voorafgaand aan het meten en tekenen; • meten en tekenen van een hoek met behulp van een koershoekmeter of een geodriehoek. |
Eindterm 37: De leerling werkt aan de ontwikkeling van een wiskundige houding. (E) |
Het gaat hierbij om: • kennismaken met het nut en de kracht van wiskunde in uiteenlopende toepassingen; • verkennen van de eigen onderzoekende en kritische houding ten aanzien van wiskundige informatie; • reflecteren op eigen en andermans wiskundig handelen; • deelnemen aan activiteiten gerelateerd aan het schoolvak wiskunde. |
Eindterm 38: De leerling gebruikt wiskundige denk-werkwijzen bij de ontwikkeling van algemene vaardigheden. (B) |
Het gaat hierbij om: • communiceren over een oplossingswijze, redenering of uitleg ten behoeve van de ontwikkeling van sociaal handelingsvermogen; • wiskundig probleemoplossen, abstraheren, modelleren en redeneren ten behoeve van de ontwikkeling van analytisch denkvermogen; • wiskundig probleemoplossen, modelleren en redeneren ten behoeve van de ontwikkeling van kritisch en creatief denkvermogen; • wiskundig redeneren als onderzoeksvaardigheid; • wiskundig modelleren als ontwerpvaardigheid. |
Eindterm 39: De leerling herkent en gebruikt wiskunde in dagelijkse, maatschappelijke en onderwijsgerichte situaties. (E) |
Het gaat hierbij om: • gebruiken van wiskundige concepten in onderlinge samenhang; • gebruikmaken van wiskunde in andere vakken; • toepassen van wiskundige denk-werkwijzen; • adequaat en autonoom omgaan met de kwantitatieve kant van de wereld; • wiskunde gebruiken bij het nemen van beslissingen en het oplossen van problemen. |
Eindterm 40: De leerling legt verbanden tussen ervaringen, persoonlijke interesses en kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst. (E) |
Het gaat hierbij om: • verkennen van de plaats en functie van wiskunde in de samenleving; • oriënteren op sectoren, beroepen en vervolgopleidingen waarin de kennis en vaardigheden van het schoolvak wiskunde relevant zijn; • verwoorden van de eigen kwaliteiten en interesses passend bij het schoolvak wiskunde; • reflecteren op opgedane ervaringen in het kader van oriëntatie op studie en werk. |
Kern Bouwen, wonen en interieur |
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituaties of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden ronde loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling. a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; a.3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; a.4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; a.5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; a.6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.15. hygiënisch werken; a.16. milieubewust handelen; a.17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; a.18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingeisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.19. is een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht. |
b. Professionele kennis en vaardigheden Oriëntatie op de techniek De kandidaat kan: b.1. voorbeelden geven van technische normalisatie instituten, bedrijven en arbeidsorganisaties; b.2. relaties leggen tussen productieprocessen, technische systemen te weten input, proces, output en bronnen met name energie, materie en informatie; b.3. waarden in technisch situaties onderkennen en toepassen, met name duurzaamheid, innovatie, risico en sociale interactie; Voorbereiden De kandidaat kan: b.4. de relaties tussen natuurkundige grootheden en de technische praktijk uitleggen en verklaren met name kracht, druk, lengte, oppervlakte, inhoud, omtrek, elektriciteit, energie, geluid, massa, gewicht, moment, snelheid en temperatuur; b.5. een meting van grootheden uitvoeren, verwerken en vastleggen; b.6. van een (deel)systeem functies van onderdelen benoemen; b.7. materiaaleigenschappen benoemen en deze in verband brengen met hun toepassing; b.8. technische principes van het overbrengen van krachten en bewegingen uitleggen; b.9. technische principes en werking van onderdelen uitleggen en demonstreren; b.10. opbouw en werking van installaties en/ of constructies uitleggen en demonstreren. Ontwerpen, maken en dienstverlenen De kandidaat kan: b.11. een tekening lezen; b.12. een ontwerp maken van een product, systeem en proces; b.13. met behulp van een computer een technische tekening maken; b.14. tijdens werkvoorbereiding en werkuitvoering schetsen en werktekeningen maken; b.15. criteria bepalen voor de keuze van materialen en gereedschappen; b.16. criteria toepassen voor de kwaliteit en oplevering van een werkstuk, product, systeem en/of dienst; b.17. een werkwijze vaststellen en werken volgens procedures bij het uitvoeren van een opdracht; b.18. een werkstuk, product en systeem maken door basisbewerkingen met name aftekenen, afkorten, verspanen, verbinden, vervormen en afwerken uit te voeren; b.19. werkzaamheden uitvoeren volgens de regels van integrale Kwaliteits-, Arbo- en Milieu (KAM)-zorg; b.20. een werkstuk, product en systeem samenstellen. Controleren en nazorg plegen De kandidaat kan: b.21. een werkstuk, product, systeem en/of dienst toetsen en evalueren aan de hand van de geformuleerde criteria; b.22. een werkstuk, product, systeem onderhouden, repareren, modificeren en optimaliseren. |
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c. 1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. Kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. Motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. Werkexploratie (waar ben ik met meest op mijn plek en waarom daar?) 4. Loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. Netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c. 2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies |
Profielvak: Bouwen, wonen en interieur | BB | KB | GL |
Taken: • een kleinschalig bouwproject voorbereiden en het bouwproces beschrijven • een kleinschalig bouwproject maatvoeren en uitzetten • een eenvoudige funderingsbekisting maken | |||
P/BWI/1.1. | |||
Deeltaak: Een kleinschalig bouwproject voorbereiden en het bouwproces beschrijven De kandidaat kan: | |||
1. het bouwproces beschrijven | x | x | x |
2. een indeling van een bouwplaats interpreteren | x | x | x |
3. veilig werken in de bouw en circulair en duurzaam bouwen | x | x | x |
4. werkzaamheden uitvoeren voor de bouwvoorbereiding van een kleinschalig bouwproject | x | x | |
P/BWI/1.2 | |||
Deeltaak: een kleinschalig bouwproject maatvoeren en uitzetten de kandidaat kan: | |||
1. gangbare meetinstrumenten en hulpmiddelen toepassen | x | x | x |
2. aan de hand van bouwvoorbereidingstekeningen rechte lijnen uitzetten voor een klein bouwwerk | x | x | x |
3. hoogtemetingen uitvoeren | x | x | x |
4. meetgegevens verwerken en maatvoering controleren | x | x | x |
5. afwijkingen bij meten en uitzetten verklaren en corrigeren | x | x | |
6. bouwramen plaatsen | x | x | |
7. gevellijnen bepalen en afschrijven op de bouwplank | x | x | x |
P/BWI/1.3 | |||
Deeltaak: een eenvoudige funderingsbekisting maken De kandidaat kan: | |||
1. werkzaamheden voor een strokenfundering voorbereiden | x | x | x |
2. werkzaamheden voor een eenvoudige strokenfundering uitvoeren en een PS-systeembekisting beschrijven | x | x | x |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Bouwen, wonen en interieur | BB | KB | GL |
Module 2: bouwen vanaf de fundering | |||
Taak: ○ profielen en kozijnen stellen ○ een halfsteensmuur metselen ○ isolatiematerialen verwerken ○ veilig werken op en met steigers en ladders | |||
P/BWI/2.1 | |||
Deeltaak: profielen en kozijnen stellen De kandidaat kan: | |||
1. stelwerkzaamheden voorbereiden | x | x | |
2. de koppenmaat en lagenmaat bepalen en afschrijven | x | x | |
3. metselprofielen stellen | x | x | |
4. kozijnen stellen | x | ||
5. gangbare gereedschappen en hulpmiddelen toepassen | x | ||
P/BWI/2.2 | |||
Deeltaak: een halfsteensmuur metselen De kandidaat kan: | |||
1. metselwerk voorbereiden | x | x | |
2. een werkplek inrichten | x | x | |
3. basistechnieken metselen toepassen | x | x | |
4. rollagen maken | x | x | |
5. voegwerk in de meest gangbare typen maken | x | x | |
6. beëindigingen correct maken | x | x | |
P/BWI/2.3 | |||
Deeltaak: isolatiematerialen verwerken De kandidaat kan: | |||
1. doel en functie van isolatie beschrijven en de juiste soorten isolatiematerialen kiezen | x | x | |
2. isolatiematerialen in het opgaand werk plaatsen en verwerken | x | x | |
P/BWI/2.4 | |||
Deeltaak: veilig werken op en met steigers en ladders De kandidaat kan: | |||
1. verplichte en beschikbare beschermingsmiddelen toepassen | x | x | |
2. juiste steigers en ladders kiezen | x | x | |
3. rolsteigers en ladders conform voorschriften opbouwen, plaatsen en afbreken | x | ||
4. rolsteigers en ladders op een ergonomische en veilige wijze gebruiken | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Bouwen, wonen en interieur | BB | KB | GL |
Module 3: hout- en meubelverbindingen | |||
Taak: ○ een werkstuk met enkelvoudige verbindingen maken ○ hout en plaatmateriaal bewerken | |||
P/BWI/3.1 | |||
Deeltaak: een werkstuk met enkelvoudige verbindingen maken De kandidaat kan: | |||
1. werkzaamheden voor het maken van een werkstuk voorbereiden | x | x | |
2. houtverbindingen maken in hout en plaatmateriaal | x | x | |
3. het product aan de hand van kwaliteitscriteria beoordelen | x | x | |
P/BWI/3.2 | |||
Deeltaak: hout en plaatmateriaal bewerken De kandidaat kan: | |||
1. basisbewerkingen uitvoeren | x | x | |
2. veilig werken | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Bouwen, wonen en interieur | BB | KB | GL |
Module 4: design en decoratie | |||
Taak: ○ een interieurelement ontwerpen ○ een ontwerp maken voor de afwerking van een interieurelement ○ het maken van een interieurelement beschrijven ○ een interieurelement voorbehandelen, afwerken en decoreren | |||
P/BWI/4.1 | |||
Deeltaak: een interieurelement ontwerpen De kandidaat kan: | |||
1. een ontwerp maken voor een eenvoudig interieurelement van plaatmateriaal | x | x | |
2. een ontwerp tekenen met een 3D CAD-tekenprogramma | x | x | x |
P/BWI/4.2 | |||
Deeltaak: een ontwerp maken voor de afwerking van een interieurelement De kandidaat kan: | |||
1. een ontwerp maken voor kleur, afwerking en decoratie van een interieurelement | x | x | x |
2. het ontwerp presenteren | x | x | |
P/BWI/4.3 | |||
Deeltaak: het maken van een interieurelement beschrijven De kandidaat kan: | |||
1. het maken van een interieurelement voorbereiden | x | ||
2. het maken van een interieurelement met moderne verbindingsmaterialen beschrijven | x | ||
3. veilig werken | x | ||
P/BWI/4.4 | |||
Deeltaak: een interieurelement voorbehandelen, afwerken en decoreren De kandidaat kan: | |||
1. de werkzaamheden voorbereiden voor het voorbehandelen, afwerken en 2. decoreren | x | x | x |
3. een interieurelement voorbehandelen, afwerken en decoreren | x | x | x |
4. een sign-uiting snijplotten, pellen, plakken en monteren | x | x | x |
5. CNC en/of lasersnijtechnieken toepassen | x | x | x |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Kern Dienstverlening en producten |
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling. a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; a.3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; a.4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; a.5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; a.6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.15. hygiënisch werken; a.16. milieubewust handelen; a.17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; a.18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht. |
b. Professionele kennis en vaardigheden Oriëntatie op de techniek De kandidaat kan: b.1. probleemoplossingsvaardigheden hanteren en op grond daarvan conclusies trekken en keuzes maken; b.2. eenvoudige onderzoeksactiviteiten verrichten en op grond daarvan beargumenteerde keuzes maken; b.3. het begrip duurzaamheid (her)kennen, benoemen en toepassen. Op basis daarvan komen tot bewuste afwegingen en relaties leggen tussen milieu, mensen en werkprocessen in arbeid en beroep (people, planet en profit); b.4. ondernemende vaardigheden tonen: initiatief tonen, innoveren; b.5. de begrippen maatschappelijk verantwoord en maatschappelijk betrokken ondernemen (her)kennen, benoemen en toepassen bij producten en dienstverlening; b.6. verschillen en overeenkomsten benoemen tussen profit en non/profit. |
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c. 1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. Kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. Motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. Werkexploratie (waar ben ik met meest op mijn plek en waarom daar?) 4. Loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. Netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c. 2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies |
Profielvak: Dienstverlening en producten | BB | KB | GL |
Module 1: Organiseren van een activiteit voor een opdrachtgever | |||
Taak: ○ een opdracht bespreken met de opdrachtgever, onderzoek doen naar de te organiseren activiteit en uitkomsten presenteren aan de opdrachtgever ○ een activiteit organiseren ○ werkzaamheden rondom hospitality uitvoeren ○ facilitaire werkzaamheden rondom een activiteit uitvoeren | |||
P/D&P/1.1 | |||
Deeltaak: een opdracht bespreken met de opdrachtgever, onderzoek doen naar de te organiseren activiteit en uitkomsten presenteren aan de opdrachtgever De kandidaat kan: | |||
1. wensen en verwachtingen van de opdrachtgever inventariseren | x | x | x |
2. onderzoek doen naar de te organiseren activiteit en uitkomsten presenteren 3. aan de opdrachtgever | x | x | x |
P/D&P/1.2 | |||
Deeltaak: een activiteit organiseren De kandidaat kan: | |||
1. een activiteit plannen en voorbereiden | x | x | x |
2. berekeningen met betrekking tot kosten en opbrengsten van de te organiseren activiteit uitvoeren | x | x | x |
4. voorzieningen, vergunningen, materialen en middelen regelen | x | x | x |
4. een activiteit evalueren en suggesties geven voor verbetering | x | x | x |
P/D&P/1.3 | |||
Deeltaak: werkzaamheden rond hospitality uitvoeren De kandidaat kan: | |||
1. optreden als host/ medewerker gastvrijheid | x | x | x |
2. gerechten en hapjes bereiden | x | x | x |
P/D&P/1.4 | |||
Deeltaak: facilitaire werkzaamheden rondom een activiteit uitvoeren De kandidaat kan: | |||
1. maatregelen beschrijven om de negatieve gevolgen van de uit te voeren activiteit voor het milieu te beperken | x | x | x |
2. schoonmaakmiddelen, -materialen en -apparatuur kiezen en gebruiken en de werkzaamheden uitvoeren volgens voorschriften | x | x | x |
3. bij een calamiteit inschatten welke hulpdienst er ingeschakeld moet worden | x | x | x |
4. een ruimte inrichten | x | x | x |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Dienstverlening en producten | BB | KB | GL |
Module 2: Presenteren, promoten en verkopen | |||
Taak: ○ verschillende manieren van communicatie en communicatiemiddelen (her)kennen, benoemen en professioneel toepassen ○ een product en dienst presenteren, promoten en verkopen ○ doelgericht informatie presenteren | |||
P/D&P/2.1 | |||
Deeltaak: verschillende manieren van communicatie en communicatiemiddelen (her)kennen, benoemen en professioneel toepassen De kandidaat kan: | |||
1. media-uitingen met elkaar vergelijken en een beargumenteerde keuze maken voor een medium gelet op bijvoorbeeld doel, doelgroep en functionaliteiten | x | x | |
2. voor een bepaald doel en een bepaalde doelgroep een media-uiting maken | x | x | |
P/D&P/2.2 | |||
Deeltaak: een product en dienst presenteren, promoten en verkopen De kandidaat kan: | |||
1. omschrijven, benoemen, uitleggen en beoordelen van promotie | x | x | |
2. een klantgesprek voeren: fysiek, online, telefonisch | x | x | |
3. product en dienst presenteren met gebruikmaking van promotie- en decoratiemateriaal | x | x | |
P/D&P/2.3 | |||
Deeltaak: doelgericht informatie presenteren De kandidaat kan: | |||
1. uitleg, voorlichting en informatie presenteren aan publiek, bezoekers en deelnemers | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Dienstverlening en producten | BB | KB | GL |
Module 3: Een product maken en verbeteren | |||
Taak: ○ een product ontwerpen, tekenen en printen in 3D ○ een product maken | |||
P/D&P/3.1 | |||
Deeltaak: een product ontwerpen, tekenen en printen in 3D De kandidaat kan: | |||
1. een product ontwerpen en tekenen in een 3D-tekenprogramma | x | x | |
2. 3D-printen | x | ||
P/D&P/3.2 | |||
Deeltaak: een product maken De kandidaat kan: | |||
1. werktekeningen lezen en interpreteren, tekentechnische symbolen begrijpen en aan de hand van de tekening een werkvoorbereiding opstellen | x | x | |
2. een product in elkaar zetten door gebruik te maken van verbindingen | x | x | |
3. het vervaardigde product controleren op de kwaliteit en verbeteren | x | x | |
4. een product vervaardigen met handgereedschappen, elektrische handgereedschappen en machines | x | x | |
5. handgereedschappen, elektrische handgereedschappen en machines veilig gebruiken | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Dienstverlening en producten | BB | KB | GL |
Module 4: multimediale producten maken | |||
Taak: Aan de hand van een programma van eisen: ○ een digitaal ontwerp maken ○ een film maken ○ een website ontwerpen en maken | |||
P/D&P/4.1 | |||
Deeltaak: aan de hand van een programma van eisen een digitaal ontwerp maken De kandidaat kan: | |||
1. informatie verwerken en deze vormgeven in een lay-out | x | x | x |
P/D&P/4.2 | |||
Deeltaak: aan de hand van een programma van eisen een film maken De kandidaat kan: | |||
1. genres in film onderscheiden | x | x | x |
2. op basis van gegeven informatie een script, storyboard en draaiboek maken | x | x | x |
3. aan de hand van het storyboard en het draaiboek filmopnamen maken | x | x | x |
4. met behulp van montagesoftware beelden monteren tot een samenhangend geheel | x | x | x |
P/D&P/4.3 | |||
Deeltaak: aan de hand van een programma van eisen een website ontwerpen en maken De kandidaat kan: | |||
1. wensen van de opdrachtgever inventariseren, interpreteren, aanvullen en verwerken in een ontwerp voor een website | x | x | x |
2. een begroting maken voor het bouwen, hosten en onderhouden van de website | x | x | |
3. het voorlopige ontwerp inclusief begroting voorleggen aan de opdrachtgever | x | x | |
4. een website maken | x | x | x |
5. de website presenteren aan de opdrachtgever | x | x | x |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Kern Groen |
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling. |
a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; a.3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; a.4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; a.5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; a.6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.15. hygiënisch werken; a.16. milieubewust handelen; a.17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; a.18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht. |
b. Professionele kennis en vaardigheden Oriëntatie op de techniek De kandidaat kan: b.1. het economisch en maatschappelijk belang van de groene sector benoemen en de positie van de sector op de wereldmarkt aangeven; b.2. de begrippen duurzaamheid en kringloop (her)kennen, benoemen en hanteren; b.3. gangbare technieken hanteren ten behoeve van onderhoud, reparatie, creatie en realisatie in een groene context; b.4. gangbare gereedschappen, apparaten en materialen gebruiken en onderhouden in een groene context; b.5. met behulp van informatiebronnen organismen of groepen van organismen op naam brengen; b.6. onderzoeksactiviteiten verrichten en daarbij onder andere vergelijken, meten en wegen, resultaten verwerken en beargumenteerde keuzes maken; b.7. meerdere oplossingen en variaties bedenken voor een ontwerp of een probleem en daarbij verschillende denkstrategieën gebruiken; |
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. De kandidaat doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c. 1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) 4. loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies |
Profielvak: Groen | BB | KB | GL |
Module 1: groene productie | |||
Taak: groene productie mogelijk maken: ○ kennis hebben van eigentijds en duurzaam ondernemen in de groene sector, rekening houdend met omgevingsfactoren ○ plantaardige producten vermeerderen, gewassen en planten telen en oogsten en daarbij veelvoorkomende technologie en technieken benoemen en gebruiken ○ op bedrijfsmatige wijze dieren houden, hierbij verantwoorde keuzes maken, met respect voor welzijn, voedselveiligheid, milieu en duurzaamheid | |||
P/GR/1.1 | |||
Deeltaak: kennis hebben van eigentijds en duurzaam ondernemen in de groene sector, rekening houdend met omgevingsfactoren De kandidaat kan: | |||
1. de meest voorkomende bedrijfsvormen en nevenactiviteiten herkennen en benoemen | x | x | |
2. bedrijfskolommen benoemen | x | x | |
3. verschillende technologische en innovatieve ontwikkelingen benoemen | x | x | |
4. de effecten benoemen en beschrijven van agrarische productie op de omgeving en op de eindproducten | x | x | |
5. vormen van het beheer van het landelijk gebied aanwijzen en 6. benoemen | x | x | |
P/GR/1.2 | |||
Deeltaak: plantaardige producten vermeerderen, gewassen en planten telen en oogsten en daarbij veelvoorkomende technologie en technieken benoemen en gebruiken De kandidaat kan: | |||
1. teeltwerkzaamheden benoemen, kiezen, voorbereiden en uitvoeren | x | x | |
2. generatieve en vegetatieve vermeerderingsmethoden bij planten benoemen en toepassen | x | x | |
3. de groeivoorwaarden van planten benoemen en toepassen | x | x | |
4. het juiste moment van oogsten vaststellen, oogsten, producten sorteren en bewaren | x | x | |
5. veelvoorkomende technologie en technieken toepassen | x | x | |
P/GR/1.3 | |||
Deeltaak: op bedrijfsmatige wijze dieren houden en hierbij verantwoorde keuzes maken met respect voor welzijn, voedselveiligheid, milieu en duurzaamheid De kandidaat kan: | |||
1. productiedoelen aan de hand van het exterieur van veelvoorkomende productiedieren benoemen | x | x | |
2. verschillende dierhouderijsystemen in de productiesector benoemen | x | x | |
3. op basis van huisvestingsnormen een verblijf voor veelvoorkomende productiedieren beoordelen | x | x | |
4. begrippen van voortplanting en het belang van voortplanting en fokkerij bij veelvoorkomende productiedieren benoemen | x | x | |
5. voersoorten benoemen, het gebruik ervan uitleggen en voer afwegen volgens het voeradvies | x | x | |
6. de gezondheid en het welzijn van veelvoorkomende productiedieren beoordelen en eventuele verbeterpunten aangeven | x | x | |
7. gegevens aflezen en interpreteren uit automatiseringssystemen | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Groen | BB | KB | GL |
Module 2: tussen productie en verkoop | |||
Taak: ○ voedingsmiddelen uit de groene sector hanteren, verwerken, bereiden en bewaren en van de juiste informatie voorzien ○ in de groene sector geproduceerde producten selecteren, verpakken en transport klaar maken, afgestemd op het verkoopkanaal ○ een voorraadbeheersysteem gebruiken, bestelopdrachten in ontvangst nemen en verwerken tot een order en goederen klaarzetten voor verzending | |||
P/GR/2.1 | |||
Deeltaak: voedingsmiddelen uit de groene sector hanteren, verwerken, bereiden en bewaren en van de juiste informatie voorzien De kandidaat kan: | |||
1. grondstoffen bewerken en bereiden tot houdbare producten | x | x | x |
2. de kwaliteit van het proces en het product bewaken | x | x | x |
3. aan de hand van een recept een product bereiden | x | x | x |
4. een maaltijd samenstellen en de gemaakte keuze van de samenstelling motiveren | x | x | x |
5. een product voorzien van informatie | x | x | x |
P/GR/2.2 | |||
Deeltaak: in de groene sector geproduceerde producten selecteren, verpakken en transport klaar maken, afgestemd op het verkoopkanaal De kandidaat kan: | |||
1. op beargumenteerde wijze producten selecteren | x | x | x |
2. producten volgens voorschrift verpakken voor transport | x | x | x |
3. passende verkoopkanalen kiezen bij de verkoop vanaf de producent | x | x | x |
P/GR/2.3 | |||
Deeltaak: een voorraadbeheersysteem gebruiken, bestelopdrachten in ontvangst nemen en verwerken tot een order en goederen klaarzetten voor verzending De kandidaat kan: | |||
1. bestelopdrachten en inkomende goederen in ontvangst nemen, bevestigen en verwerken | x | x | x |
2. een voorraadbeheersysteem gebruiken | x | x | x |
3. mutaties doorvoeren in een voorraadbeheersysteem | x | x | |
4. orders klaarzetten voor verzending | x | x | x |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Groen | BB | KB | GL |
Module 3: vergroening stedelijke omgeving | |||
Taak: In een stedelijke omgeving ○ een ontwerp maken voor de inrichting van een groene ruimte met planten en dieren ○ een ontwerp voor een groene ruimte met planten en dieren realiseren ○ een groene ruimte onderhouden en beheren ○ anderen informeren over het belang van planten en dieren en over de herkomst van natuurlijke producten | |||
P/GR/3.1 | |||
Deeltaak: in een stedelijke omgeving een ontwerp maken voor de inrichting van een groene ruimte met planten en dieren De kandidaat kan: | |||
1. een ontwerptekening maken voor een groene ruimte met daarin een groen object | x | x | |
2. een ontwerptekening lezen en gebruiken | x | x | x |
3. innovatieve ontwikkelingen toepassen in een ontwerp van een groene ruimte | x | ||
4. een huisvesting voor dieren en een kooiverrijking ontwerpen en de gemaakte keuze toelichten | x | x | x |
P/GR/3.2 | |||
Deeltaak: in een stedelijke omgeving een ontwerp voor een groene ruimte met planten en dieren realiseren De kandidaat kan: | |||
1. aan de hand van een ontwerptekening een ruimte inrichten | x | x | x |
2. met behulp van instrumenten en apparaten, schattingen en metingen uitvoeren om een ontwerp te realiseren | x | x | x |
3. op basis van een beplantingsplan een ruimte beplanten | x | x | x |
4. een huisvesting en een kooiverrijking voor dieren realiseren | x | x | x |
P/GR/3.3 | |||
Deeltaak: in een stedelijke omgeving een groene ruimte onderhouden en beheren De kandidaat kan: | |||
1. groene onderhoudswerkzaamheden inventariseren en uitvoeren | x | x | x |
2. een onderhoudsplan opstellen en uitvoeren | x | ||
3. dieren huisvesten, voeren en verzorgen en daarbij rekening houden met het welzijn van dieren | x | x | x |
4. groei- en productievoorwaarden toepassen voor gewassen in een stedelijke omgeving | x | ||
5. door middel van onderzoek aantonen of water veilig is voor gebruik door planten en dieren | x | x | x |
P/GR/3.4 | |||
Deeltaak: in een stedelijke omgeving anderen informeren over het belang van planten en dieren en over de herkomst van natuurlijke producten De kandidaat kan: | |||
1. informatie geven over de functie en het belang van planten en dieren | x | x | x |
2. informatie geven over de herkomst van natuurlijke producten | x | x | x |
3. informatie geven over innovatieve ontwikkelingen in een stedelijke omgeving | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Groen | BB | KB | GL |
Module 4: groene vormgeving en verkoop | |||
Taak: in de groene sector: ○ verschillen tussen retail(winkel)formules benoemen en hier naar handelen, producten bestellen en bestelde goederen en producten in ontvangst nemen, controleren, verwerken en verzorgen ○ ontwerpen, promoten, inrichten en presenteren aan de hand van een winkelformule ○ producten verkopen | |||
P/GR/4.1 | |||
Deeltaak: in de groene sector verschillen tussen retail(winkel)formules benoemen en hier naar handelen, producten bestellen en bestelde goederen en producten in ontvangst nemen, controleren, verwerken en verzorgen De kandidaat kan: | |||
1. verschillen tussen retail(winkel)formules in de groene sector benoemen | x | x | |
2. op beargumenteerde wijze geschikte inkoopkanalen kiezen bij inkoop van aan de groene sector gerelateerde producten en producten bestellen | x | x | |
3. aan de groene sector gerelateerde producten in ontvangst nemen, controleren en verwerken | x | x | |
4. aan de groene sector gerelateerde producten in de winkel plaatsen, beheren en verzorgen | x | x | |
P/GR/4.2 | |||
Deeltaak: in de groene sector ontwerpen, promoten, inrichten en presenteren aan de hand van een winkelformule De kandidaat kan: | |||
1. een marketingmix toepassen | x | x | |
2. een promotieactiviteit en promotiemateriaal ontwerpen en maken met aan de groene sector gerelateerde producten, passend bij een winkelformule | x | x | |
3. een artikelpresentatie ontwerpen en maken met groene producten | x | x | |
4. een decoratieve schikking ontwerpen en maken met behulp van technieken | x | x | |
5. een boeket samenstellen met behulp van een bindtechniek | x | x | |
6. een ontwerp maken voor de inrichting van een ruimte en een ruimte inrichten passend bij de winkelformule, een doelgroep, seizoenen en trends | x | x | |
P/GR/4.3 | |||
Deeltaak: in de groene sector producten verkopen De kandidaat kan: | |||
1. een verkoopgesprek voeren afgestemd op de klant en een winkelformule | x | x | |
2. een klant adviseren bij verkoop van aan de groene sector gerelateerde producten | x | x | |
3. prijsberekeningen maken | x | x | |
4. een offerte maken | x | ||
5. betalingshandelingen verrichten | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Kern Horeca, bakkerij en recreatie |
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling. a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken a.2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; a.3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; a.4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; a.5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; a.6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.15. hygiënisch werken; a.16. milieubewust handelen; a.17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; a.18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht. |
b. Professionele kennis en vaardigheden De kandidaat kan: b.1. commerciële instelling tonen, met name: – gast-, klant- en servicegerichte houding, – aankleden/inrichten; b.2. communicatieve vaardigheden toepassen; b.3. ICT- vaardigheden toepassen, correspondentie; b.4. ondernemersvaardigheden tonen; onder meer initiatief tonen, creatief zijn; b.5. werken volgens een bedrijfsformule; b.6. innovatie: inspelen op trends en ontwikkelingen op het gebied van smaak, creatie en duurzaamheid; b.7. berekenen van opbrengsten, kosten en winst; b.8. ambachtelijke vaardigheden tonen en koppelen aan moderne technieken/ productie methoden; b.9. relevante technologische ontwikkelingen en vaardigheden toepassen; b.10. wet- en regelgeving toepassen |
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. De kandidaat doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c. 1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) 4. loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies |
Profielvak: Horeca, bakkerij en recreatie | BB | KB | GL |
Module 1: gastheerschap | |||
Taak: een bijdrage leveren aan: ○ de bedrijfsvoering binnen een Horeca-, Bakkerij- en Recreatieomgeving ○ een aangenaam verblijf en de verzorging van gasten ○ het uitvoeren van dagelijkse facilitaire werkzaamheden ○ het bereiden en serveren van kleine gerechten en dranken | |||
P/HBR/1.1 | |||
Deeltaak: een bijdrage leveren aan de bedrijfsvoering binnen een Horeca-, Bakkerij- en Recreatie omgeving De kandidaat kan: | |||
1. een bijdrage leveren aan de realisatie van bedrijfsdoelstellingen en bedrijfsformules | x | x | x |
2. bedrijfstypen benoemen | x | x | x |
3. administratieve handelingen, frontofficehandelingen en betalingswerkzaamheden uitvoeren | x | x | x |
4. de prijs bepalen van de te leveren diensten en producten | x | x | x |
5. offertes vergelijken en opstellen | x | x | x |
6. promotionele activiteiten opzetten en uitvoeren | x | x | x |
7. de marketingmix gebruiken, de marketinginstrumenten toepassen | x | x | x |
P/HBR/1.2 | |||
Deeltaak: een bijdrage leveren aan een aangenaam verblijf en verzorging van de gasten De kandidaat kan: | |||
1. gasten ontvangen | x | x | x |
2. gasten plaatsen | x | x | x |
3. vertrek van gasten begeleiden | x | x | x |
4. anticiperen en inspelen op vragen, verzoeken, opmerkingen en problemen van gasten | x | x | x |
5. een gastenverblijf inrichten, rekening houdend met het concept/ de formule van het bedrijf | x | x | x |
6. menu- en drankenkaart maken | x | x | x |
7. bestellingen opnemen | x | x | x |
8. draag- en serveermethoden uitvoeren | x | x | x |
9. debarrasseren | x | x | x |
P/HBR/1.3 | |||
Deeltaak: een bijdrage leveren aan het uitvoeren van dagelijkse facilitaire werkzaamheden De kandidaat kan: | |||
1. apparatuur, gereedschap en machines in de gastenruimtes schoonmaken en onderhouden | x | x | x |
2. mastiek maken, service-gereed maken van de gastenruimtes binnen en buiten | x | x | x |
P/HBR/1.4 | |||
Deeltaak: een bijdrage leveren aan het serveren van kleine gerechten en dranken De kandidaat kan: | |||
1. het bedrijfsconcept/ de formule van een gastverblijf en eetgelegenheid uitdragen | x | x | x |
2. dranken, enkelvoudige gerechten en snacks serveren | x | x | x |
3. sociale hygiëne signaleren en melden | x | x | x |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Horeca, bakkerij en recreatie | BB | KB | GL |
Module 2: de bakkerij | |||
Taak: een bijdrage leveren aan het beheren en vervaardigen van bakkerijproducten | |||
P/HBR/2.1 | |||
Deeltaak: een bijdrage leveren aan het beheer van bakkerijproducten De kandidaat kan: | |||
1. trends en ontwikkelingen volgen en toepassen | x | x | |
2. assortiment beheren | x | x | |
3. productie van bakkerijproducten plannen en organiseren | x | x | |
4. grondstoffen, ingrediënten en tussenproducten1product dat een tussenstadium in een proces vormt; product dat nog verder verwerkt moet worden tot eindproduct; derivaat; beheren | x | x | |
P/HBR/2.2 | |||
Deeltaak: een bijdrage leveren aan het vervaardigen van bakkerijproducten De kandidaat kan: | |||
1. receptuur hanteren voor het vervaardigen van bakkerijproducten | x | x | |
2. apparatuur, gereedschappen en machines gebruiken en onderhouden, volgens de voorgeschreven procedures | x | x | |
3. grondstoffen, ingrediënten en tussenproducten schoonmaken en (voor)bewerken | x | x | |
4. bakkerij tussenproducten en bakkerijeindproducten vervaardigen en verwerken | x | x | |
5. bakkerijproducten afwerken, decoreren en presenteren | x | x | |
6. economisch en duurzaam omgaan met grondstoffen, water en energie | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Horeca, bakkerij en recreatie | BB | KB | GL |
Module 3: de keuken | |||
Taak: een bijdrage leveren aan het beheren van horecaproducten en bereiden van gerechten in een horecagelegenheid | |||
P/HBR/3.1 | |||
Deeltaak: een bijdrage leveren aan het beheren van horecaproducten De kandidaat kan: | |||
1. trends en ontwikkelingen volgen en toepassen | x | x | x |
2. assortiment beheren | x | x | x |
3. productie van horecaproducten plannen en organiseren | x | x | x |
4. grondstoffen, ingrediënten en tussenproducten1product dat een tussenstadium in een proces vormt; product dat nog verder verwerkt moet worden tot eindproduct; derivaat; beheren | x | x | x |
P/HBR/3.2 | |||
Deeltaak: een bijdrage leveren aan het bereiden van gerechten in een horecagelegenheid De kandidaat kan: | |||
1. receptuur hanteren voor het vervaardigen van horecaproducten | x | x | x |
2. apparatuur, gereedschappen en machines gebruiken en onderhouden, volgens 3. de voorgeschreven procedures | x | x | x |
4. grondstoffen, ingrediënten en tussenproducten schoonmaken en (voor) bewerken | x | x | x |
5. tussenproducten en gerechten bereiden en verwerken | x | x | x |
6. gerechten doorgeven, afwerken en garneren/presenteren | x | x | x |
7. economisch en duurzaam omgaan met grondstoffen, water en energie | x | x | x |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Horeca, bakkerij en recreatie | BB | KB | GL |
Module 4: recreatie | |||
Taak: een bijdrage leveren aan de uitvoering van recreatieve activiteiten | |||
P/HBR/4.1 | |||
Deeltaak: een bijdrage leveren aan de uitvoering van recreatieve activiteiten De kandidaat kan: | |||
1. op (specifieke) belangstelling voor recreatie en ontspanningsmogelijkheden voor verschillende doelgroepen inspelen | x | x | |
2. promotionele activiteiten uitvoeren en deze mee helpen ontwikkelen | x | x | |
3. recreatiemogelijkheden voor verschillende doelgroepen organiseren en begeleiden | x | x | |
4. organisatiebureaus, entertainmentbureaus, vervoerders inschakelen | x | x | |
5. inschrijvingen en betalingsverkeer van activiteiten verwerken | x | x | |
6. catering voor en rondom activiteiten organiseren | x | x | |
7. sociale hygiëne signaleren en melden | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Kern Media, vormgeving en ICT |
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling. a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; a.3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; a.4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; a.5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; a.6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.15. hygiënisch werken; a.16. milieubewust handelen; a.17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; a.18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht. |
b. Professionele kennis en vaardigheden Oriëntatie op de techniek De kandidaat kan: b.1. voorbeelden geven van technische normalisatie instituten, bedrijven en arbeidsorganisaties; b.2. relaties leggen tussen productieprocessen, technische systemen te weten input, proces, output en bronnen met name energie, materie en informatie; b.3. waarden in technisch situaties onderkennen en toepassen, met name duurzaamheid, innovatie, risico en sociale interactie. Voorbereiden De kandidaat kan: b.4. de relatie tussen natuurkundige grootheden en de technische praktijk uitleggen en verklaren met name kracht, druk, lengte, oppervlakte, inhoud, omtrek, elektriciteit, energie, geluid, massa, gewicht, moment, snelheid en temperatuur; b.5. een meting van grootheden uitvoeren, verwerken en vastleggen; b.6. van een (deel)systeem functies van onderdelen benoemen; b.7. materiaaleigenschappen benoemen en deze in verband brengen met hun toepassing; b.8. technische principes van het overbrengen van krachten en bewegingen uitleggen; b.9. technische principes en werking van onderdelen uitleggen en demonstreren b.10. opbouw en werking van installaties en/ of constructies uitleggen en demonstreren. Ontwerpen, maken en dienstverlenen De kandidaat kan: b.11. een tekening lezen; b.12. een ontwerp maken van een product, systeem en proces; b.13. met behulp van een computer een technische tekening maken; b.14. tijdens werkvoorbereiding en werkuitvoering schetsen en werktekeningen maken; b.15. criteria bepalen voor de keuze van materialen en gereedschappen; b.16. criteria toepassen voor de kwaliteit en oplevering van een werkstuk, product, systeem en/of dienst; b.17. een werkwijze vaststellen en werken volgens procedures bij het uitvoeren van een opdracht; b.18. een werkstuk, product en systeem maken door basisbewerkingen met name aftekeningen, afkorten, verspanen, verbinden, vervormen en afwerken uit te voeren; b.19. werkzaamheden uitvoeren volgens de regels van integrale Kwaliteits-, Arbo- en Milieu (KAM)-zorg; b.20. een werkstuk, product en systeem samenstellen. Controleren en nazorg plegen De kandidaat kan: b.21. een werkstuk, product, systeem en/of dienst toetsen en evalueren aan de hand van de geformuleerde criteria; b.22. een werkstuk, product en systeem onderhouden, repareren, modificeren en optimaliseren. |
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c. 1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) 4. loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies |
Profielvak: Media, vormgeving en ICT | BB | KB | GL |
Module 1: Audiovisuele vormgeving en productie | |||
Taken: ○ een audiovisuele (AV) productie maken van verhaallijn tot film ○ een animatie maken van verhaallijn tot eindproduct | |||
P/MVI/1.1 | |||
Deeltaak: een thema bedenken voor een AV-productie en dat uitwerken tot een verhaallijn en storyboard De kandidaat kan: | |||
1. een zelf bedacht thema voor een AV-productie uitwerken | x | ||
2. een verhaallijn voor een AV-productie maken | x | ||
3. een storyboard voor een AV-productie maken | x | x | |
P/MVI/1.2 | |||
Deeltaak: filmmateriaal maken met een camera De kandidaat kan: | |||
1. voorbereidende werkzaamheden uitvoeren | x | x | |
2. digitale filmbeelden maken | x | x | |
P/MVI/1.3 | |||
Deeltaak: een digitaal AV-product maken van en daarover een presentatie verzorgen De kandidaat kan: | |||
1. beelden controleren en rangschikken | x | x | |
2. beelden importeren, knippen en monteren met video-editing software | x | x | |
3. effecten, titels en overgangen gebruiken | x | x | |
4. geluidseffecten en muziek gebruiken | x | x | |
5. gemonteerd materiaal exporteren | x | x | |
6. het proces en product presenteren en de keuzes beargumenteren | x | ||
P/MVI/1.4 | |||
Deeltaak: een idee voor het maken van een animatie uitwerken tot een verhaallijn en een storyboard De kandidaat kan: | |||
1. een idee voor een animatie bedenken en beschrijven | x | ||
2. een verhaallijn voor een animatie maken | x | ||
3. een storyboard voor een animatie maken | x | x | |
P/MVI/1.5 | |||
Deeltaak: beelden maken voor een animatie De kandidaat kan: | |||
1. digitale beelden maken | x | x | |
2. beelden bewerken met een bewerkingsprogramma | x | x | |
P/MVI/1.6 | |||
Deeltaak: een animatie masken en hierover een presentatie verzorgen De kandidaat kan: | |||
1. beelden selecteren | x | x | x |
2. beelden importeren en een beweging simuleren | |||
3. tekst bewerken | |||
4. geluidseffecten en muziek toevoegen | |||
5. gemonteerd materiaal exporteren | |||
6. het proces en product presenteren en de keuzes beargumenteren | |||
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding |
Profielvak: Media, vormgeving en ICT | BB | KB | GL |
Module 2: 2D- en 3D-vormgeving en -productie | |||
Taken: ○ een 2D-mediaproduct passend bij een doelgroep vormgeven, maken en presenteren ○ een 3D-product passend bij een doelgroep vormgeven, maken en presenteren | |||
P/MVI/2.1 | |||
Deeltaak: een concept ontwikkelen voor een 2D-mediaproduct De kandidaat kan: | |||
1. onderzoek doen naar de opdracht | x | x | |
2. een idee ontwikkelen voor een 2D-mediaproduct | x | x | |
3. het werk voorbereiden | x | ||
4. onderzoek doen naar de vormgeving van een 2D-mediaproduct | x | ||
5. een schetsontwerp en een dummy maken van een 2D-mediaproduct | x | x | |
6. een concept presenteren | x | x | |
P/MVI/2.2 | |||
Deeltaak: een 2D mediaproduct realiseren en presenteren De kandidaat kan: | |||
1. de realisatie voorbereiden | x | x | |
2. het product maken volgens opdrachteisen en concept met de juiste materialen en technieken | x | x | |
3. de nabewerking uitvoeren | x | x | |
4. een bij het product passende presentatie geven over het product en het proces | x | ||
5. keuzes bij het proces en het product beargumenteren | x | ||
P/MVI/2.3 | |||
Deeltaak: een concept ontwikkelen voor een 3D product De kandidaat kan: | |||
1. onderzoek doen naar de opdracht | x | x | |
2. een idee ontwikkelen voor een 3D-product | x | ||
3. het werk voorbereiden | x | ||
4. onderzoek doen naar vormgeving van een 3D-product | x | ||
5. een schetsontwerp en model maken van een 3D-product | x | x | |
6. een concept presenteren | x | x | |
P/MVI/2.4 | |||
Deeltaak: een 3D-product realiseren en presenteren De kandidaat kan: | |||
1. de realisatie voorbereiden | x | x | |
2. het product met de juiste materialen en technieken maken volgens het ontwikkelde concept | x | x | |
3. onderdelen op juiste wijze monteren | x | x | |
4. een bij het product passende presentatie geven over het product en het proces | x | ||
5. keuzes bij het proces en het product beargumenteren | x | ||
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Media, vormgeving en ICT | BB | KB | GL |
Module 3: ICT | |||
Taken: ○ devices inzetten voor een specifiek doel ○ devices instellen, verbinden en programmeren ○ gebruikers van devices ondersteunen ○ meldingen en gebruikersvragen verwerken | |||
P/MVI/3.1 | |||
Deeltaak: devices inzetten voor een specifiek doel De kandidaat kan: | |||
1. onderzoek doen naar de inzetbaarheid van devices voor een specifiek doel | x | x | |
2. advies geven bij het kiezen van een geschikt device voor een specifiek doel | x | x | |
3. een device kiezen en inzetten voor een specifiek doel | x | x | x |
4. processen beschrijven die door een device kunnen worden uitgevoerd | x | x | |
5. problemen van een gebruiker bij het inzetten van een device analyseren, (her)formuleren en vertalen naar een oplossing | x | x | |
6. een oplossing omzetten naar een stappenplan | x | x | |
P/MVI/3.2 | |||
Deeltaak: devices instellen, verbinden en programmeren De kandidaat kan: | |||
1. devices gebruiksklaar maken en benodigde software installeren | x | x | x |
2. devices en apparatuur aansluiten en instellen | x | x | x |
3. devices veilig verbinden met een netwerk en internet | x | x | x |
4. gebruikers aanmaken en rechten beheren | x | x | x |
5. adviseren over cybersecurity en beveiliging instellen | x | x | x |
6. een gegeven codering invoeren (programmeren) | x | ||
7. een serie geordende stappen omzetten in een codering en deze invoeren (programmeren) | x | x | |
8. software configureren | x | x | x |
9. software-instellingen aanpassen naar de behoefte van de gebruiker | x | x | |
P/MVI/3.3 | |||
Deeltaak: gebruikers ondersteunen De kandidaat kan: | |||
1. gebruikers ondersteunen bij het in gebruik nemen van een device | x | x | x |
2. kosten berekenen en presenteren aan de gebruiker | x | x | x |
3. de gemaakte keuze voor een device voor een specifiek doel verantwoorden | x | x | |
4. controleren of de gebruiker op de juiste wijze geholpen is en het advies indien gewenst aanpassen | x | x | x |
P/MVI/3.4 | |||
Deeltaak: meldingen en gebruikersvragen verwerken De kandidaat kan: | |||
1. klachten, storingen en vragen verwerken met een ICT-helpdesksysteem | x | x | x |
2. meldingen en vragen door middel van een ICT-helpdesksysteem beantwoorden | x | x | x |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Media, vormgeving en ICT | BB | KB | GL |
Module 4: Interactieve vormgeving en productie | |||
Taken: ○ een interactief product maken van onderzoek tot eindproduct ○ een interactief product presenteren en gemaakte keuzes beargumenteren | |||
P/MVI/4.1 | |||
Deeltaak: onderzoek doen naar en bepalen van een interactief product De kandidaat kan: | |||
1. onderzoek doen voor een digitaal product | x | x | |
2. product en device bepalen en toelichten | x | x | |
P/MVI/4.2 | |||
Deeltaak: een interactief product ontwerpen De kandidaat kan: | |||
1. een moodboard maken | x | x | |
2. een stijlblad maken | x | x | x |
3. een flowchart maken | x | x | x |
4. wireframes maken | x | x | x |
P/MVI/4.3 | |||
Deeltaak: een interactief product maken De kandidaat kan: | |||
1. elementen voor een interactief product voorbereiden | x | x | |
2. een ontwerp omzetten in een interactief product | x | x | x |
3. een interactief product responsive maken | x | x | x |
P/MVI/4.4 | |||
Deeltaak: een interactief product aanpassen De kandidaat kan: | |||
1. een interactief product testen | x | x | x |
2. een deel van een interactief product aanpassen | x | x | x |
P/MVI/4.5 | |||
Deeltaak: een interactief product presenteren en beargumenteren De kandidaat kan: | |||
1. een interactief product presenteren en gemaakte keuzes beargumenteren | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Kern Mobiliteit en transport |
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling. a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; a.3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; a.4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; a.5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; a.6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.15. hygiënisch werken; a.16. milieubewust handelen; a.17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; a.18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht. |
b. Professionele kennis en vaardigheden Oriëntatie op de techniek De kandidaat kan: b.1. voorbeelden geven van technische normalisatie instituten, bedrijven en arbeidsorganisaties; b.2. relaties leggen tussen productieprocessen, technische systemen te weten input, proces, output en bronnen met name energie, materie en informatie; b.3. waarden in technisch situaties onderkennen en toepassen, met name duurzaamheid, innovatie, risico en sociale interactie. Voorbereiden De kandidaat kan: b.4. de relaties tussen natuurkundige grootheden en de technische praktijk uitleggen en verklaren met name kracht, druk, lengte, oppervlakte, inhoud, omtrek, elektriciteit, energie, geluid, massa, gewicht, moment, snelheid en temperatuur; b.5. een meting van grootheden uitvoeren, verwerken en vastleggen; b.6. van een (deel)systeem functies van onderdelen benoemen; b.7. materiaaleigenschappen benoemen en deze in verband brengen met hun toepassing; b.8. technische principes van het overbrengen van krachten en bewegingen uitleggen; b.9. technische principes en werking van onderdelen uitleggen en demonstreren; b.10. opbouw en werking van installaties en/of constructies uitleggen en demonstreren. Ontwerpen, maken en dienstverlenen b.11. een tekening lezen; b.12. een ontwerp maken van een product, systeem en proces; b.13. met behulp van een computer een technische tekening maken; b.14. tijdens werkvoorbereiding en werkuitvoering schetsen en werktekeningen maken; b.15. criteria bepalen voor de keuze van materialen en gereedschappen; b.16. criteria toepassen voor de kwaliteit en oplevering van een werkstuk, product, systeem en/of dienst; b.17. een werkwijze vaststellen en werken volgens procedures bij het uitvoeren van een opdracht; b.18. een werkstuk, product en systeem maken door basisbewerkingen met name aftekenen, afkorten, verspanen, verbinden, vervormen en afwerken uit te voeren; b.19. werkzaamheden uitvoeren volgens de regels van integrale Kwaliteits-, Arbo- en Milieu (KAM)-zorg; b.20. een werkstuk, product en systeem samenstellen. Controleren en nazorg plegen De kandidaat kan: b.21. een werkstuk product, systeem en/of dienst toetsen en evalueren aan de hand van de geformuleerde criteria; b.22. een werkstuk, product en systeem onderhouden, repareren, modificeren en optimaliseren. |
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c. 1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) 4. loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: i. de beoogde doelen ii. de resultaten iii. de evaluatie en een conclusie iv. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies |
Profielvak: Mobiliteit & transport | BB | KB | GL |
Module 1: Motorconditie testen | |||
Taak: ○ motormechanische delen meten ○ werkzaamheden aan een smeersysteem uitvoeren ○ werkzaamheden aan een koelsysteem uitvoeren | |||
P/MET/1.1 | |||
Deeltaak: motormechanische delen meten De kandidaat kan: | |||
1. motormechanische delen meten en meetgegevens beoordelen | x | x | x |
2. compressie meten van een verbrandingsmotor | x | x | x |
P/MET/1.2 | |||
Deeltaak: werkzaamheden aan een smeersysteem uitvoeren De kandidaat kan: | |||
1. opbouw en werking van een smeersysteem omschrijven | x | x | x |
2. relevante metingen en tests uitvoeren aan een smeersysteem | x | x | x |
3. een smeersysteem controleren, de vloeistof op niveau brengen en verversen | x | x | x |
4. onderdelen van een smeersysteem controleren, testen en vervangen | x | x | x |
P/MET/1.3 | |||
Deeltaak: werkzaamheden aan een koelsysteem uitvoeren De kandidaat kan: | |||
1. opbouw en werking van een koelsysteem omschrijven | x | x | x |
2. relevante metingen en tests uitvoeren aan een koelsysteem | x | x | x |
3. een koelsysteem controleren, de vloeistof op niveau brengen en verversen | x | x | x |
4. onderdelen van een koelsysteem testen en vervangen | x | x | x |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Mobiliteit & transport | BB | KB | GL |
Module 2: Wielophanging en carrosserie | |||
Taak: ○ wielophanging en veersysteem controleren, beoordelen en vervangen ○ banden en wielen controleren, beoordelen, vervangen, repareren en balanceren ○ delen van de carrosserie inbouwen, uitbouwen en afstellen | |||
P/MET/2.1 | |||
Deeltaak: wielophanging, veer- en stabilisatiesysteem controleren, beoordelen en vervangen De kandidaat kan: | |||
1. onderdelen van de wielophanging controleren, beoordelen en vervangen | x | x | |
2. onderdelen van het veersysteem controleren, beoordelen en vervangen | x | x | |
3. onderdelen van de schokdemping controleren, beoordelen en de schokdempers vervangen | x | x | |
4. onderdelen van het stabilisatiesysteem controleren, stabilisatieonderdelen beoordelen en vervangen | x | x | |
P/MET/2.2 | |||
Deeltaak: banden en wielen controleren, beoordelen, vervangen, repareren en balanceren De kandidaat kan: | |||
1. banden controleren, beoordelen en vervangen | x | x | |
2. een velg controleren | x | x | |
3. een band repareren | x | x | |
4. de combinatie van band en velg balanceren | x | x | |
P/MET/2.3 | |||
Deeltaak: delen van de carrosserie inbouwen, uitbouwen en afstellen De kandidaat kan: | |||
1. delen van een carrosserie verwijderen en monteren | x | x | |
2. niet-dragende geschroefde delen van een carrosserie afstellen | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Mobiliteit & transport | BB | KB | GL |
Module 3: Verlichtings- en comfortsystemen | |||
Taak: ○ eenvoudige elektrische schakelingen maken en metingen uitvoeren ○ verlichtings- en signaleringssystemen controleren, repareren en volgens eenvoudige schema’s aansluiten ○ comfort en veiligheidssystemen controleren ○ elektromotoren aansluiten en testen | |||
P/MET/3.1 | |||
Deeltaak: eenvoudige elektrische schakelingen maken en metingen uitvoeren De kandidaat kan: | |||
1. serie-, parallel- en gemengde schakelingen maken | x | x | x |
2. met meetapparatuur omgaan en heeft kennis van accu-laadapparatuur | x | x | x |
3. een schakeling met relais maken en metingen uitvoeren | x | x | |
4. de conditie van een accu vaststellen en de accu vervangen | x | x | x |
5. elektrische verbindingen maken met verschillende aansluitingen | x | x | x |
P/MET/3.2 | |||
Deeltaak: verlichtings- en signaleringssystemen controleren, repareren en volgens eenvoudige schema’s aansluiten De kandidaat kan: | |||
1. een verlichtingssysteem op een practicumbord aansluiten | x | x | x |
2. een signaleringssysteem op een practicumbord aansluiten | x | x | x |
3. de verlichting en signalering aan een voertuig controleren, repareren en afstellen | x | x | x |
P/MET/3.3 | |||
Deeltaak: comfort en veiligheidssystemen controleren De kandidaat kan: | |||
1. de ruitenwisserinstallatie en het reinigingssysteem controleren | x | x | x |
2. de temperatuur- en ventilatieregeling controleren | x | x | |
3. de veiligheidssystemen controleren | x | x | |
P/MET/3.4 | |||
Deeltaak: elektromotoren aansluiten en testen De kandidaat kan: | |||
1. elektromotoren op een practicumbord aansluiten | x | x | x |
2. metingen aan elektromotoren uitvoeren | x | x | |
3. elektromotoren inbouwen, uitbouwen en testen | x | x | x |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Mobiliteit & Transport | BB | KB | GL |
Module 4: Transport | |||
Taak: ○ een bedrijfsvoertuig veilig laden en lossen ○ een bedrijfsvoertuig vervoersklaar maken en een technische rijklaar-controle uitvoeren ○ een ritplanning en een routeplanning maken (nationaal en internationaal) | |||
P/MET/4.1 | |||
Deeltaak: een bedrijfsvoertuig veilig laden en lossen De kandidaat kan: | |||
1. een laadplan maken | x | x | |
2. voor het laden en lossen het juiste interne transportmiddel kiezen en gebruiken | x | x | |
3. de goederen volgens laadplan laden, stuwen en zekeren | x | x | |
4. de goederen lossen, documenten controleren, de goederen klaarzetten voor inslag | x | x | |
P/MET/4.2 | |||
Deeltaak: een bedrijfsvoertuig vervoersklaar maken en een technische rijklaar-controle uitvoeren De kandidaat kan: | |||
1. een visuele voertuigcontrole uitvoeren | x | x | |
2. een technische rijklaar-controle uitvoeren (oliepeil, verlichting en banden) | x | x | |
3. de lading, bevestiging en de benodigde documenten controleren | x | x | |
P/MET/4.3 | |||
Deeltaak: een ritplanning en een routeplanning maken (nationaal en internationaal) De kandidaat kan: | |||
1. een ritplanning maken | x | x | |
2. een routeplanning maken | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Kern Produceren, installeren en energie |
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling. a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; a.3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; a.4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; a.5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; a.6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.15. hygiënisch werken; a.16. milieubewust handelen; a.17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; a.18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht. |
b. Professionele kennis en vaardigheden Oriëntatie op de techniek De kandidaat kan: b.1. voorbeelden geven van technische normalisatie instituten, bedrijven en arbeidsorganisaties; b.2. relaties leggen tussen productieprocessen, technische systemen te weten input, proces, output en bronnen met name energie, materie en informatie; b.3. waarden in technisch situaties onderkennen en toepassen, met name duurzaamheid, innovatie, risico en sociale interactie. Voorbereiden De kandidaat kan: b.4. de relaties tussen natuurkundige grootheden en de technische praktijk uitleggen en verklaren met name kracht, druk, lengte, oppervlakte, inhoud, omtrek, elektriciteit, energie, geluid, massa, gewicht, moment, snelheid en temperatuur; b.5. een meting van grootheden uitvoeren, verwerken en vastleggen; b.6. van een (deel)systeem functies van onderdelen benoemen; b.7. materiaaleigenschappen benoemen en deze in verband brengen met hun toepassing; b.8. technische principes van het overbrengen van krachten en bewegingen uitleggen; b.9. technische principes en werking van onderdelen uitleggen en demonstreren; b.10. opbouw en werking van installaties en/of constructies uitleggen en demonstreren. Ontwerpen, maken en dienstverlenen b.11. een tekening lezen; b.12. een ontwerp maken van een product, systeem en proces; b.13. met behulp van een computer een technische tekening maken; b.14. tijdens werkvoorbereiding en werkuitvoering schetsen en werktekeningen maken; b.15. criteria bepalen voor de keuze van materialen en gereedschappen; b.16. criteria toepassen voor de kwaliteit en oplevering van een werkstuk, product, systeem en/of dienst; b.17. een werkwijze vaststellen en werken volgens procedures bij het uitvoeren van een opdracht; b.18. een werkstuk, product en systeem maken door basisbewerkingen met name aftekenen, afkorten, verspanen, verbinden, vervormen en afwerken uit te voeren; b.19. werkzaamheden uitvoeren volgens de regels van integrale Kwaliteits-, Arbo- en Milieu (KAM)-zorg; b.20. een werkstuk, product en systeem samenstellen. Controleren en nazorg plegen De kandidaat kan: b.21. een werkstuk product, systeem en/of dienst toetsen en evalueren aan de hand van de geformuleerde criteria; b.22. een werkstuk, product en systeem onderhouden, repareren, modificeren en optimaliseren. |
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c. 1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) 4. loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies |
Profielvak: Produceren, installeren en energie | BB | KB | GL |
Module 1: Ontwerpen en maken | |||
Taak: ○ een ontwerp van een product maken met behulp van CAD-software en de uitvoering voorbereiden ○ een ontworpen product produceren ○ een ontworpen schakeling beproeven ○ onderdelen uit het ontwerp samenstellen, monteren en aansluiten | |||
P/PIE/1.1 | |||
Deeltaak: een ontwerp van een product maken met behulp van CAD-software en de uitvoering voorbereiden De kandidaat kan: | |||
1. een ontwerpvraagstuk analyseren, beschrijven en het ontwerp schetsen, uitvoeren, testen en evalueren | x | x | |
2. met behulp van 3D-CAD een ontwerp en werktuigbouwkundige tekeningen voor een product maken | x | x | x |
3. stuklijsten en materiaalstaten maken aan de hand van tekeningen en schema’s | x | x | |
4. aan de hand van tekeningen, stuklijsten en materiaalstaten een eenvoudige calculatie maken | x | x | |
5. een 3D-ontwerp van een eenvoudig product automatisch produceren met behulp van een productiemachine | x | x | x |
P/PIE/1.2 | |||
Deeltaak: een ontworpen elektrische schakeling in een elektrotechnisch practicum opbouwen en aansluiten De kandidaat kan: | |||
1. elektrische componenten in een practicum opbouwen en aansluiten aan de hand van een eigen ontwerp | x | x | |
2. elektrische componenten in een practicum aansluiten aan de hand van een stroomkringschema | x | x | x |
P/PIE/1.3 | |||
Deeltaak: in een elektrotechnisch practicum metingen uitvoeren De kandidaat kan: | |||
1. uitvoeren aan een elektrische schakeling | x | x | |
2. eenvoudige berekeningen aan elektrische schakelingen uitvoeren | x | x | x |
3. digitale universeelmeter en tweepolige spanningstester instellen en aansluiten | x | x | x |
4. eenvoudige berekeningen maken met de verkregen meetgegevens en deze met tabellen en grafieken weergeven in een meetrapport | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Produceren, installeren en energie | BB | KB | GL |
Module 2: bewerken en verbinden van materialen | |||
Taak: ○ producten maken door het verspanen, vervormen en scheiden van materialen ○ onderdelen samenstellen aan de hand van een werktekening | |||
P/PIE/2.1 | |||
Deeltaak: producten maken door het vervormen en scheiden van materialen door middel van knippen, buigen, zwenkbuigen en het maken van bijbehorende uitslagen De kandidaat kan: | |||
1. van een driedimensionaal product een uitslag maken | x | ||
2. een uitslag overnemen op plaatwerk | x | x | |
3. een plaat bewerken met verschillende gereedschappen en machines | x | x | |
4. buiggereedschap, zetbank en vingerzetbank instellen en gebruiken | x | x | |
5. buigvolgorde bepalen van dunne plaat | x | x | |
P/PIE/2.2 | |||
Deeltaak: Het ontwerp produceren door handmatige, machinale en automatische bewerkingen uit te voeren aan metalen en kunststoffen De kandidaat kan: | |||
1. puntlassen handmatig zagen, schroefdraad snijden en tappen aan de hand van schroefdraadtabellen | x | x | |
2. verspanende bewerkingen met behulp van snijsnelhedentabellen uitvoeren op een draaimachine en boormachine | x | x | |
P/PIE/2.3 | |||
Deeltaak: onderdelen aan de hand van een werktekening met elkaar verbinden De kandidaat kan: | |||
1. onderdelen samenstellen door middel van MAG-hechtlassen en puntlassen | x | x | |
2. onderdelen samenstellen door middel van schroef- en klemverbinding | x | x | |
3. samengestelde producten controleren op kwaliteit van de verbinding en maatvoering | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Produceren, installeren en energie | BB | KB | GL |
Module 3: besturen en automatiseren | |||
Taak: ○ in een practicum een besturingsinstallatie opbouwen ○ in een practicum een regelsysteem opbouwen ○ in een practicum metingen uitvoeren, een verslag maken van de resultaten en deze presenteren ○ een automatische besturing van een proces opbouwen, aansluiten, testen, demonstreren en presenteren | |||
P/PIE/3.1 | |||
Deeltaak: in een practicum aan de hand van een schema en opstellingstekening een besturingsinstallatie, een regelsysteem opbouwen De kandidaat kan: | |||
1. een pneumatische schakeling opbouwen | x | x | x |
2. een programmeerbaar relais aansluiten | x | ||
3. een programmeerbaar relais aansluiten en een programma invoeren | x | x | |
4. sensoren en actuatoren kiezen en aansluiten | x | x | |
5. een regelsysteem opbouwen, aansluiten en testen | x | x | |
6. storingen en fouten zoeken en verhelpen in de opgebouwde schakeling | x | x | x |
P/PIE/3.2 | |||
Deeltaak: een automatische besturing van een proces realiseren en testen De kandidaat kan: | |||
1. besturingscomponenten plaatsen aan de hand van een opstellingstekening | x | x | x |
2. de besturingscomponenten bedraden en aansluiten aan de hand van een bedradingstekening | x | x | x |
3. programma invoeren in een programmeerbaar relais | x | x | |
4. de automatische besturing testen | x | x | x |
5. de automatische besturing demonstreren en presenteren | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Produceren, installeren en energie | BB | KB | GL |
Module 4: installeren en monteren | |||
Taak: ○ een sanitaire installatie aanleggen ○ een elektrische huisinstallatie aanleggen | |||
P/PIE/4.1 | |||
Deeltaak: een sanitaire installatie aanleggen aan de hand van een werktekening De kandidaat kan: | |||
1. werktekeningen en schema’s lezen en interpreteren | x | x | |
2. gangbare installatiebuis bewerken | x | x | |
3. gangbare installatiebuis, inclusief de appendages en kranen verbinden en 4. aanleggen | x | x | |
5. sanitaire kunststof afvoerleidingen verbinden en aanleggen | x | x | |
6. de buisinstallatie beproeven op werking en dichtheid | x | x | |
7. beugelmaterialen toepassen | x | x | |
8. sanitaire toestellen herkennen en aansluiten | x | x | |
9. sanitaire appendages toepassen | x | x | |
P/PIE/4.2 | |||
Deeltaak: een elektrische huisinstallatie aanleggen De kandidaat kan: | |||
1. installatietekeningen en schema’s lezen en interpreteren | x | x | |
2. het leidingnet van een huisinstallatie aanleggen, bedraden en aflassen | x | x | |
3. voor een basislichtschakeling schakelaars wandcontactdozen en verlichtingsarmaturen monteren en aansluiten | x | x | |
4. fouten zoeken en verhelpen met behulp van bedradingstekeningen en installatietekeningen | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Kern Zorg en welzijn |
Een kandidaat kan gebruik maken van de in de ‘kern’ genoemde kennis en vaardigheden in een (gesimuleerde) uitvoerende beroepssituatie of een daarop voorbereidende scholing. De kennis en vaardigheden zijn gerangschikt in algemene kennis en vaardigheden en professionele kennis en vaardigheden. Kennis en vaardigheden worden samen met de persoonlijke eigenschappen ook wel aangeduid als beroepscompetenties. De kern omvat ook kennis en vaardigheden rond loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling. a. Algemene kennis en vaardigheden De kandidaat kan: a.1. de Nederlandse taal in opleidings- en beroepssituaties gebruiken; a.2. een informatiebehoefte signaleren en onderzoeken en op basis hiervan relevante informatie zoeken, beoordelen, verwerken en gebruiken; a.3. mediawijs handelen: kritisch en bewust omgaan met (digitale) media; a.4. bewust omgaan met opslag en gebruik van gegevens en daarbij rekening houden met privacy en digitale veiligheid; a.5. het belang beschrijven en voorbeelden noemen van technologische en innovatieve ontwikkelingen in de beroepscontext; a.6. voor opleiding en beroep relevante berekeningen uitvoeren; a.7. plannen en organiseren in een beroeps(opleiding) gerelateerde situatie; a.8. op systematische en doelgerichte wijze werkzaamheden uitvoeren op basis van een planning met de inzet van vakdeskundigheid en met aandacht voor een zo hoog mogelijke kwaliteit; a.9. mondeling en schriftelijk rapporteren over de uitgevoerde werkzaamheden; onder meer over de planning, voorbereiding, proces en product; a.10. reflecteren op de eigen werkwijze en op de kwaliteit van het eigen werk; a.11. samenwerken en overleggen bij het uitvoeren van werkzaamheden; a.12. werkzaamheden volgens de voorschriften en op een veilige wijze uitvoeren; a.13. economisch bewust en duurzaam omgaan met materialen en middelen; a.14. professionele (technologische) hulpmiddelen gebruiken en hun werking uitleggen; a.15. hygiënisch werken; a.16. milieubewust handelen; a.17. zich aan- en inpassen in een bedrijfscultuur; a.18. voldoen aan de algemene gedrags- en houdingseisen die gesteld worden aan werknemers in de branche; a.19. in een (gesimuleerde) beroepssituatie en stage in een bedrijf omgaan met verschillen op basis van culturele gebondenheid en geslacht. |
b. Professionele kennis en vaardigheden De kern van de vmbo sector Zorg en Welzijn bestaat uit drie te onderscheiden maar niet te scheiden aspecten. – persoonlijk functioneren; – werken met en voor de klant; – werken in de beroepsomgeving Met de 'de klant' wordt bedoeld: de cliënt, gebruiker, zorgvrager, hulpvrager. Persoonlijk functioneren De kandidaat kan: b.1a. het begrip puberteit omschrijven en de kenmerken benoemen (fysiek, psychisch en sociaal); b.1b. een relatie leggen tussen het eigen functioneren en welbevinden en eigen levensfase (reflecteren); b.2a. het begrip leefstijl omschrijven en kenmerken benoemen van een gezonde en ongezonde leefstijl; b.2b. de eigen leefstijl omschrijven en aangeven welke keuzes hij/zij zelf maakt (reflecteren); b3. het eigen gedragspatroon in relatie tot klanten in verschillende contexten herkennen, benoemen en erop reflecteren; b.4. de eigen ervaring met h et werk in de verschillende werkvelden van de sector benoemen en aangeven waarom hij/zij zich daar wel of niet thuis bij voelt; b.5. de eigen mogelijkheden en beperkingen met betrekking tot het werken in de verschillende werkvelden weergeven en aangeven hoe en waarin hij/zij zich wil ontwikkelen; b.6. ICT-vaardigheden toepassen met name: tekstverwerkingsprogramma en presentatieprogramma. Werken met en voor de ander/klant De kandidaat kan: b.7. een contact aangaan en onderhouden met de klant en zich daarbij respectvol, empathisch, vriendelijk en belangstellend opstellen; b.8. in contacten met klanten opmerkzaam zijn op aspecten van gezondheid en welzijn (waarnemen, observeren, signaleren) en het handelen daarop afstemmen; b.9. behoeften en wensen van klanten signaleren en hierover in gesprek gaan; b.10. globaal de kenmerken van verschillend levensfasen herkennen en beschrijven (fysieke, psychische en sociale aspecten); b.11. cultuurverschillen herkennen en benoemen, en aangeven wanneer interculturaliteit een rol speelt in situaties; b.12. in contacten met klanten rekening houden met verschillen in levensfase, cultuur, individuele mogelijkheden; b.13. werken volgens beroepsethiek; b.14. bij contacten met klanten verschillende gespreksdoelen onderscheiden (zoals informeren, motiveren, stimuleren, instrueren) en gesprekken voeren met een duidelijke opbouw (introductie, hoofdonderwerp, afronding). Werken in de beroepsomgeving De kandidaat kan: b.15. het specifieke karakter en nieuwe trends en ontwikkelingen herkennen en benoemen van de werkvelden Gezondheidszorg, Welzijn, Facilitaire Dienstverlening, Sport & Bewegen en Uiterlijke Verzorging; b.16. zich binnen ieder afzonderlijk werkveld passend en representatief gedragen; b.17. ontwikkelingen op het gebied van ondernemerschap in de werkvelden herkennen en benoemen. |
c. Loopbaanoriëntatie en -ontwikkeling De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. De kandidaat doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen. c. 1. De kandidaat heeft de vaardigheid de eigen loopbaan vorm te geven door op systematische wijze om te gaan met ‘loopbaancompetenties’: 1. kwaliteitenreflectie (wat kan ik het best en hoe weet ik dat?) 2. motievenreflectie (waar ga en sta ik voor en waarom dan?) 3. werkexploratie (waar ben ik het meest op mijn plek en waarom daar?) 4. loopbaansturing (hoe bereik ik mijn doel en waarom zo?) 5. netwerken (wie kan mij helpen mijn doel te bereiken en waarom die mensen?) c.2. De kandidaat maakt zijn eigen loopbaanontwikkeling inzichtelijk voor zichzelf en voor anderen doormiddel van een ‘loopbaandossier’. In een loopbaandossier is opgenomen welke activiteiten zijn uitgevoerd die hebben bijgedragen tot het ontwikkelen van de ‘loopbaancompetenties’. In het loopbaandossier wordt beschreven bij een aantal uitgevoerde activiteiten: I. de beoogde doelen II. de resultaten III. de evaluatie en een conclusie IV. welke vervolgactiviteiten gepland zijn op basis van de opgedane ervaringen en de daarbij horende conclusies |
Profielvak: Zorg en welzijn | BB | KB | GL |
Module 1: mens en gezondheid | |||
Taak: ondersteunen bij keuzes voor een gezonde leefstijl ○ informatie geven over een gezonde leefstijl ○ een gezonde maaltijd samenstellen, bereiden en opdienen ○ ondersteunen bij een verantwoord voedings- en bewegingspatroon en dagritme | |||
P/ZW/1.1 | |||
Deeltaak: informatie geven over een gezonde leefstijl De kandidaat kan: | |||
1. uitleggen welke aspecten van invloed zijn op fysieke, psychische en sociale gezondheid | x | x | |
2. een verband leggen tussen leefstijl, voedingspatroon, hygiëne, bewegen en gezondheid | x | x | |
3. informatie zoeken en geven over het gebruik van genotmiddelen | x | x | |
4. de invloed van media op leefstijl beschrijven en herkennen | x | x | |
P/ZW/1.2 | |||
Deeltaak: een gezonde maaltijd samenstellen, bereiden en opdienen De kandidaat kan: | |||
1. een gezonde maaltijd samenstellen | x | x | |
2. recepten lezen en omrekenen naar aantal personen | x | x | |
3. een planning maken voor het correct uitvoeren van de werkzaamheden | x | x | |
4. rekening houden met hygiëne | x | x | |
5. vaardigheden toepassen die noodzakelijk zijn tijdens de bereiding van een maaltijd | x | x | |
6. materiaal en apparatuur hanteren bij de bereiding van gerechten in de privéhuishouding | x | x | |
7. gerechten presenteren | x | x | |
8. gebruikte materialen schoonmaken en opruimen | x | x | |
P/ZW/1.3 | |||
Deeltaak: ondersteunen bij een verantwoord voedings- en bewegingspatroon en dagritme De kandidaat kan: | |||
1. informatie zoeken en geven over voedings- en bewegingspatroon en dagritme | x | x | |
2. voedings- en leefgewoonten signaleren, herkennen, rapporteren en hierover adviseren aan de klant | x | x | |
3. uitleggen hoe dagritme van invloed is op het fysieke en mentale welzijn | x | x |
Profielvak: Zorg en welzijn | BB | KB | GL |
Module 2: mens en omgeving | |||
Taak: ondersteunen bij het creëren van een verzorgde, schone en veilige leef- en werkomgeving ○ schoonmaak en onderhoudswerkzaamheden uitvoeren ○ textiel verzorgen ○ baliewerkzaamheden verrichten ○ ondersteunen bij het kiezen van aanpassingen en hulpmiddelen in en rondom het gebouw die toegankelijkheid en veiligheid bevorderen ○ bij het inrichten van een ruimte rekening houden met het gebruik van een ruimte | |||
P/ZW/2.1 | |||
Deeltaak: schoonmaak en onderhoudswerkzaamheden uitvoeren De kandidaat kan: | |||
1. werkvolgorde en planning maken voor de uit te voeren werkzaamheden | x | x | |
2. onderhoudsvoorschriften lezen, interpreteren en ernaar handelen | x | x | |
3. schoonmaakmiddelen, -apparatuur en -materialen kiezen en gebruiken | x | x | |
4. werkzaamheden uitvoeren volgens plan | x | x | |
5. gebruikte materialen schoonmaken en opruimen | x | x | |
P/ZW/2.2 | |||
Deeltaak: textiel verzorgen De kandidaat kan: | |||
1. etiketten lezen, interpreteren en er naar handelen | x | x | |
2. wasgoed sorteren | x | x | |
3. een wasbehandeling uitvoeren | x | x | |
4. strijken, vouwen en opbergen van de was | x | x | |
P/ZW/2.3 | |||
Deeltaak: baliewerkzaamheden verrichten De kandidaat kan: | |||
1. zich representatief en klantgericht opstellen | x | x | |
2. de klant ontvangen en begroeten | x | x | |
3. een informatief en zakelijk gesprek voeren | x | x | |
4. taalgebruik afstemmen op de klant met name woordkeuze en stemgebruik | x | x | |
5. een telefoonnotitie maken, een boodschap aannemen en doorgeven | x | x | |
6. een telefonische afspraak maken | x | x | |
7. schriftelijk rapporteren | x | x | |
8. afscheid nemen | x | x | |
P/ZW/2.4 | |||
Deeltaak: ondersteunen bij het kiezen van aanpassingen en hulpmiddelen in en rondom het gebouw die toegankelijkheid en veiligheid bevorderen De kandidaat kan: | |||
1. informatie geven over veelvoorkomende aanpassingen en hulpmiddelen ter bevordering van de toegankelijkheid en veiligheid rondom het gebouw | x | x | |
P/ZW/2.5 | |||
Deeltaak: bij het inrichten van een ruimte rekening houden met het gebruik van een ruimte De kandidaat kan: | |||
1. een ruimte inrichten conform de opdracht | x | ||
2. de inrichting afstemmen op de wensen en de behoeften van de gebruiker | x |
Profielvak: Zorg en welzijn | BB | KB | GL |
Module 3: mens en activiteit | |||
Taak: activiteiten organiseren en begeleiden met als doel de klant te activeren ○ een eenvoudige activiteit voor een individu en groep voorbereiden ○ een eenvoudige activiteit met een individu en groep uitvoeren ○ een eenvoudige activiteit met een individu en groep afsluiten | |||
P/ZW/3.1 | |||
Deeltaak: een eenvoudige activiteit voor een individu en groep voorbereiden De kandidaat kan: | |||
1. wensen en behoeften achterhalen van een individu of groep | x | x | x |
2. een passende activiteit kiezen | x | x | x |
3. informatie zoeken en geven over mogelijke activiteiten | x | x | x |
4. een draaiboek voor een activiteit maken | x | x | x |
P/ZW/3.2 | |||
Deeltaak: een eenvoudige activiteit met een individu en groep uitvoeren De kandidaat kan: | |||
1. deelnemer(s) gastvrij ontvangen, op hun gemak stellen en wegwijs maken | x | x | x |
2. deelnemer(s) motiveren tot deelname aan een activiteit | x | x | x |
3. deelnemer(s) stimuleren tot zelf doen of meedoen | x | x | x |
4. op gestructureerde en consequente wijze iets voordoen en uitleggen | x | x | x |
5. begeleiden van een activiteit | x | x | x |
P/ZW/3.3 | |||
Deeltaak: een eenvoudige activiteit met een individu en groep afsluiten De kandidaat kan: | |||
1. een activiteit afronden | x | x | x |
2. materialen en hulpmiddelen laten opruimen | x | x | x |
3. een activiteit met deelnemers en medewerkers evalueren | x | x | x |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
Profielvak: Zorg en welzijn | BB | KB | GL |
Module 4: mens en zorg | |||
Taak: ondersteunende handelingen verrichten bij het zorg verlenen aan de klant ○ ondersteunen bij eenvoudige verzorgende activiteiten ○ ondersteunen bij bewegen en verplaatsen ○ eenvoudige EHBO-technieken toepassen ○ ondersteunen bij vaak voorkomende ziekteverschijnselen ○ toepassingen van ICT en technologie in de hulpverlening benoemen, adviseren en gebruiken | |||
P/ZW/4.1 | |||
Deeltaak: ondersteunen bij eenvoudige verzorgende activiteiten De kandidaat kan: | |||
1. de hulpbehoefte van een klant signaleren, inventariseren, rapporteren en daarop handelen | x | x | x |
2. begrip en respect tonen voor gevoelens en wensen van de klant | x | x | x |
3. verzorgende activiteiten uitvoeren en daarbij rekening houden met de privacy van de klant | x | x | x |
4. de klant stimuleren tot zelfredzaamheid | x | x | |
P/ZW/4.2 | |||
Deeltaak: ondersteunen bij het bewegen en verplaatsen De kandidaat kan: | |||
1. de hulpbehoefte van een klant signaleren, inventariseren, 2. rapporteren en ernaar handelen | x | x | x |
3. begrip tonen voor gevoelens en wensen van de klant bij het bewegen en verplaatsen | x | x | x |
4. beweeg-, til- en verplaatsingstechnieken gebruiken | x | x | x |
P/ZW/4.3 | |||
Deeltaak: eenvoudige EHBO-technieken toepassen De kandidaat kan: | |||
1. een inschatting maken van de ernst van de verwonding en afwegen: zelf handelen of hulp zoeken | x | x | x |
2. handelen bij lichte verwondingen, letsel aan het bewegingsapparaat, verslikken en stikken, bloedneus, splinter | x | x | x |
P/ZW/4.4 | |||
Deeltaak: ondersteunen bij vaak voorkomende ziekteverschijnselen De kandidaat kan: | |||
1. informatie zoeken en geven over vaak voorkomende ziekten en 2. ziekteverschijnselen | x | x | x |
3. een inschatting maken van de ernst van de ziekte en het eigen handelen daarop aanpassen | x | x | x |
4. toezien op juist medicijngebruik | x | x | x |
5. handelingen uitvoeren volgens voorschrift arts en recept | x | x | x |
P/ZW/4.5 | |||
Deeltaak: toepassingen van ICT en technologie in de hulpverlening benoemen, adviseren en gebruiken De kandidaat kan: | |||
1. systemen van ICT en technologie volgens instructie gebruiken | x | x | x |
2. de functies en gevolgen van ICT en (zorg)technologie benoemen en 3. adviseren over de inzet van deze systemen | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
K/PIE/2.28 edelmetaal bewerken | BB | KB | GL |
Taak: ○ elementaire introductie van het vak goudsmeden. ○ kennismaken met diverse basistechnieken | |||
K/PIE/2.28.1 | |||
Deeltaak: elementaire introductie van het vak goudsmeden De kandidaat kan: | |||
1. de eigenschappen van verschillende edelmetalen benoemen | x | x | x |
2. bewerkingen van verschillende edelmetalen uitvoeren | x | x | x |
3. uitleggen wat het vak goudsmid/zilversmid inhoudt | x | x | x |
4. bij het uitvoeren van opdrachten laten zien over welke capaciteiten een goud-, zilversmid dient te beschikken, zoals creatief zijn en artistiek zijn en een goede fijne motoriek / oog-handcoördinatie hebben | x | x | x |
K/PIE/2.28.2 | |||
Deeltaak: kennismaken met diverse basistechnieken. De kandidaat kan: | |||
1. optekentechnieken op non-ferro metalen gebruiken | x | x | x |
2. de meest voorkomende montage-, verbindings- en giettechnieken toepassen | x | x | x |
3. een werkstuk uitvoeren en het werkstuk presenteren | x | x | x |
4. veilig en duurzaam werken | x | x | x |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
K/PIE/1 Composiet | BB | KB | GL |
Taak: ○ Werkzaamheden voorbereiden ○ Veiligheidseisen toepassen ○ Een product van composiet maken met behulp van de juiste gereedschappen, materialen en hulpmiddelen. ○ Vervaardigde product controleren en de uitgevoerde werkzaamheden afronden | |||
K/PIE/1.1 | |||
Deeltaak: De kandidaat krijgt inzicht in de verschillende soorten composiet. De toepassingen van composiet met de daarbij horende voor- en nadelen. Zij maken kennis met de toepassingsmogelijkheden van composiet in verschillende beroepssituaties en welke aandachtspunten dat met zich meebrengt. De kandidaat kan: | |||
1. Benoemt de voor -en nadelen van composiet | x | x | x |
2. Past de mogelijkheden en eigenschappen van verschillende composietmaterialen, composietvezels en harsen toe. | x | x | x |
3. Licht de toepassingsmogelijkheden van composiet toe, binnen verschillende beroepssectoren. | x | x | x |
4. Treft voorbereidingen voor de werkplek. | x | x | x |
5. Bepaalt een werkvolgorde voor het maken van eenvoudige producten van composiet. | x | x | x |
6. Gebruikt de juiste gereedschappen en hulpmiddelen voor het maken van eenvoudige producten van composiet. | x | x | x |
K/PIE/1.2 | |||
Deeltaak: In deze deeltaak leren kandidaten wat er nodig is om veilig composiet te maken en wat voor veiligheidseisen er zijn. Bovendien leren zij de veiligheidseisen om verhard composiet te bewerken De kandidaat kan: | |||
1. Past de basis regelgeving toe omtrent de opslag, gebruik en afvoer van epoxy 's, harsen, versterking materialen en vulmiddelen | x | x | x |
2. Past de juiste veiligheidseisen en -maatregelen toe bij het verwerken van materialen en het bewerken van composieten | x | x | x |
3. Past de veiligheidseisen en -maatregelen toe die gelden voor persoonlijke bescherming | x | x | x |
K/PIE/1.3 | |||
Deeltaak: In deze deeltaak laten de leerlingen zien dat zij de kennis en vaardigheden die zij hebben ontwikkeld in het vak kunnen inzetten om zelf een eenvoudig composietmodel te maken. De composiet voldoet aan de veiligheidseisen en is versterkt met vulmiddel en versterkingsmateriaal. De kandidaat kan: | |||
1. Maakt een ontwerp op basis van een werktekening en gestelde eisen | x | x | x |
2. Werkt volgens een plan van aanpak | x | x | x |
3. Maakt een product van composiet | x | x | x |
K/PIE/1.4 | |||
Deeltaak: In deze deeltaak laten de leerlingen zien dat zij de kennis en vaardigheden die zij hebben ontwikkeld in het vak zelfstandig kunnen inzetten om zelf een eenvoudig composietmodel te maken. De composiet voldoet aan de veiligheidseisen en is versterkt met vulmiddel en versterkingsmateriaal. De kandidaat kan: | |||
1. Voert metingen en controles uit van gemaakte producten | x | x | x |
2. Vult meetrapporten in en trekt daaruit conclusies | x | x | |
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
K/GRN/1 Paard & Welzijn | BB | KB | GL |
Taak: ○ De kandidaat heeft kennis van de drie fysiologische domeinen van een paard en kan de invloed van de fysiologische domeinen op de mentale staat van het paard onderzoeken, beoordelen en aanbevelingen doen m.b.t. optimalisatie. ○ De kandidaat heeft kennis van het natuurlijk gedrag van een paard en kan de invloed van de leefomgeving en interactie met soortgenoten onderzoeken en beoordelen. ○ De kandidaat heeft inzicht in trainingsprincipes en kan Leertheorie toepassen in het opstellen van een trainingsplan. ○ De kandidaat kan een eenvoudig trainingsplan creëren en uitvoeren voor gedragsaanpassing bij een paard, met correct gebruik van Leertheorie. | |||
K/GRN/1.1 | |||
Deeltaak: 1. De kandidaat heeft kennis van de drie fysiologische domeinen van een paard en kan de invloed van de fysiologische domeinen op de mentale staat van het paard onderzoeken, beoordelen en aanbevelingen doen m.b.t. optimalisatie. De kandidaat kan: | |||
1. de hoeveelheid ruwvoer en krachtvoer berekenen, verstrekken en controleren op kwaliteit. | x | x | x |
2. de watergift beoordelen op kwaliteit, kwantiteit en de manier van verstrekken | x | x | x |
3. de huisvestiging van een individueel paard beoordelen aan de hand van het soorteigen gedrag van paarden | x | x | |
4. op basis van instructie de huisvestiging van een individueel paard beoordelen aan de hand van het soorteigen gedrag van paarden | x | ||
5. de gezondheid en de conditie en van een paard beoordelen | x | x | x |
6. punten benoemen voor optimaal huisvesten van een individueel paard, met positief effect op de mentale staat van het paard. | x | x | x |
K/GRN/1.2 | |||
Deeltaak: 2. De kandidaat heeft kennis van het natuurlijk gedrag van een paard en kan de invloed van de leefomgeving en interactie met soortgenoten onderzoeken en beoordelen. De kandidaat kan: | |||
1. verbanden leggen tussen de interactie tussen mens en paard en de invloed van deze interactie op de mentale staat van het paard. | x | x | x |
2. de juiste houding aannemen om een veilige en positieve interactie te creëren met het paard | x | x | x |
3. zijn/haar stem zo gebruiken dat dat bijdraagt aan een positieve interactie | x | x | x |
4. kennis en vaardigheden toepassen om bekwaam om te gaan met een paard | x | x | x |
5. beoordelen of de interactie met soortgenoten van een individueel paard voldoende is om chronische stress te voorkomen. | x | x | x |
K/GRN/1.3 | |||
Deeltaak: 3. De kandidaat heeft inzicht in trainingsprincipes en kan Leertheorie toepassen in het opstellen van een trainingsplan. De kandidaat kan: | |||
1. risico’s van natuurlijk gedrag van een paard voor mensen inschatten en een zo veilig mogelijke interactie creëren. | x | x | x |
2. inzicht in de mentale capaciteit en mentale staat van een paard en kan hier passend mee omgaan | x | x | x |
3. aangeven wat habituatie, desensitisatie, kalmerende signalen, klassieke conditionering en operante conditionering, LIMA en LIFE is. | x | x | x |
K/GRN/1.4 | |||
Deeltaak: 4. De kandidaat kan een eenvoudig trainingsplan creëren en uitvoeren voor gedragsaanpassing bij een paard, met correct gebruik van Leertheorie De kandidaat kan: | |||
1. een trainingsdoel omzetten in een door de kandidaat uit te voeren trainingsplan | x | x | |
2. op basis van instructies een trainingsdoel omzetten in een door de kandidaat uit te voeren trainingsplan | x | ||
3. een realistisch trainingsdoel kiezen, met passende stimulus en beloning, gebruikmakend van het kwadrant | x | x | |
4. op basis van instructies een trainingsdoel omzetten in een door de kandidaat uit te voeren trainingsplan | x | ||
5. een stimulus kiezen en deze omzetten in een cue voor het gekozen gedrag. | x | x | x |
6. shaping toepassen tijdens het leerproces van het paard, passend bij het individu | x | x | x |
7. tijdens de training zijn/haar kennis en vaardigheden over het leervermogen van een paard en de interactie tussen mens en paard toepassen | x | x | x |
8. over het leerproces van het paard waken door de kleinste poging te belonen en waar nodig stappen terug te zetten in de training. | x | x | x |
9. het trainingsplan evalueren en aangeven of het trainingsdoel behaald is | x | ||
10. een aanbeveling voor vervolgtraining formuleren. | x | ||
Voor het uitvoeren van de taak beheerst de kandidaat de voorwaardelijke kennis, vaardigheden en houding. |
1.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werkt:
voor wat betreft artikel I, onderdeel C, derde, zevende, achtste en negende lid terug tot 1 augustus 2026;
voor wat betreft artikel II terug tot 1 augustus 2025;
voor wat betreft artikel III terug tot 29 januari 2026.
2.
In afwijking van het eerste lid treedt artikel I, onderdeel C, tweede, vierde, vijfde, zesde en tiende lid, in werking met ingang van 1 augustus 2027.
Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Het curriculum van de bovenbouw vmbo, havo en vwo wordt met enige regelmaat geactualiseerd. Met deze wijzigingsregeling worden wiskunde voor het gehele vmbo en acht beroepsgerichte programma’s specifiek voor de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte en gemengde leerwegen geactualiseerd. Daarnaast worden drie nieuwe beroepsgerichte keuzevakken vmbo geïntroduceerd. De examenprogramma’s zijn door de SLO, Cito en het CvTE ontwikkeld samen met de vakvereniging, beroepsgerichte platforms en een groot aantal pilot-scholen.
Met deze wijzigingsregeling worden verschillende geactualiseerde examenprogramma’s toegevoegd: wiskunde voor de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte en gemengde/theoretische leerwegen. Daarnaast worden ook de beroepsgerichte programma’s Bouwen, wonen en interieur (BWI), Dienstverlening en producten (D&P), Groen (G), Horeca, bakkerij en recreatie (HBR), Media, vormgeving en ICT (MVI), Mobiliteit en transport (M&T), Produceren, installeren en energie (PIE) en Zorg en welzijn (Z&W) toegevoegd. Voor zowel wiskunde als de beroepsgerichte programma’s geldt dat de programma’s gefaseerd ingevoerd worden. De nieuwe examenprogramma’s wiskunde worden vooralsnog toegevoegd aan de bestaande examenprogramma’s. Op een later moment worden de huidige examenprogramma’s wiskunde geschrapt.
Met geactualiseerde examenprogramma’s per vak per schoolsoort en leerweg krijgen scholen een concretere opdracht met een duidelijke omschrijving van wat iedere leerling aan het eind van de bovenbouw vo moet kennen en kunnen. De programma’s bieden leraren daardoor meer houvast om vorm te geven aan hun onderwijs- en toetsprogramma’s. Dat is anders dan in de huidige examenprogramma’s; die beschrijven globaal en minder concreet wat leerlingen moeten kennen en kunnen en er bestaan grote verschillen tussen vakken en schoolsoorten.
Nieuwe examenprogramma’s wiskunde vmboDeze regeling vervangt de oude examenprogramma’s wiskunde vmbo door nieuwe examenprogramma wiskunde vmbo. Deze nieuwe programma’s worden ingevoerd met ingang van 1 augustus 2027 voor de leerlingen die vanaf dat moment in het derde leerjaar van het vmbo zijn toegelaten. De centrale examens wiskunde vmbo worden vanaf schooljaar 2028/2029 gebaseerd op de nieuwe examenprogramma’s vmbo.
De nieuwe examenprogramma’s wiskunde vmbo gelden niet voor leerlingen die op 1 augustus 2027 tot het vierde leerjaar vmbo zijn toegelaten. Deze leerlingen volgen nog één van de oude examenprogramma’s wiskunde vmbo en kunnen dit tot en met het schooljaar 2028/2029 afronden met een centraal examen gebaseerd op deze oude examenprogramma’s. Voor vmbo-leerlingen op 1 augustus 2027 in het derde leerjaar vmbo zijn toegelaten en die in hun voorlaatste leerjaar (dus in het derde leerjaar, in schooljaar 2027/2028) hun examen wiskunde afronden volgen eveneens één van de oude wiskundeprogramma’s vmbo.
In tabelvormCentraal examen tot en met mei 2028 | Centraal examen in mei 2029 | Centraal examen vanaf mei 2030 | |
Cohorten leerlingen (regulier vmbo, vavo en staatsexamen) | Tot en met cohort 2026/2027 (per 1/8/2026 of eerder toegelaten tot 3e leerjaar vmbo, CE wiskunde in mei 2028 of eerder) Versneld cohort 2027/2028 (per 1/8/2027 toegelaten tot 3e leerjaar vmbo) dat gespreid examen doet met CE wiskunde in mei 2028 | Cohort 2027/2028 (per 1/8/2027 toegelaten tot 3e leerjaar vmbo, CE wiskunde in mei 2029) Vertraagd cohort 2026/2027 (per 1/8/2026 toegelaten tot 3e leerjaar vmbo, CE wiskunde in mei 2028, gezakt) | Vanaf cohort 2028/2029 (per 1/8/2028 of later toegelaten tot 3e leerjaar vmbo, CE wiskunde in mei 2030 of later) Vertraagd cohort 2027/2028 (per 1/8/2027 toegelaten tot 3e leerjaar vmbo, CE wiskunde in mei 2029, gezakt) |
Versie examenprogramma (curriculum, schoolexamen, centraal examen) | Alleen ‘oude stijl’ | Cohort 2027/2028: ‘nieuwe stijl’ Vertraagd cohort 2026/2027: ‘oude stijl’ (bezemexamen) | Alleen ‘nieuwe stijl’ |
De beroepsgerichte examenprogramma’s BWI, D&P, G, HBR, MVI, M&T, PIE en Z&W vervangen de bestaande programma’s. De beroepsgerichte programma’s worden in twee fases ingevoerd.
Herijking profielen BWI, PIE, M&T en MVI nieuwe stijlVanaf het examenjaar 2027 worden BWI, PIE, M&T en MVI nieuwe stijl geëxamineerd. De leerlingen die in augustus 2025 ingestroomd zijn in leerjaar 3 en die in het derde jaar het centraal schriftelijk en praktisch examen (cspe) afnemen, leggen een cspe oude stijl af. De leerlingen die in augustus 2024 zijn ingestroomd in de bovenbouw van het vmbo en in het vierde leerjaar het cspe doen, leggen eveneens het oude stijl cspe af. De leerlingen die zakken voor het laatste reguliere cspe oude stijl, kunnen het daarop volgende jaar deelnemen aan het bezemexamen oude stijl.
De andere groepen leggen een nieuwe stijl cspe af.
Laatste instroom oude stijl | Laatst reguliere cspe oude stijl | Eerste instroom nieuwe stijl | Bezemklas cspe oude stijl | Eerste cspe nieuwe stijl | |
Cspe in leerjaar 3 | Augustus 2025 | 2026 | Augustus 2026 | 2027 | 2027 |
Cspe in leerjaar 4 | Augustus 2024 | 2026 | Augustus 2025 | 2027 | 2027 |
Vanaf het examenjaar 2028 worden D&P, Groen, HBR en Z&W nieuwe stijl geëxamineerd. De leerlingen die in augustus 2026 ingestroomd zijn in leerjaar 3 en die in het derde jaar het cspe afnemen, leggen een cspe oude stijl af. De leerlingen die in augustus 2025 zijn ingestroomd in de bovenbouw van het vmbo en in het vierde leerjaar het cspe doen, leggen eveneens het oude stijl cspe af. De leerlingen die zakken voor het laatste reguliere cspe oude stijl, kunnen het daarop volgende jaar deelnemen aan het bezemexamen oude stijl.
De andere groepen leggen een nieuwe stijl cspe af.
Laatste instroom oude stijl | Laatste reguliere cspe oude stijl | Eerste instroom nieuwe stijl | Bezemklas cspe oude stijl | Eerste cspe nieuwe stijl | |
Cspe in leerjaar 3 | Augustus 2026 | 2027 | Augustus 2027 | 2028 | 2028 |
Cspe in leerjaar 4 | Augustus 2025 | 2027 | Augustus 2026 | 2028 | 2028 |
Voor wiskunde vmbo geldt dat paragraaf 2.13 van bijlage 2 in de volgende gevallen van toepassing blijft:
tot en met schooljaar 2028/2029 voor leerlingen die op 1 augustus 2027 zijn toegelaten tot het vierde leerjaar vmbo; en
in het schooljaar 2027/2028 voor vmbo-leerlingen die in dat schooljaar vervroegd examen doen op grond van artikel 2.56, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
De nieuwe beroepsgerichte programma’s Bouwen, wonen en interieur, Media vormgeving en ICT, Mobiliteit en transport en Produceren, installeren en energie treden in werking vanaf schooljaar 2026–2027. Omdat het cspe zowel in leerjaar 3 als 4 afgenomen kan worden, gaat dat om de volgende twee groepen:
de leerlingen die die vanaf augustus 2025 ingestroomd zijn in leerjaar 3 en die in het vierde jaarjaar het cspe afnemen, en
de leerlingen die in augustus 2026 zijn ingestroomd en in leerjaar 3 het cspe afleggen.
De nieuwe beroepsgerichte programma’s Dienstverlening en producten, Groen, Horeca, bakkerij en recreatie en Zorg en welzijn en wiskunde voor vmbo basisberoepsgerichte leerweg, vmbo kaderberoepsgerichte leerweg en vmbo gemengde en theoretische leerweg treden in werking vanaf schooljaar 2027–2028. Het gaat om de volgende twee groepen:
de leerlingen die die vanaf augustus 2026 ingestroomd zijn in leerjaar 3 en die in het vierde jaarjaar het cspe afnemen, en
de leerlingen die in augustus 2027 zijn ingestroomd en in leerjaar 3 het cspe afleggen.
Tevens is de afkorting CvE alle 42 keer dat deze in de regeling voorkwam vervangen door de afkorting CvTE. Toen de Regeling Examenprogramma’s VO werd opgesteld was de naam van het College voor Toetsen en Examens (CvTE) nog ‘College voor Examens’ (afgekort CvE). Sinds 1 augustus 2014 is de naam van dit College ‘College voor Toetsen en Examens’ (afgekort CvTE). Met deze technische aanpassing is de benaming weer correct en actueel. De aanpassing heeft geen enkele praktische consequentie.
Met deze wijzigingsregeling worden drie nieuwe beroepsgerichte keuzevakken toegevoegd aan de Regeling beroepsgerichte keuzevakken vmbo. Het betreft de keuzevakken Edelmetaal, Composiet en Paard en welzijn. Bij de aanvraag tot goedkeuring van nieuwe beroepsgerichte keuzevakken moet onder meer worden vermeld in hoeverre ze een aanvulling vormen op het reeds bestaande aanbod van dit type vakken. De nieuwe keuzevakken zijn door de Adviescommissie beroepsgerichte keuzevakken, bestaande uit vertegenwoordigers van de SLO, de Stichting platforms vmbo en SBB, positief beoordeeld.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een kennelijk verschrijving in de Subsidieregeling beproeven examenprogramma’s te herstellen, te weten in artikel 4.1d van die regeling, waar abusievelijk bij het havo- en vwo-vak biologie de basisberoepsgerichte leerweg werd vermeld.
Met de actualisering van zowel de beroepsgerichte programma’s in het vmbo als de actualisering van de algemene vakken in het vmbo, havo en vwo worden veel examenprogramma’s vernieuwd. Er is voor gekozen om de nieuwe examenprogramma’s niet per programma te publiceren zodra deze gereed zijn, maar de programma’s geclusterd te publiceren. Met deze wijzigingsregeling worden drie verschillende soorten examenprogramma’s vernieuwd: het algemene vak wiskunde, acht verschillende beroepsgerichte programma’s en drie beroepsgerichte keuzevakken. Het gevolg van deze keuze is dat de examenprogramma’s die als eerste gereed waren – de beroepsgerichte keuzevakken – met terugwerkende kracht ingevoerd worden. Daarmee krijgen de reeds afgenomen examens een juridische status.
De verschillende examenprogramma’s treden daarom op verschillende momenten in werking. De drie beroepsgerichte keuzevakken treden met terugwerkende kracht per 1 augustus 2025 in werking. Voor de andere examenprogramma’s is gekozen voor 1 augustus 2026, omdat dit de start is van het nieuwe schooljaar.
De wijziging met betrekking tot de Subsidieregeling beproeven examenprogramma’s werkt terug tot en met 29 januari 2026 wegens een abusievelijke verschrijving. De regeling waarin dit zich voordeed trad op die datum inwerking, bij dat moment is aangesloten voor de betreffende correctie.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
De volledige tekst hierboven is de officiële, gepubliceerde bekendmaking; de samenvatting bovenaan deze pagina is automatisch gegenereerd. Controleer voorwaarden, deadlines en subsidieplafonds altijd op de officiële pagina voordat u een aanvraag indient.