Terug naar de radar

Officiële Bekendmakingen (KOOP)

Subsidieregeling mannenalliantie tegen gendergerelateerd geweld en femicide 2027–2031

OpenGeldig tot 31 december 2031

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Deze regeling biedt projectsubsidie aan één samenwerkingsverband. Doel is de bijdrage van mannen en jongens aan het voorkomen, signaleren en tegengaan van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en femicide te vergroten. De subsidie loopt vier jaar, met ingang van 1 januari 2027. De doelgroep bestaat uit jongens en mannen, vooral mannen die opvoeder zijn. De aanvrager treedt op als penvoerder namens een samenwerkingsverband van organisaties.

Volledige officiële tekst

Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 september 2026, nr. DE/62900222, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan een samenwerkingsverband gericht op de rol van mannen bij het voorkomen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en in het bijzonder femicide (Subsidieregeling mannenalliantie tegen gendergerelateerd geweld en femicide 2027–2031)De Staatsecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.2 en 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

ewustwordingsinterventie:

bactiviteit als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a.

DUS-I:

Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;

femicide:

dodelijk gendergerelateerd geweld tegen vrouwen;

gedragsinterventie:

activiteit als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a;

gendergelijkheid:

gelijke rechten, kansen en behandeling van mensen, ongeacht geslacht, genderidentiteit of genderexpressie;

gendergerelateerd geweld tegen vrouwen:

geweld dat vrouwen wordt aangedaan vanwege hun geslacht, genderidentiteit of genderexpressie, of geweld dat vrouwen onevenredige mate treft, wat leidt of dreigt te leiden tot fysieke, seksuele, psychologische of economische schade;

gendertransformatieve aanpak:

aanpak die gericht is op de oorzaken van genderongelijkheid door schadelijke gendernormen ter discussie te stellen en te transformeren met als doel het aanpakken van ongelijke machtsverhoudingen en het bevorderen van gendergelijkheid.

intersectionaliteit:

verschillende vormen van ongelijkheid of discriminatie, zoals racisme, seksisme, homofobie of validisme, die elkaar beïnvloeden en samen bepalen hoe iemand kansen, macht en uitsluiting ervaart. Het begrip laat zien dat deze vormen van ongelijkheid niet los van elkaar bestaan, maar met elkaar samenhangen en elkaar kunnen versterken.

projectsubsidie:

projectsubsidie als bedoeld in artikel 1.1 van de Kaderregeling;

Kaderregeling:

Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

klankbordgroep:

klankbordgroep als bedoeld in artikel 6;

organisatie:

organisatie als bedoeld in artikel 5, derde lid;

minister:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

penvoerder:

penvoerder als bedoeld in artikel 7;

plan van aanpak:

activiteitenplan als bedoeld in artikel 10.

pleger- en systeeminterventies:

interventies die gericht zijn op mensen die geweld hebben gepleegd of dreigen te gaan plegen, het gezin of degenen om hen heen, om de kans op geweld of de kans op de herhaling van geweld te verkleinen;

samenwerkingsverband:

samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 5.

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling.

Artikel 3. Subsidiedoel, doelgroep en te subsidiëren activiteiten

1.

De minister kan aan de penvoerder van één samenwerkingsverband projectsubsidie verlenen voor het uitvoeren van een plan van aanpak, als bedoeld in artikel 10, dat erop is gericht om mannen een bijdrage te laten leveren aan het voorkomen, signaleren en bestrijden van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, en in het bijzonder femicide.

2.

De doelgroep van het samenwerkingsband zijn jongens en mannen. In het bijzonder richt het samenwerkingsverband zich op mannen in de rol van opvoeders.

3.

De projectsubsidie wordt verstrekt voor een periode van vier jaar.

Artikel 4. Hoogte subsidieplafond en subsidiebedrag

Het bedrag dat beschikbaar is voor subsidieverstrekking op grond van de subsidieregeling wordt door de minister bekendgemaakt in de Staatscourant.

Artikel 5. Samenwerkingsverband en samenwerkingsovereenkomst

1.

Het samenwerkingsverband bestaat uit ten minste twee en ten hoogste vijf organisaties.

2.

Indien het plan van aanpak, zowel op het Europese deel van Nederland als op Caribisch Nederland betrekking heeft:

  • a.

    kan het samenwerkingsverband in afwijking van het eerste lid ten hoogste uit acht organisaties bestaan; en

  • b.

    hebben de maximaal drie aanvullende organisaties aantoonbare kennis van en ervaring met de lokale context in Caribisch Nederland, en zijn bij voorkeur gevestigd in Caribisch Nederland.

3.

Een organisatie die deelneemt aan het samenwerkingsverband:

  • a.

    is een privaatrechtelijke rechtspersoon of een universiteit als bedoeld in onderdeel a of b van de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

  • b.

    werkt vanaf het moment van de subsidieaanvraag minimaal drie jaar aan het bevorderen van gendergelijkheid of het voorkomen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, waarbij de eis van minimaal drie jaar niet geldt indien de organisatie gevestigd is in Caribisch Nederland; en

  • c.

    heeft ervaring met de rol van of het betrekken van mannen bij het bevorderen van gendergelijkheid of het voorkomen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen.

4.

De organisaties die het samenwerkingsverband vormen, sluiten een samenwerkingsovereenkomst. De samenwerkingsovereenkomst wordt opgesteld met gebruikmaking van de modelovereenkomst die in bijlage 2 is opgenomen, en voldoet aan de beoordelingscriteria die zijn opgenomen in bijlage 1.

Artikel 6. Klankbordgroep

1.

Het samenwerkingsverband richt een klankbordgroep in, om zichzelf te voorzien van een onafhankelijk, deskundig perspectief. In de samenwerkingsovereenkomst wordt beschreven op welke wijze de klankbordgroep wordt samengesteld en ingezet.

2.

Werknemers en vrijwilligers van de organisaties binnen het samenwerkingsverband kunnen geen onderdeel uitmaken van de klankbordgroep.

Artikel 7. Penvoerder

1.

De penvoerder is verantwoordelijk voor het indienen van de subsidieaanvraag, administratieve verplichtingen, verantwoording en de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.

2.

Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke organisatie in het samenwerkingsverband feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.

3.

Een universiteit als bedoeld in onderdeel a of b van de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek kan geen penvoerder zijn.

Artikel 8. Aanvraag subsidie

1.

De penvoerder kan subsidie aanvragen van 22 oktober 2026, 9:00 uur tot en met 17 december 2026, 13:00 uur.

2.

Een organisatie mag maximaal deel uitmaken van twee samenwerkingsverbanden ten behoeve waarvan een aanvraag wordt ingediend. Wanneer een organisatie deel uitmaakt van meer dan twee samenwerkingsverbanden, worden alleen de eerste twee ingediende subsidieaanvragen van samenwerkingsverbanden waaraan de desbetreffende organisatie deelneemt, in behandeling genomen.

Artikel 9. In te dienen documenten

1.

De subsidie dient te worden aangevraagd met gebruikmaking van het online formulier dat daarvoor beschikbaar is gesteld door DUS-I.

2.

Een aanvraag bevat de volgende stukken:

  • a.

    een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 5;

  • b.

    een plan van aanpak als bedoeld in artikel 10;

  • c.

    een begroting als bedoeld in artikel 11;

  • d.

    vastgestelde jaarverslagen van 2024 en 2025, voor zover beschikbaar, van alle organisaties in het samenwerkingsverband;

  • e.

    statuten van alle organisaties in het samenwerkingsverband.

Artikel 10. Plan van aanpak

1.

Het plan van aanpak voldoet aan de beoordelingscriteria die zijn opgenomen in bijlage 1 en bevat ten minste een gedetailleerde uitwerking van de volgende activiteiten:

  • a.

    Het uitvoeren van offline en online bewustwordings- en gedragsinterventies, gericht op:

    • 1°.

      het herkennen, bevragen en bespreekbaar maken van gendernormen, stereotypen en opvattingen die bijdragen aan het ontstaan en voortduren van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen;

    • 2°.

      het bevorderen van alternatieve positieve opvattingen over gender, gelijkwaardigheid en gezonde relaties; en

    • 3°.

      het bevorderen van duurzame gedragsverandering, zowel offline als online met aandacht voor subculturen, waarin schadelijke gendernormen worden verspreid.

  • b.

    Het uitvoeren van offline en online interventies en trainingen t.a.v. handelingsperspectief voor omstanders en potentiële plegers, gericht op:

    • 1°.

      het herkennen van en ingrijpen bij seksisme en schadelijke gendernormen.

    • 2°.

      het tijdig herkennen van en ingrijpen bij signalen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, waaronder rode vlaggen voor femicide;

    • 3°.

      het zoeken van hulp en ondersteuning wanneer mannen de signalen onder 2° bij zichzelf of anderen herkennen.

  • c.

    Het gendertransformatief maken van pleger- en systeeminterventies en deskundigheidsbevordering, door middel van:

    • 1°.

      het analyseren in hoeverre ten minste vijf reeds bestaande pleger- en systeeminterventies genderongelijkheid als grondoorzaak van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen adresseren;

    • 2°.

      het adviseren over het gendertransformatief vormgeven van de interventies, en over het in lijn brengen van de interventies met de ‘European Standards for Perpetrator Programmes’ gepubliceerd door ‘The European Network for the Work with Perpetrators of Domestic Violence’ en de ‘Guidance for safe and effective perpetrator programmes’ gepubliceerd door de Raad van Europa,

    • 3°.

      het trainen van de uitvoerders van de interventies zoals beschreven onder 1 en 2, om dit te doen op een gendertransformatieve manier en met bewustzijn van eigen vooroordelen en de invloed daarvan op hun werk.

  • d.

    Het leveren van een overzicht van kennisontwikkeling en aanbevelingen na twee en na vier jaar, waarbij het overzicht ten minste bevat:

    • 1°.

      een overzicht van de opgedane kennis over de wijze waarop mannen offline en online op een effectieve manier kunnen bijdragen aan het voorkomen, signaleren en bestrijden van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, en in het bijzonder femicide;

    • 2°.

      aanbevelingen voor gemeenten, de landelijke overheid, organisaties en andere relevante betrokkenen over het effectief en structureel vormgeven van een offline en online aanpak gericht op de rol van mannen in het voorkomen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, en in het bijzonder femicide.

2.

Het plan van aanpak bevat ook de volgende onderdelen:

  • a.

    een gedetailleerde beschrijving van de manier waarop de activiteiten bijdragen aan het subsidiedoel;

  • b.

    een activiteitenplanning met daarin de start- en einddatum van het project en een uitgewerkt overzicht van realiseerbare activiteiten in de projectperiode waarin in ieder geval fasering, mijlpalen en beoogde tussentijdse resultaten en eindresultaten worden opgenomen.

3.

Voor de eerste twee jaren wordt de activiteitenplanning in de aanvraag uitgewerkt op detailniveau, en voor de laatste twee jaar op hoofdlijnen, als beschreven in artikel 17, tweede en derde lid.

Artikel 11. Begroting

1.

De begroting in de aanvraag is voor de eerste twee jaren van de subsidieperiode op detailniveau uitgewerkt, en voor de laatste twee jaren op hoofdlijnen.

2.

De begroting van de eerste twee jaren bevat in ieder geval:

  • a.

    een onderbouwd overzicht van de geraamde kosten en opbrengsten op activiteitniveau;

  • b.

    het gedifferentieerde uurtarief per categorie medewerker of functieniveau is, evenals een specificatie van het aantal verwachte uren per functieniveau. De begroting bevat ook de compensatie voor de klankbordgroep en in te schakelen ervaringsdeskundigen, sleutelfiguren en andere externen.

3.

De begroting van de laatste twee jaren bevat in ieder geval een globaal overzicht van de geraamde kosten en opbrengsten op activiteitniveau, voor zover deze betrekking hebben op de laatste twee jaren.

4.

De begroting van de laatste twee jaren dient te worden aangevuld, als beschreven in artikel 17, tweede en derde lid.

Artikel 12. Niet-subsidiabele kosten

1.

De volgende kosten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten die door het samenwerkingsverband zijn gemaakt vóór het indienen van de aanvraag;

  • b.

    de verrekenbare BTW over de gesubsidieerde kosten;

  • c.

    de eventuele restwaarde van specifieke voor de subsidiabele activiteiten aangeschafte apparatuur;

  • d.

    kosten die al uit anderen hoofde door de minister zijn gesubsidieerd;

  • e.

    loonkosten boven het maximale uurtarief. Het maximale uurtarief komt overeen met het kostendekkende tarief per uur van schaal 13 voor integrale loonkosten in de Handleiding Overheidstarieven.

Artikel 13. Procedure beoordeling projectsubsidie

1.

De minister bepaalt de rangschikking van de aanvragen op basis van een onderlinge afweging van de aanvragen. Hierbij geldt dat hoe meer punten de aanvraag scoort met inachtneming van de in bijlage 1 genoemde wegingspercentages, hoe hoger de aanvraag wordt gerangschikt.

2.

De minister beoordeelt de subsidieaanvraag aan de hand van de volgende onderdelen en beoordelingscriteria, zoals uitgewerkt in bijlage 1 behorende bij deze regeling:

  • a.

    Samenwerkingsverband (weging 20%):

    • 1°.

      Verwachte meerwaarde van de samenwerking (maximaal 5 punten);

    • 2°.

      Relevante kennis en ervaring (maximaal 5 punten);

  • b.

    Plan van aanpak (weging 50%)

    • 1°.

      Kwaliteit en onderbouwing (maximaal 5 punten);

    • 2°.

      Locaties, domeinen en landelijke spreiding (maximaal 5 punten);

    • 3°.

      Doelgroep en bereik (maximaal 5 punten);

    • 4°.

      Effectiviteit en impact (maximaal 5 punten);

    • 5°.

      Intersectionele en gendertransformatieve benadering (maximaal 5 punten);

    • 6°.

      Duurzaamheid en borging (maximaal 5 punten);

  • c.

    Begroting (weging 30%)

    • 1°.

      Kwaliteit en onderbouwing begroting (maximaal 5 punten);

    • 2°.

      Efficiëntie (maximaal 5 punten).

3.

Om voor rangschikking in aanmerking te komen geldt dat minimaal 3 punten moeten zijn toegekend op ieder deelcriterium binnen het beoordelingskader.

4.

De minister verleent de projectsubsidie aan het samenwerkingsverband dat aan alle vereisten van de regeling voldoet en de hoogste rangschikking heeft. De minister besluit binnen 13 weken na afloop van de periode, bedoeld in artikel 8, eerste lid, op de aanvragen. De startdatum van het de projectsubsidie is 1 januari 2027.

Artikel 14. Weigeringsgronden

1.

De subsidieverstrekking wordt geweigerd, indien:

  • a.

    ten minste één van de organisaties niet voldoet aan artikel 5, derde lid;

  • b.

    het plan van aanpak geen uitwerking bevat van alle activiteiten genoemd in artikel 10, eerste lid;

  • c.

    de aanvraag wordt ingediend buiten de aanvraagperiode, zoals bedoeld in artikel 8;

  • d.

    er minder dan drie punten zijn toegekend op één van de beoordelingscriteria, zoals bedoeld in artikel 13, tweede en derde lid.

Artikel 15. Subsidieverstrekking en bevoorschotting

1.

De minister verstrekt een voorschot van 90%. Dit voorschot wordt per kwartaal betaald, gelijkmatig verdeeld over het aantal jaren waarvoor de subsidie wordt verleend. De minister kan, bij een afwijkende liquiditeitsbehoefte, afwijken van deze verdeling.

Artikel 16. Tussentijdse evaluatie

1.

Het samenwerkingsverband is verplicht mee te werken aan de externe tussentijdse evaluatie die gericht is op de voortgang, kwaliteit, doelmatigheid en effectiviteit van de uitvoering van het plan van aanpak en de gesubsidieerde activiteiten. Deze tussentijdse evaluatie vangt binnen 13 weken na het tweede jaar vanaf het moment van beschikken aan. De penvoerder is verplicht om ten behoeve van de tussentijdse evaluatie:

  • a.

    de benodigde informatie te verzamelen, waaronder de resultaten van het plan van aanpak uit artikel 10;

  • b.

    deze informatie tijdig en volledig te verstrekken;

  • c.

    de voortgangsrapportages over het eerste en tweede jaar aan te leveren, zoals bedoeld in artikel 17, vierde lid;

  • d.

    het gedetailleerde plan van aanpak en uitgewerkte begroting aan te leveren voor het derde jaar, bedoeld in artikel 17, tweede lid.

2.

De minister kan op basis van de tussentijdse evaluatie besluiten dat de subsidie voor de resterende periode wordt aangepast of ingetrokken.

Artikel 17. Verplichtingen subsidie

1.

De penvoerder is verplicht zorg te dragen voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten volgens het plan van aanpak en de begroting.

2.

De penvoerder is verplicht uiterlijk tien weken voor het einde van het tweede jaar een gedetailleerd plan van aanpak en een uitgewerkte begroting, bedoeld in artikel 10, derde lid en artikel 11, derde lid, in te dienen voor het derde jaar.

3.

De penvoerder is verplicht uiterlijk tien weken voor het einde van het derde jaar een gedetailleerd plan van aanpak en een uitgewerkte begroting, bedoeld in artikel 10, derde lid, en artikel 11, derde lid, in te dienen voor het vierde jaar.

4.

De penvoerder dient binnen 13 weken na afloop van het eerste, tweede en derde jaar vanaf het moment van beschikking een voortgangsrapportage in waarin de resultaten en voortgang van het project beschreven zijn. De penvoerder maakt daarbij gebruik van het door DUS-I beschikbaar gestelde format.

5.

De activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt worden uiterlijk vier jaar na het verlenen van de subsidie afgerond.

6.

De penvoerder neemt verplicht deel aan een nader te bepalen eindevaluatie.

Artikel 18. Verantwoording en vaststelling

1.

De penvoerder dient binnen 22 weken na de datum waarop de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, uiterlijk moeten zijn verricht een aanvraag tot vaststelling in.

2.

De aanvraag om vaststelling bestaat uit:

  • a.

    een activiteitenverslag;

  • b.

    een financieel verslag; en

  • c.

    een controleverklaring.

3.

De controleverklaring wordt opgesteld door een accountant overeenkomstig het door de minister vastgestelde accountantsprotocol. De controleverklaring heeft betrekking op de gerealiseerde kosten en opbrengsten van alle organisaties in het samenwerkingsverband.

4.

De minister besluit binnen 22 weken op een aanvraag tot vaststelling.

Artikel 19. Inwerkingtreding en vervaldatum

1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 24 september 2026.

2.

Deze regeling vervalt met ingang van 31 december 2031, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft ten aanzien van subsidies die voor die datum op grond van de regeling zijn verstrekt.

Artikel 20. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling mannenalliantie tegen gendergerelateerd geweld en femicide 2027–2031.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Toelichting

Gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, waaronder femicide, is een groot maatschappelijk probleem. Het kabinet zet zich in om gendergerelateerd geweld tegen vrouwen te voorkomen: van preventie tot strafrechtelijke aanpak. Op 7 juni 2024 is het plan van aanpak ‘Stop Femicide!’ met de Kamer gedeeld. Verschillende veldpartijen en organisaties hebben daaraan meegewerkt. Hierin is opgenomen dat het kabinet extra wil inzetten op de rol van mannen bij het voorkomen van gendergerelateerd geweld en in het bijzonder femicide door middel van een ‘integrale mannenalliantie’. Alhoewel er al veel literatuur en onderzoek beschikbaar is over het betrekken van mannen in het voorkomen van geweld tegen vrouwen en femicide, en er verschillende organisaties en maatschappelijke bewegingen zijn die zich hier mee bezighouden, is er nog onvoldoende samenhang in betrokkenheid en beleidsinzicht. Het kabinet start daarom een subsidieregeling om een samenwerkingsverband van organisaties te faciliteren gericht op het versterken van de bijdrage van mannen aan het voorkomen van offline en online gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en op de gezamenlijke doorontwikkeling van kennis, interventies en werkwijzen in lijn met de doelstellingen van de regeling.

In deze regeling worden wanneer toepasselijk onder ‘mannen’ zowel volwassen mannen als jongens bedoeld, en onder ‘vrouwen’ zowel volwassen vrouwen als meiden. De regeling richt zich in het bijzonder op mannen in de rol van opvoeder, in de meest brede zin van het woord. Van vader tot voetbaltrainer en van lievelingsoom tot docent of jongerenwerker.

De uitgangspunten voor de subsidieregeling komen voort uit het Plan van Aanpak ‘Stop Femicide’. Dit Plan van Aanpak is opgesteld op basis van input van wetenschappers, nabestaanden en ervaringsdeskundigen. Eveneens richt de mannenalliantie zich op de uitgangspunten voorkomend uit het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) en de EU-richtlijn ter bestrijding van Geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld ten aanzien van preventie. De mannenalliantie vormt daarmee een belangrijk onderdeel voor de implementatie hiervan.

Daarnaast is er een online stakeholderuitvraag uitgezet met de voorgenomen opzet van de subsidieregeling waar organisaties/betrokkenen op konden reageren van 24 juni tot 18 augustus 2025. De reacties op deze stakeholderuitvraag zijn, voor zover mogelijk en relevant, gebruikt om de uitgangspunten van de regeling verder uit te werken.

Dit heeft geleid tot de totstandkoming van de volgende doelstellingen voor het samenwerkingsverband:

  • a)

    Bewustwordings- en gedragsinterventies

  • b)

    Handelingsperspectief voor omstanders en potentiële plegers

  • c)

    Gendertransformatieve pleger- en systeeminterventies en deskundigheidsbevordering

  • d)

    Kennisontwikkeling en aanbevelingen

Gendergerelateerd geweld tegen vrouwen is geweld gericht tegen vrouwen vanwege hun geslacht, genderidentiteit of genderexpressie. Gendergerelateerd geweld kan fysiek van aard zijn, maar ook psychologisch of economisch. Het maakt daarbij niet uit of dit in het openbaar of privé is, of het geweld is tussen voormalige of huidige echtgenoten of partners, en of de dader in dezelfde woning als het slachtoffer verblijft of heeft verbleven. Het geweld kan zich ook online voordoen. Onder gendergerelateerd geweld verstaan we ook de bedreiging met dit soort geweld, dwang of willekeurige vrijheidsberoving. Vrouwen zijn statistisch gezien de grootste groep slachtoffers van gendergerelateerd geweld en mannen zijn veelal de plegers. De kans dat iemand door geweld om het leven komt door een (ex-)partner of familielid is voor vrouwen in Nederland veel groter dan voor mannen.1Plan van aanpak, ‘Stop femicide!’, 2024.

Gendergerelateerd geweld en femicide raken alle lagen van de bevolking. Om gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, waaronder femicide, te bestrijden moet er aandacht zijn voor de oorzaken hiervan. De oorzaken van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, waaronder femicide, liggen onder meer verankerd in de maatschappelijke, culturele en sociale normen en waarden in onze samenleving. Patriarchale opvattingen, genderongelijkheid en machtsverhoudingen zijn van invloed op gendergerelateerd geweld.2EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld; GREVIO General Recommendation No. 1 on the digital dimension of violence against women, 2021; Orange the World, Gendergerelateerd geweld voorkomen en bestrijden: concrete actiepunten voor gemeenten, 2025. De Piramide van geweld laat zien hoe opmerkingen gebaseerd op stereotiepe opvattingen over seksualiteit, relaties en gender en microagressies op basis van sekse, gender of seksuele oriëntatie bijdragen aan een cultuur die gendergerelateerd geweld normaliseert, bijvoorbeeld in de vorm van alledaags seksisme. Verwachtingen ten aanzien van mannelijkheid en vrouwelijkheid kunnen leiden tot afhankelijkheden, ongelijke machtsverhoudingen, geweld en moord.3Atria, Rutgers & Act4respect, De piramide van geweld, april 2025. Daarom is een brede, maatschappelijke aanpak essentieel om gendergerelateerd geweld tegen vrouwen aan te pakken.

Het wegnemen van gender als oorzaak van geweld vereist dat schadelijke opvattingen over gender worden tegengegaan. Men moet zich ervan bewust zijn welke gendernormen beperkend of schadelijk zijn en dat deze tot geweld kunnen leiden. Daarnaast is het noodzakelijk dat dit soort opvattingen vervangen worden door alternatieve, positieve opvattingen over mannelijkheid en vrouwelijkheid, relaties en gelijkwaardigheid in algemene zin. Daarbij is van belang dat er gendertransformatief wordt opgetreden, gericht op het aanpakken van de onderliggende oorzaken van genderongelijkheid. Hierbij worden gendernormen en stereotypen actief veranderd, en worden machtsverhoudingen aan de kaak gesteld.4EU Member States’ Gender Experts Working Group, Gender-Transformative Approaches: From Theory to Impact. Op deze manier kan de cirkel van het ontstaan en voortduren van geweld worden doorbroken.

Een effectieve aanpak van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, waaronder femicide, vereist het betrekken van mannen, omdat zij het merendeel van de plegers van gendergerelateerd geweld zijn. Bovendien vormen mannen ongeveer de helft van de samenleving, waardoor zij een essentiële en positieve rol hebben in het bevorderen van gendergelijkheid en het tegengaan van schadelijke opvattingen en gedrag. De rol van mannen is van belang bij het voorkomen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, maar zij kunnen zelf ook last hebben van schadelijke gendernormen. Gendernormen en verwachtingen hebben namelijk ook invloed op de levensomstandigheden en -omgeving van mannen en daarmee op hun uitdagingen, kansen, gedrag en vrijheden.

Door middel van deze subsidieregeling wordt een samenwerkingsverband gefaciliteerd met als doel dat mannen, en in het bijzonder opvoeders, een bijdrage leveren aan het voorkomen, signaleren en bestrijden van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, en in het bijzonder femicide. Het samenwerkingsverband voert verschillende activiteiten uit om dit doel te bereiken.Deze activiteiten worden uitgewerkt in een door een samenwerkingsverband in te dienen plan van aanpak. De participatie van mannen/opvoeders bij het voorkomen van gendergerelateerd geweld is een integraal onderdeel van de uiteenlopende inspanningen in de strijd voor gendergelijkheid en tegen gendergerelateerd geweld. Het is daarbij van belang dat het samenwerkingsverband functioneert binnen de bredere beweging voor gendergelijkheid, en genderongelijkheid en schadelijke gendernormen niet versterkt worden.5Casey E, Carlson J, Two Bulls S, Yager A, Gender Transformative Approaches to Engaging Men in Gender-Based Violence Prevention: A Review and Conceptual Model. Trauma Violence Abuse, 2018.

De grondslag voor de subsidieregeling zijn artikel 4 en 5 van de wet overige OCW subsidies en artikel 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Er is geen risico is op staatssteun. De subsidieregeling is gericht op activiteiten door een samenwerkingsverband van partijen die actief zijn op het gebied van gendergerelateerd geweld en genderongelijkheid. Voor de specifieke interventies (en het inzicht daarin) die deze subsidieregeling ondersteunt, gericht op mannen, bestaat geen verdienmodel en dus ook geen commercieel equivalent. Hierdoor is geen sprake is van economische activiteiten. Waar derden worden betrokken bij de uitvoering, moeten die marktconform worden ingehuurd.

Deze regeling levert administratieve lasten op voor aanvrager van de subsidie. Het betreft de partij die de penvoerder is van het samenwerkingsverband. Gezien de omvang van de bedragen zijn de administratieve lasten proportioneel.

De regeldruk wordt berekend aan de hand van een gemiddeld uurtarief (€ 54) met uitzondering van de kosten voor de accountant die geraamd zijn op € 200 per uur. De regeling zelf schrijft geen exacte uurtarieven voor, maar dit kan gezien worden als een gemiddeld en redelijk tarief dat voortvloeit uit Handboek meting regeldruk. Daarbij is aangetekend dat hierbij gerekend wordt met de rijksbrede normen voor het inzichtelijk en vergelijkbaar maken van de regeldruk en dat dit geen uitdrukking is van de kosten die daadwerkelijk gemaakt worden. De daadwerkelijk gemaakte uren of kosten kunnen immers van organisatie tot organisatie verschillen.

Er zijn administratieve lasten te verwachten bij de aanvraag, het leveren van voortgangsrapportages, bij de tussentijdse evaluatie en bij de verantwoording van de subsidie.

De penvoerder dient een plan van aanpak, een begroting, een samenwerkingsovereenkomst, vastgestelde jaarverslagen van alle organisaties en statuten van alle organisaties in. Bij de aanvraag ontstaan regeldrukkosten voor de samenwerkingsverbanden, zoals het kennisnemen van de regeling, het invullen van een aanvraagformulier, het opstellen van een plan van aanpak en begroting en het invullen en ondertekenen van een samenwerkingsovereenkomst.

Ook zal het samenwerkingsverband eenmalig kosten maken voor de tussentijdse evaluatie. De exacte kosten zullen afhankelijk zijn van de gekozen opzet van de externe evaluator, maar zijn waarschijnlijk beperkt tot het aanleveren van stukken, en het afleggen van interviews. De verdere eenmalige kosten hebben betrekking op het invullen van een elektronisch formulier met verzoek tot vaststelling van de subsidie, met een activiteitenverslag, financieel verslag en een controleverklaring, conforme aanwijzingen uit het Uniform Subsidiekader (USK).

Voor de verantwoording van de subsidie maakt het samenwerkingsverband zowel structurele als eenmalige kosten. De structurele kosten ontstaan door het bijhouden van administratie en het opstellen van een voortgangsrapportage in het eerste, tweede en derde jaar. Aangezien het meten en bijhouden van de impact onderdeel is van het plan van aanpak, zijn deze kosten subsidiabel. De penvoerder maakt bij de voortgangsrapportage gebruik van een format, inclusief instructie.

Activiteit

Tarief

Eenheid (uren): eenmalig

Eenheid (uren): structureel per jaar

Totaal samen?xpp afbm?>werkingsverband

1 Kennisnemen regeling

54

5

–

270

2 Invullen en aanleveren van alle documenten noodzakelijk voor een aanvraag

54

5

–

270

3 Vormen samenwerkingsverband

54

10

–

540

4 Uitwerken plan van aanpak

54

40

–

2160

5 Uitwerken begroting

54

30

–

1620

6 Administratie en voortgangsrapportages

54

–

6 (administratie)

20 (voortgangsrapportage (m.u.v. vierde jaar))

45361(3x20+6x4)x54=4536

7 Meewerken met externe evaluatie

54

20

–

1080

8 Accountantskosten

200

40

8000

9 Vaststelling

54

30

1620

Totaal;

20096

Gemiddelde jaarlijkse regeldruk

5024

Op basis van de rijksbrede normen voor het (vergelijkbaar) berekenen van de regeldruklast, valt de totale gemiddelde jaarlijkse regeldruk uit op € 5.024,–. Het beschikbare budget voor subsidies bedraagt in totaal vier miljoen euro over vier jaar. De regeldruk last laat zich dus als percentage uitdrukken op 0,5%. Dit is proportioneel. Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het weinig gevolgen heeft voor de regeldruk.

De subsidieregeling is opgezet voor de vorming van één samenwerkingsverband die een plan van aanpak uitvoert, als bedoeld in artikel 10. De aanleiding en het doel van de subsidieregeling is beschreven in de algemene toelichting.

In het tweede lid wordt met mannen als opvoeders niet alleen vaders bedoeld, maar ook anderen die een rol spelen in de opvoeding, ontwikkeling, begeleiding en vorming van kinderen en jongeren. Daarbij valt te denken aan sportcoaches, leraren, leeftijdsgenoten en andere rolmodellen. Opvoeders beïnvloeden de normen, waarden, verwachtingen en het gedrag van mannen en jongens in de samenleving. Zij hebben, hoe moeilijk dat soms ook kan zijn, een taak om het gesprek aan te gaan over waarden als gelijkwaardigheid en respect, en om zicht te hebben op de offline en online invloeden waaraan jongens en mannen blootgesteld worden. Wij vragen de alliantie om oog te houden voor beschikbare data over plegers en slachtoffers van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen6Zoals beschikbaar gesteld door de Nederlandse Femicide Monitor., moeilijk te bereiken groepen en verschillende leefwerelden en levensfases.

In dit artikel wordt uitgelegd wat er in deze regeling bedoeld wordt met de term samenwerkingsverband, en hoe dit verband wordt vormgegeven.

Vanwege de verregaande samenwerking die van partijen wordt gevraagd op inhoud en administratie, is ervoor gekozen om het aantal organisaties per samenwerkingsverband te beperken tot maximaal vijf. Bij de allianties op basis van de subsidieregeling gender- en lhbti+ gelijkheid is gebleken dat vijf organisaties werkbaar is. Indien het samenwerkingsverband zich ook op Caribisch Nederland richt wordt wegens de specifieke context van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba ruimte geboden voor het toevoegen maximaal drie extra organisaties. Door drie extra organisaties toe te staan, ontstaat ruimte voor organisaties die kennis en expertise hebben van de lokale context in Caribisch Nederland om een passende aanpak te ontwikkelen. Ook ontstaat hierdoor een mogelijkheid voor organisaties uit Caribisch en Europees Nederland om kennis uit te wisselen en op een gelijkwaardige manier samen te werken.

Indien het plan van aanpak zich ook richt op Caribisch Nederland is het een vereiste dat de aanvullende organisaties aantoonbare kennis en ervaring hebben ten aanzien van de lokale context, en bij voorkeur ook gevestigd zijn in Caribisch Nederland. Dit wordt aangetoond met een korte toelichting en onderbouwt met bijvoorbeeld statuten, doelstellingen, jaarverslagen, of voorbeelden van projecten of initiatieven waaruit dit blijkt.

Het derde lid geeft aan welke eisen aan deelnemende organisaties worden gesteld. De criteria zijn zogenoemde drempelcriteria waaraan de organisatie zonder meer aan moet voldoen.

De organisaties geven een beschrijving van hun ervaring met het bevorderen van gendergelijkheid of het voorkomen van gendergerelateerd geweld (minimaal 3 jaar) en het betrekken van mannen bij deze onderwerpen, onderbouwd met relevante stukken zoals statuten, doelstellingen, jaarverslagen, rapporten, evaluaties of voorbeelden van projecten of initiatieven waaruit dit blijkt. De eis van minimaal drie jaar ervaring geldt niet indien een organisatie gevestigd is in Caribisch Nederland.

Het samenwerkingsverband is verplicht tot het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst om hun samenwerking vorm te geven, zoals weergegeven in het format in bijlage 2. Het samenwerkingsverband moet voldoen aan verschillende criteria die uiteengezet zijn in het format van de samenwerkingsovereenkomst in bijlage 2 en de beoordelingscriteria in bijlage 1.

Het samenwerkingsverband dient een klankbordgroep op te zetten om het samenwerkingsverband te voorzien van een onafhankelijk, deskundig perspectief. De klankbordgroep evalueert de uitvoering van de activiteiten en geeft gevraagd en ongevraagd advies aan het samenwerkingsverband. Hierdoor kunnen de te subsidiëren activiteiten beter en effectiever worden ingezet. De inzet van een klankbordgroep zorgt voor een bron van kennis, ervaring, netwerk en diversiteit.

Het samenwerkingsverband gaat zelf over de samenstelling en inrichting van de klankbordgroep. Denk hierbij aan ervaringsdeskundigen, vertegenwoordigers, formele en informele (vrouwen)organisaties, academici of sleutelfiguren van gemeenschappen. De beoogde samenstelling en inzet van de klankbordgroep werkt het samenwerkingsverband uit in het aangeleverde format van de samenwerkingsovereenkomst.

Om de objectiviteit te waarborgen kunnen werknemers en vrijwilligers van de organisaties binnen het samenwerkingsverband geen onderdeel uitmaken van de klankbordgroep.

Het artikel beschrijft de verantwoordelijkheden van de organisatie die het samenwerkingsverband als penvoerder vertegenwoordigd. De penvoerder is verantwoordelijk voor de aanvraag voor de subsidie via het online formulier beschikbaar gesteld door DUS-I, de administratieve verplichtingen, zoals de verantwoordingsrapportages, en de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.

Een universiteit als bedoeld in artikel 5 kan geen penvoerder zijn. De penvoerder is een belangrijk contactpersoon voor de minister. Het is van belang dat deze partij in directe verbinding staan met de praktijk en onderdeel is van het maatschappelijke middenveld.

Dit artikel regelt dat de projectsubsidie moet worden aangevraagd met een online formulier beschikbaar gesteld door DUS-I. Ook regelt het artikel de periode en tijdstippen waarin een aanvraag kan worden gedaan.

Ook wordt geregeld dat een organisatie maximaal twee keer onderdeel mag zijn van een aanvraag. Dit wordt gedaan met oog op de beheersbaarheid van het aantal aanvragen.

In dit artikel wordt aangegeven welke stukken een aanvraag ten minste moet bevatten. De specifieke vereisten voor het plan van aanpak, de begroting en de samenwerkingsovereenkomst worden respectievelijk in artikel 5, 10 en 11 toegelicht.

In dit artikel wordt beschreven welke activiteiten gericht op de doelgroep het plan van aanpak ten minste moet bevatten. Dit gaat om de volgende activiteiten:

a: Offline en online bewustwordings- en gedragsinterventies

Deze regeling onderstreept het belang van het aanpakken van bestaande ongelijkheden en machtsstructuren in de samenleving, onder andere middels bewustwording en interventies omtrent beperkende en schadelijke gendernormen, stereotypen en relaties. Het samenwerkingsverband voert bewustwordingsinterventies uit gericht op het herkennen van schadelijke gendernormen, de impact die schadelijke opvattingen over gender en geweld hebben, en wat positieve niet schadelijke opvattingen zijn over gelijkwaardigheid en relaties die daar tegenover kunnen worden gesteld. Daarnaast worden er gedragsinterventies uitgevoerd, gericht op duurzame gedragsverandering en normverandering.

De blik van mannen moet hierin meegenomen worden: hoe hebben zij zelf last van gendernormen in de samenleving en wat hebben zij te winnen bij het bevorderen van gendergelijkheid? Hoe spelen onderwerpen als kwetsbaarheid, geweldspatronen, familiestructuren, eer, schaamte en trauma, cultuur, religie en groepsdynamieken hier een rol in? Hoe kunnen ze eraan werken om een rolmodel te zijn door zich actief uit te spreken, andere mannen te betrekken en te zorgen voor cultuurverandering.7Grevio, First thematic evaluation report Netherlands, 2025. Het is van belang dat er ook aandacht is voor situationeel geweld, dat kan ontstaan onder bepaalde omstandigheden, zoals door stressfactoren, onmacht, middelengebruik of door verlies van controle en regie. Stressbevorderende factoren zijn bijvoorbeeld armoede, werkloosheid of verslaving.8Movisie, Systeemgericht werken bij (ex-)partnergeweld; en zie plan van aanpak femicide.

Het samenwerkingsverband richt zich ook op de online omgeving en het voorkomen van aanhaking van mannen bij schadelijke online mannensubculturen waarin genderongelijkheid of geweld tegen vrouwen wordt genormaliseerd of verheerlijkt. Het is daarbij van belang om mannen de vaardigheden te geven om misogyne online berichten te herkennen, begrijpen en bevragen en alternatieve perspectieven aan te reiken die aansluiten bij een samenleving waar iedereen zichzelf kan zijn. Hierbij wordt gebruik gemaakt van bewezen effectieve methodieken voor het bestrijden van desinformatie en worden mannen weerbaarder gemaakt.

Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van rolmodellen, sleutelfiguren, trainers en ervaringsdeskundigen die aansluiten bij of onderdeel zijn van de doelgroep, gemeenschap, cultuur of leefwereld van de betrokkenen waar de interventies op gericht zijn.9Casey E, Carlson J, Two Bulls S, Yager A, Gender Transformative Approaches to Engaging Men in Gender-Based Violence Prevention: A Review and Conceptual Model. Trauma Violence Abuse, 2018.

De interventies zijn gericht op kennisoverdracht, duurzame gedragsverandering en normverandering.10De opgedane kennis vanuit de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en ten aanzien van de campagne ‘Man, zeg er wat van!’ wordt gedeeld met de alliantie.

b: Offline en online handelingsperspectief voor omstanders en potentiële plegers

Het samenwerkingsverband voert omstanderinterventies en trainingen uit waardoor mannen zich als opvoeders en omstanders kunnen uitspreken en ingrijpen wanneer er sprake is van seksisme of schadelijke gendernomen.

Het samenwerkingsverband voert tevens interventies en trainingen uit gericht op het (vroeg) herkennen van en ingrijpen bij rode vlaggen en signalen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, zodat mannen eerder doorhebben dat zij omstanders zijn, danwel dat bij zichzelf herkennen. Hierbij dient aandacht te zijn voor de piramide van geweld, de 8 fases die kunnen leiden tot vrouwenmoord en de rode vlaggen van femicide (niet-fatale wurging, dreiging met zelfdoding, staking, etc.).11Expertise Centrum huiselijk geweld en kindermishandeling, Signalenwijzer femicide en intieme terreur. Daarnaast moeten gedragsinterventies ertoe leiden dat mannen na het herkennen van signalen van (dreigend) geweld weten hoe zij kunnen handelen of ingrijpen om een situatie te de-escaleren, en weten waar zij bij situaties van (dreigend) geweld terecht kunnen voor hulp en ondersteuning.

Het is van belang dat er ook aandacht is voor situationeel geweld, dat kan ontstaan onder bepaalde omstandigheden, zoals door stressfactoren, onmacht, middelengebruik of door verlies van controle en regie. Stressbevorderende factoren zijn bijvoorbeeld armoede, werkloosheid of verslaving.12Movisie, Systeemgericht werken bij (ex-)partnergeweld; en zie plan van aanpak femicide.

Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van rolmodellen, sleutelfiguren, trainers en ervaringsdeskundigen die aansluiten bij of onderdeel zijn van de doelgroep, gemeenschap, cultuur of leefwereld van de betrokkenen waar de interventies op gericht zijn.13Casey E, Carlson J, Two Bulls S, Yager A, Gender Transformative Approaches to Engaging Men in Gender-Based Violence Prevention: A Review and Conceptual Model. Trauma Violence Abuse, 2018.

c: Gendertransformatieve pleger- en systeeminterventies en deskundigheid

In Nederland is het beleid rond huiselijk geweld lange tijd overwegend genderneutraal geweest en is er niet altijd voldoende inzicht in de manier waarop genderongelijkheid een rol speelt. De mannenalliantie voert interventies uit gericht op het in lijn brengen van bestaande plegerinterventies en deskundigheid met Europese richtlijnen over het adresseren van genderongelijkheid als grondoorzaak van het geweld.

Het samenwerkingsverband selecteert samen minimaal 5 relevante bestaande, niet commerciële, pleger- en systeeminterventies in samenwerking met de aanbieders van deze interventies. Het samenwerkingsverband analyseert of en, zo ja hoe, de interventies gendertransformatief kunnen worden, op basis van (wetenschappelijk) onderzoek en praktische inzichten. De pleger- en systeeminterventies moeten genderongelijkheid als grondoorzaak van geweld adresseren en de pleger inzicht geven in het feit dat huiselijk geweld gendergerelateerd is. Het samenwerkingsverband houdt daarbij rekening met de verschillende soorten plegers. Het uitgangspunt is dat deze hulpverlening en interventies specifiek worden ingericht of doorontwikkeld in lijn met de de ‘European Standards for Perpetrator Programmes’ gepubliceerd door het ‘European Network for the Work with Perpetrators of Domestic Violence’ en de ‘Guidance for safe and effective perpetrator programmes’ gepubliceerd door de Raad van Europa over het werken met plegers van huiselijk geweld. Het samenwerkingsverband beschrijft in het plan van aanpak hoe zij de interventies willen selecteren en hoe de analyse van de te selecteren interventies en de advisering worden vormgegeven en worden uitgevoerd. Voorbeelden van plegerinterventies zijn te vinden in het volgende document: https://www.huiselijkgeweld.nl/documenten/2021/07/07/focus-op-de-pleger---deel-van-het-geheel. Het samenwerkingsverband wordt in de uitvoering van dit onderdeel ondersteund door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Daarnaast hebben de Europese standaarden voor plegerinterventies het uitgangspunt dat het veranderen van schadelijke gendernormen middels een interventie een uitgebreid proces is dat niet alleen tot uiting dient te komen in de inhoud van de interventie maar ook in de houding en opvattingen van de facilitator van de interventie. Om de interventies effectief en duurzaam te maken is het dus essentieel dat de personen die interventies uitvoeren zowel gendertransformatief en intersectioneel werken alsook zich bewust zijn hoe hun eigen ervaringen en vooroordelen kunnen meespelen. Het samenwerkingsverband beschrijft in het plan van aanpak hoe de uitvoerders van de pleger en systeeminterventies hierin getraind worden, en hoe het zal komen tot aanbevelingen die de aanbieders van deze interventies concrete handvatten bieden om deze deskundigheid structureel te borgen.

Het is hierbij van belang dat aangesloten wordt bij de lopende trajecten vanuit het Rijk ten aanzien van deskundigheidsbevordering, in de uitvoering wordt dit afgestemd met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

In dit onderdeel wordt ook kennis en bewustwording van hoe online subculturen invloed kunnen uitoefenen op het zelfbeeld en de normen van plegers meegenomen.

e: Kennisontwikkeling en aanbevelingen

Voor een effectieve aanpak is het van belang dat interventies effectief en evidence-based zijn. Er is meer inzicht nodig in wat echt werkt, en daarbij de ontwikkelde wetenschappelijke kennis te benutten. Goed kennisbeheer is essentieel om versnippering te voorkomen en de borging te verduurzamen. Het samenwerkingsverband beschrijft hoe zij de kennisontwikkeling zal waarborgen tijdens de uitvoering van het plan van aanpak, waarbij effectief gebruik wordt gemaakt van de voortgangsrapportages, en de tussentijdse evaluatie. Onderdeel van deze kennisontwikkeling is inzicht in de resultaten van de verschillende interventies, op welke manier mannen op een effectieve wijze een bijdrage kunnen leveren in de aanpak van gendergerelateerd geweld en in het bijzonder femicide, en hoe aanbevelingen vormgegeven gaan worden.

Het samenwerkingsverband levert een overzicht van kennisontwikkeling en aanbevelingen na twee en na vier jaar, waarbij het overzicht ten minste bevat:

  • •

    een overzicht van opgedane (praktijk)kennis over de wijze waarop mannen op een effectieve manier kunnen bijdragen aan het voorkomen, signaleren en bestrijden van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, en in het bijzonder femicide;

  • •

    uitvoerbare, concrete en onderbouwde aanbevelingen voor het versterken van de rol van mannen in het voorkomen en bestrijden van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en femicide. De aanbevelingen zijn gebaseerd op de resultaten en bevindingen van het samenwerkingsverband, opgedane (praktijk)kennis en relevante (inter)nationale literatuur, en deze inzichten worden vertaald naar concrete handelingsperspectieven voor beleid, (maatschappelijke en hulp)organisaties en verdere beleidsvorming. Hierin neemt het samenwerkingsverband mee op welke manier zowel de Rijksoverheid als lokale overheden en (maatschappelijke en hulp)organisaties de borging van deze activiteiten kunnen vormgeven en welke randvoorwaarden hiervoor nodig zijn. Er wordt geadviseerd hoe mannen/opvoeders op een effectieve wijze betrokken kunnen worden en een bijdrage kunnen leveren aan de aanpak, en hoe de mainstreaming en institutionalisering van dit onderwerp in beleid kan worden gewaarborgd.

Het derde lid beschrijft dat de planning voor de eerste twee jaren in het plan van aanpak op een hoger detailniveau moet worden omschreven, dan de laatste twee jaar. Hiervoor is gekozen om recht te doen aan onzekerheden en leerprocessen die inherent zijn aan een vierjarig project. De tussentijdse evaluatie geeft de mogelijkheid om te zorgen voor bijsturing waar nodig.

Dit artikel beschrijft waar de begroting aan moet voldoen. Daarbij maakt het artikel onderscheid tussen de begroting op hoofdlijnen en de uitgewerkte begroting. De penvoerder dient bij de aanvraag, omwille de uitvoerbaarheid, een uitgewerkte begroting voor de eerste twee jaar, en een begroting op hoofdlijnen voor de laatste twee jaar in. In het artikel worden de vereisten voor deze begrotingen beschreven.

De penvoerder dient de begroting op hoofdlijnen te herijken tijdens de tussentijdse evaluatie, zoals beschreven in artikel 17, tweede en derde lid.

Bij de uitgewerkte begroting wordt specifiek gevraagd om de loonkosten te differentiëren naar uurtarief per categorie medewerker/ functieniveau, en het geschatte aantal uren per functieniveau. Op die manier wordt duidelijk hoe een team is samengesteld, en hoe diverse ervaringsniveaus worden ingezet. Bovendien stelt het de minister in staat om te kijken of wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid, onder e.

Dit artikel regelt welke kosten in aanmerking komen voor subsidie, en welke niet. De aanvrager kan de subsidie alleen inzetten voor redelijkerwijs gemaakte kosten die noodzakelijk zijn voor uitvoering van het plan van aanpak zoals beschreven in artikel 10 van de regeling. De minister beoordeelt of kosten aan dit criterium voldoen en zal niet-subsidiabele kosten aftrekken van het totale subsidiebedrag.

Bij btw-plichtige activiteiten mag de btw niet worden opgevoerd in de begroting. Deze btw moet worden verrekend in de aangifte omzetbelasting. Wanneer een organisatie niet btw-plichtig is, kan de btw over bepaalde kosten worden meegenomen in de begroting. Dit zijn bijvoorbeeld kosten zoals externe dienstverlening zoals adviesdiensten, locatiehuur, en kosten voor materialen. Omdat deze kosten niet aftrekbaar zijn voor niet btw-plichtige organisaties, kan de btw worden opgenomen in de begroting.

Als het samenwerkingsverband specifiek voor de subsidiabele activiteiten apparatuur moet aanschaffen, dan is alleen de afschrijving, en niet de restwaarde van die apparatuur subsidiabel.

Als het samenwerkingsverband kosten heeft die (deels) zijn gesubsidieerd door de minister uit een andere subsidie of anderzijds, dan komen deze kosten niet opnieuw in aanmerking voor subsidie.

Artikel 12, tweede lid, onder e, regelt dat de minister voor de subsidie op grond van deze subsidieregeling voor loonkosten een maximaal uurtarief subsidieert.

Het maximale uurtarief van schaal 13 is in lijn met het huidige maximaal uurtarief uit de subsidieregeling gender- en lhbti+-gelijkheid 2022–2027. Het specifieke tarief volgt uit de Handleiding Overheidstarieven (HOT) van het lopende jaar. Voor zover het extern (ingehuurd) personeel betreft is het bedrag exclusief btw. Daarbij geldt voor organisaties die niet btw-plichtig zijn dat tevens de btw subsidiabel is. Voor wat betreft btw-plichtige organisaties is de btw niet subsidiabel. Aanvragen zullen op basis van het geldende uurtarief worden beoordeeld. Ook is het belangrijk om een indicatie te krijgen van hoeveel uren een medewerker per functiecategorie zal besteden. Dit geeft inzicht in de bijdrage van medewerkers per functieniveau.

Dit artikel regelt de procedure en criteria die de minister volgt bij de beoordeling en rangschikking van de subsidieaanvragen. De beoordeling vindt plaats op basis van onderlinge afweging, waarbij zowel het samenwerkingsverband, het plan van aanpak en de begroting wordt beoordeeld.

De beoordeling van het samenwerkingsverband geschiedt aan de hand van beoordelingscriteria. Deze criteria en de relevantie daarvan zijn in bijlage I toegelicht. Per criterium wordt een maximumaantal punten toegekend, waardoor een objectieve en transparante afweging mogelijk is. Voor de rangschikking wordt uitgegaan van de gemiddelde score per criterium van het samenwerkingsverband.

De penvoerder ontvangt een voorschot van 90% van het verleende subsidiebedrag dat over de activiteitenperiode wordt verdeeld. Door de subsidie over de activiteitenperiode te verdelen, wordt subsidiegeld zoveel mogelijk beschikbaar gesteld op het moment dat de activiteiten daadwerkelijk plaatsvinden. De minister kan ook afwijken van de verdeling indien de liquiditeitsbehoefte van het samenwerkingsverband afwijkt van de gelijkmatige verdeling.

De overige 10% wordt uitbetaald nadat de subsidie is vastgesteld volgens artikel 18.

Een belangrijk onderdeel is de tussentijdse evaluatie. Het doel van de tussentijdse evaluatie is om een extern bureau de voortgang, kwaliteit en doelmatigheid van het project, en de gekozen aanpak te beoordelen. De tussentijdse evaluatie heeft daarmee een breder doel dan de voortgangsrapportage, zoals bedoeld in artikel 19, tweede lid, die alleen ziet op de resultaten en voortgang. Het artikel geeft weer welke stukken de penvoerder aan moet leveren.

De penvoerder is verplicht medewerking te verlenen aan een evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de verleende subsidie, voor zover medewerking redelijkerwijs van de penvoerder kan worden verlangd.

Indien nodig, kan de minister op basis van de tussentijdse evaluatie besluiten dat de subsidie voor de resterende periode wordt aangepast of ingetrokken. Daarbij houdt de minister ook rekening met het reeds ingediende gedetailleerde plan van aanpak en de uitgewerkte begroting, zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid.

Dit artikel zet de verplichtingen van de subsidie uiteen.

De penvoerder is verplicht de eerste drie jaar voortgangsrapportage in te dienen binnen de gestelde termijn. Hiervoor wordt een online formulier beschikbaar gesteld door DUS-I. Middels de voortgangsrapportage kan de penvoerder verantwoording afleggen over wat de resultaten en voortgang zijn. Dit is te onderscheiden van de tussentijdse externe evaluatie uit artikel 16.

Het gedetailleerde plan van aanpak en de uitgewerkte begroting voor de laatste twee jaren, zoals beschreven in het tweede en derde lid, zullen beoordeeld worden op basis van de beoordelingscriteria uit bijlage I en zijn verplicht voor de voortzetting van het project.

De penvoerder is verplicht om de minister zonder uitstel te informeren over problemen met het volledig en tijdig uitvoeren van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, het voldoen aan verplichtingen die verbonden zijn aan de subsidie, of omstandigheden die van belang kunnen zijn.

Het plan van aanpak, zoals bedoeld in artikel 10, kan uiterlijk tot en met vier jaar na het verlenen van de subsidie worden uitgevoerd.

De penvoerder is verantwoordelijk voor het indienen van de aanvraag tot vaststelling van het samenwerkingsverband. Deze aanvraag dient binnen 22 weken na de datum waarop de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn afgerond, te zijn ingediend.

Voor de vaststelling van de subsidie dient de penvoerder aan de hand van een activiteitenverslag aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend daadwerkelijk zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.

Middels het financiële verslag toont de penvoerder aan wat het totale bedrag is van de gerealiseerde kosten, de gerealiseerde financiële opbrengsten, inclusief bijdragen van derden en de gerealiseerde eigen bijdrage.

De subsidie wordt als volgt berekend: het subsidiebedrag is gelijk aan de totaal gemaakte kosten, minus: i) de totale gerealiseerde bijdragen van derden, en; ii) de begrote eigen bijdrage. Indien het gerealiseerde bedrag van derden lager uitkomt dan de begrote eigen bijdrage, dan dient de begrote eigen bijlage in mindering te worden gebracht op de totale kosten. Als de gerealiseerde eigen bijdrage hoger is dan de begrote eigen bijdrage, dan wordt het hogere bedrag in mindering gebracht op de totale kosten. De subsidie dekt namelijk alleen het deel van de kosten dat niet al door derden of door eigen middelen van het samenwerkingsverband is betaald. Het totale subsidiebedrag kan niet hoger zijn dan het in de verleningsbeschikking genoemde maximumbedrag.

Bij de aanvraag tot vaststelling dient ook een controleverklaring van een accountant te worden overlegd, overeenkomstig het door de minister vastgestelde accountantsprotocol. Het accountantsprotocol wordt online beschikbaar gesteld door DUS-I.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Deze bijlage hoort bij artikel 13 van de Subsidieregeling mannenalliantie tegen gendergerelateerd geweld en femicide 2027–2031.

De aanvraag wordt beoordeeld op basis van beoordelingscriteria ten aanzien van het samenwerkingsverband, het plan van aanpak en de begroting. De score wordt bepaald op basis van de kwaliteit van het ingevulde aanvraagformulier, het samenwerkingsverband, het plan van aanpak, de begroting en relevante bijlagen. Per onderdeel moeten er voor ieder beoordelingscriterium minimaal 3 punten, van maximaal 5 punten, behaald worden. 3 punten worden als voldoende beoordeeld. De toelichting van de beoordelingscriteria laat zien hoe dit onderbouwd kan worden. Hierbij geldt dat hoe meer punten de aanvraag scoort met inachtneming van de genoemde wegingspercentages, hoe hoger de aanvraag wordt gerangschikt (zie hieronder een rekenvoorbeeld). Aan de hand hiervan wordt een rangschikking bepaald van de aanvragen van hoog naar laag. De minister verleent de projectsubsidie aan het samenwerkingsverband dat aan alle vereisten van de regeling voldoet en de hoogste rangschikking heeft.

Afhankelijk van de kwaliteit van de subsidieaanvraag wordt per onderdeel een van de volgende beoordelingen gegeven:

Beoordeling

Punten

Zeer goed

5

Goed

4

Voldoende

3

Matig

2

Onvoldoende

1

5 punten: zeer goed: aanvrager heeft een inhoudelijk relevante, toepasselijke en uitstekende invulling gegeven aan dit onderdeel. Alle criteria en aspecten van dit onderdeel zijn volledig uitgewerkt en inhoudelijk uitstekend beantwoord.

4 punten: goed: aanvrager heeft een inhoudelijk relevante, toepasselijke en goede invulling gegeven aan dit onderdeel. Alle criteria en aspecten van dit onderdeel zijn inhoudelijk goed uitgewerkt en beantwoord.

3 punten: voldoende: aanvrager heeft voldoende invulling gegeven aan dit onderdeel. Alle criteria en aspecten van dit onderdeel zijn voldoende inhoudelijk uitgewerkt en beantwoord.

2 punten: matig: aanvrager geeft slechts ten dele of beperkt inhoudelijk invulling aan dit onderdeel. De criteria en aspecten zijn beantwoord en uitgewerkt, echter is dit zeer beperkt toegelicht.

1 punt: onvoldoende: aanvrager gaat slechts ten dele of beperkt inhoudelijk relevant in op dit onderdeel. Niet alle criteria en aspecten zijn beantwoord en uitgewerkt.

Rekenvoorbeeld:

Onderdeel

Score

Gewogen score

Het samenwerkingsverband

7

0,20 x 7 = 1,4

Het plan van aanpak

20

0,5 x 30 = 10

Begroting

8

0,3 x 8 = 2,4

Eindscore:

13,8

Beoordelingscriterium

Toelichting

Beoordeling

Verwachte meerwaarde van de samenwerking (5 punten)

Een beschrijving van de verwachte meerwaarde van de samenwerking voor het bereiken van impact en effecten van de activiteiten, en de verwachte meerwaarde van de samenwerking voor de eigen organisatie. Daarbij dient te worden beschreven hoe de betrokken organisaties elkaar aanvullen en versterken en hoe versnippering wordt tegengegaan.

Onderlinge samenwerking tussen organisaties van verschillende groottes, diverse samenstelling en doelgroepenbereik, locaties of intereilandelijke samenwerking in Caribisch Nederland is een manier om groter bereik te realiseren en hiermee meer (langdurige) impact te maken. Dit resulteert in een hogere score op dit onderdeel. Het is van belang dat ieder vanuit de eigen rol en expertise een bijdrage levert aan het samenwerkingsverband en de uit te voeren activiteiten. Hierbij is de wijze waarop de organisaties elkaar versterken op het gebied van (praktijk)kennis, ervaring, diversiteit, netwerk, doelgroep en interventies van belang.

Een hoge beoordeling gaat naar samenwerkingsverbanden die elkaar versterken in diversiteit en die beschrijven en onderbouwen wat de meerwaarde is van de samenwerking en waarom.

Relevante kennis en ervaring (5 punten)

Een beschrijving en onderbouwing van welke kennis, ervaring of expertise het samenwerkingsverband heeft in relatie tot de te subsidiëren activiteiten. Een beschrijving van de ervaring die het samenwerkingsverband heeft met de doelgroep, het bereiken van de doelgroep en met de diversiteit binnen die doelgroep.

Er wordt beoordeeld of het samenwerkingsverband over voldoende inhoudelijke expertise en ervaring beschikt om de gesubsidieerde activiteiten succesvol uit te voeren. Het is daarbij belangrijk dat het samenwerkingsverband zowel theoretische kennis als praktijkervaring heeft ten aanzien van de gesubsidieerde activiteiten.

Daarbij besteedt het samenwerkingsverband aandacht aan ervaring met werken binnen een samenwerkingsverband. De beoordeling van de mate waarin de organisaties ervaring hebben met gelijkwaardige samenwerking is relevant gezien het belang van constructieve, duurzame samenwerking voor de effectiviteit van de activiteiten. Daarbij is wenselijk dat de penvoerder ervaring heeft met het penvoerderschap.

Het samenwerkingsverband toont aan hoe zij verschillende groepen mannen kunnen bereiken, bijvoorbeeld door aantoonbare aanwezigheid in lokale netwerken en gemeenschappen. Kennis en ervaring met de doelgroep, en met de diversiteit binnen die doelgroep, is van groot belang voor de effectiviteit van de activiteiten.

Een hoge beoordeling gaat naar samenwerkingsverbanden met onderbouwde uitgebreide, diverse en diepgaande kennis en ervaring ten aanzien van de te subsidiëren activiteiten, vergelijkbare projecten, de doelgroep (en diversiteit binnen de doelgroep) en vergelijkbare samenwerkingen. Daarbij illustreert het samenwerkingsverband duidelijk waarom zij de doelgroep effectief kunnen bereiken.

Beoordelingscriterium

Toelichting

Beoordelingsaspecten

Kwaliteit en onderbouwing (5 punten)

Een beschrijving van hoe het samenwerkingsverband bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten zo veel mogelijk gebruik maakt van bewezen en bestaande effectieve interventies, (internationale) best practices, wetenschappelijke kennis, ervaringen, praktijkkennis en onderzoek.

Een beschrijving van de beoogde resultaten en van de wijze waarop en de mate waarin de activiteiten uit het plan van aanpak een bijdrage leveren aan de doelstellingen van de subsidieregeling.

De kwaliteit en onderbouwing van de activiteiten is essentieel om te waarborgen dat het samenwerkingsverband daadwerkelijk in staat is om de beoogde doelen te realiseren. Een sterke onderbouwing waarborgt dat het samenwerkingsverband begrijpt wat er nodig is om het project succesvol uit te voeren en dat er voldoende expertise en een goede planning aanwezig is. Bovendien geeft het inzicht in de mate waarin de activiteiten gebaseerd zijn op wetenschappelijke en praktische onderbouwing.

Een hoge beoordeling gaat naar een heldere evidence-based beschrijving van het probleem, de uitwerking van de gesubsidieerde activiteiten, en de manier waarop de activiteiten bijdragen aan het doel van de subsidieregeling. Het plan van aanpak gaat uitgebreid in op relevante kennis uit de praktijk en wetenschap en onderbouwt daarmee de gekozen aanpak. Er wordt inzichtelijk gemaakt hoe het project georganiseerd gaat worden, waardoor een succesvolle uitvoering mogelijk is.

Locaties, domeinen en landelijke spreiding (5 punten)

Een beschrijving van de wijze waarop landelijke spreiding wordt bereikt in minimaal zes provincies in Nederland. Indien het plan van aanpak zich ook richt op Caribisch Nederland geldt landelijke spreiding voor vijf provincies en Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

Het samenwerkingsverband onderbouwt waarom voor welke provincies is gekozen. Bij het selecteren van de provincies weegt het samenwerkingsverband onder andere de prevalentie van femicide en (gewelds)patronen die hieraan voorafgaan mee. Het samenwerkingsverband betrekt, waar mogelijk, gemeenten bij de opzet en uitvoering van interventies.

In aanvulling hierop dient het samenwerkingsverband toe te lichten op welke verschillende locaties en domeinen de activiteiten worden uitgevoerd en waarom voor deze locaties en domeinen wordt gekozen. Hierbij valt te denken aan het onderwijs, de sportclub, op het werk, in de openbare ruimte en thuis.

De online omgeving is hierin onmisbaar en vormt een integraal onderdeel van het plan van aanpak. Het plan van aanpak beschrijft per subsidieonderdeel/ activiteit op welke manier de online omgeving wordt meegenomen. Het samenwerkingsverband besteedt in de interventies expliciet aandacht aan het voorkomen én tegengaan van aansluiting bij digitale subculturen, zoals de manosphere, waarin schadelijke gendernormen worden verspreid.

Een hoge beoordeling gaat naar een plan van aanpak waarin duidelijk beschreven en onderbouwd wordt hoe landelijke spreiding wordt bereikt en op welke locaties en domeinen de activiteiten worden uitgevoerd en waarom.

Doelgroep en bereik (5 punten)

Het plan van aanpak richt zich op mannen en in het specifiek op opvoeders in de brede zin (zie artikel 3). Het samenwerkingsverband houdt daarbij aandacht voor moeilijk te bereiken groepen en verschillende leefwerelden en levensfases, zonder stereotype ideeën over mannelijke daders te reproduceren. En heeft oog voor beschikbare data over plegers en slachtoffers van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, zoals uit de Nederlandse Femicide Monitor. Dit dient zo veel mogelijk evidence based onderbouwd te worden.

Het plan van aanpak beschrijft duidelijk welke netwerken, gemeenten, organisaties, partnerschappen, kanalen of personen hiervoor nodig zijn. Daarbij is er oog voor het betrekken van rolmodellen, ervaringsdeskundigen en sleutelfiguren die aansluiten bij of onderdeel zijn van de doelgroep, gemeenschap, cultuur of leefwereld van de betrokkenen waar de interventies op gericht zijn.

Het plan van aanpak beschrijft welke actoren worden betrokken bij welke activiteiten en onderbouwt waarom de voorgestelde werkwijze het meest passend is voor een doeltreffende en doelmatige aanpak.

Een hoge beoordeling gaat naar een plan van aanpak dat zich richt op de diversiteit binnen de doelgroep, duidelijk onderbouwd en beschrijft op wie de verschillende interventies gericht zijn en waarom. Het samenwerkingsverband toont aantoonbaar aan hoe verschillende groepen mannen/opvoeders kunnen worden bereikt, bijvoorbeeld door middel van aanwezigheid in lokale netwerken en gemeenschappen. Het plan van aanpak laat zien welk bereik op welke manier wordt gerealiseerd, met aandacht voor een doeltreffende en doelmatige aanpak.

Effectiviteit en impact (5 punten)

Een beschrijving van de beoogde doelen (outputs, outcomes en maatschappelijke impact) van de gesubsidieerde activiteiten, die aansluiten bij de doelstelling van de subsidieregeling. Het plan van aanpak stelt duidelijke doelen die, zoveel als mogelijk, specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden (SMART) zijn.

Het plan van aanpak onderbouwt per gesubsidieerde activiteit waarom deze op een doeltreffende (effectieve) en doelmatige (efficiënte) wijze bijdraagt aan de beoogde doelen. Dit kan op basis van relevant (wetenschappelijk) onderzoek, onderbouwde en representatieve praktijkervaringen, en evaluaties van eerdere als succesvol beoordeelde projecten.

Het plan van aanpak beschrijft per gesubsidieerde activiteit hoe de effecten worden gemonitord, zowel tijdens als na afloop van de activiteit. Het plan van aanpak beschrijft in hoeverre de voorgestelde monitoring inzicht geeft op het niveau van outputs, outcomes en maatschappelijke impact. Het plan van aanpak onderbouwt waar kwantitatieve dan wel kwalitatieve monitoring het meest passend of haalbaar is. Het plan van aanpak gaat in op wat de sterke punten en eventuele beperking van de monitoring zijn.

Het plan van aanpak beschrijft ook duidelijk welke risico’s er bestaan in de uitvoering van het plan van aanpak en welke beheersmaatregelen worden genomen om deze risico’s te beheersen. Denk aan risico’s rond de samenwerking tussen de partners, het uitlopen van de beoogde planning of het niet behalen van de doelen.

Een hoge beoordeling gaat naar een plan van aanpak waarin duidelijk wordt beschreven en onderbouwd wat de beoogde doelen zijn en hoe het samenwerkingsverband en de gesubsidieerde activiteiten hier op een doeltreffende (effectieve) en doelmatige (efficiënte) wijze aan bijdragen. Daarbij wordt gekeken naar in hoeverre het plan van aanpak een gedegen plan voor monitoring van de resultaten van de activiteiten bevat gericht op effectiviteit en duurzame impact. De mogelijke risico’s bij de uitvoering, inclusief beheersmaatregelen, worden hierin meegenomen.

Intersectionele en gendertransformatieve benadering (5 punten)

Een beschrijving en onderbouwing van hoe het samenwerkingsverband een intersectionele en gendertransformatieve benadering borgt.

In het plan van aanpak wordt aandacht besteed aan intersectionaliteit en de diversiteit onder mannen (zoals sociaal-economische positie, leeftijd, woonplaats, opleidingsniveau, lhbtiq+ en culturele of religieuze achtergrond) en er is oog voor structurele ongelijkheden zoals discriminatie en racisme.

Ook wordt beoordeeld in welke mate het plan van aanpak gendertransformatief is, om te voorkomen dat de aanpak schadelijke gendernormen herhaalt of versterkt.

Een hoge beoordeling gaat naar een plan van aanpak van een samenwerkingsverband waarin duidelijk is toegelicht hoe ieder van deze benaderingen (intersectionaliteit en gendertransformativiteit) zijn geborgd in de uitvoering van het plan van aanpak en de verschillende interventies.

Duurzaamheid en borging (5 punten)

Een beschrijving van de wijze waarop de activiteiten en resultaten van de gesubsidieerde activiteiten na afloop van de uitvoering op duurzame en realistische wijze geborgd worden, onder andere door een beschrijving van de mate van structurele kennisdeling, de verspreiding van ontwikkeld (leer)materiaal, werkwijzen, methodieken en de continuering van onderlinge werkafspraken. Het samenwerkingsverband heeft goede, duidelijke afspraken en realistische ideeën samen met mogelijke partners die een belangrijke rol spelen bij de preventie en bestrijding van gendergerelateerd geweld, zoals gemeenten.

Het plan van aanpak beschrijft in hoeverre de effecten van de voorgestelde activiteiten na afloop zullen worden geborgd, en in hoeverre de activiteiten bijdragen aan een duurzame impact die ook na het aflopen van het samenwerkingsverband van meerwaarde blijft.

De duurzaamheid van de aanpak geeft inzicht in de wijze waarop langetermijneffecten en de waarde van het project worden geborgd. Borging betekent dat er structurele afspraken zijn om de resultaten te behouden via samenwerking, financiering of beleid, met inachtneming van de rol van de verschillende bestuurslagen en organisaties.

Een hoge beoordeling gaat naar een samenwerkingsverband met een geloofwaardig en realistisch plan om de continuïteit en borging te waarborgen. Het plan van aanpak maakt inzichtelijk hoe de activiteiten langetermijn-effect hebben, en hoe de effecten na afloop van de gesubsidieerde activiteiten worden geborgd en verduurzaamd.

Beoordelingsriterium

Toelichting

Beoordeling

Kwaliteit en onderbouwing (5 punten)

Een kwalitatief goede begroting dient een realistisch uitgewerkte meerjarenbegroting van de kosten en baten te bevatten.

Voor een voldoende score dient de begroting ten minste te voldoen aan de vereisten uit artikel 11.

Voor de hoogste score dient de begroting inzichtelijk en evenwichtig te zijn opgesteld. Verder dient de begroting een heldere toelichting daarnaast per begrotingspost te bevatten. Tevens maakt de begroting inzichtelijk hoe de middelen verdeeld worden over de partijen en wat de omvang van de kosten voor overhead is.

Efficiëntie (5 punten)

Voor een effectieve besteding van de subsidie dienen de activiteiten op een zo efficiënt mogelijke manier bereikt.

De begroting krijgt de hoogste score indien uit de begroting (waar nodig, samen met het plan van aanpak) blijkt dat de middelen (geld, tijd en menskracht) zo effectief mogelijk worden ingezet om maximale resultaten te bereiken. Dat betekent ook dat de overhead zo laag mogelijk wordt gehouden.

Deze bijlage hoort bij artikel 5, vierde lid, van de Subsidieregeling mannenalliantie tegen gendergerelateerd geweld en femicide 2027–2031.

Bij de subsidieaanvraag dient u een samenwerkingsovereenkomst in te dienen. Hiervoor dient u dit format te gebruiken.

De niet-schuingedrukte tekst zijn verplichte onderdelen die niet kunnen worden aangepast.

U bent verplicht de schuingedrukte elementen in te vullen. Het is toegestaan om aanvullende bepalingen op te nemen bij de artikelen tenzij anders aangegeven. Indien er bij een element [optioneel] staat, dan kunt u zelf besluiten of u een bepaling op wil nemen.

Als u in het kader van de samenwerking gegevens uitwisselt dan moeten de organisaties ook een Data Sharing Agreement (DSA) afsluiten. Dat moet vanwege de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). U bent zelf verantwoordelijk voor het opstellen van een DSA, aangezien u zelf verwerkingsverantwoordelijk bent.

Bij vragen over deze overeenkomst kunt u contact opnemen met DUS-I.

[TITEL VAN PROJECT]

Partijen
  • 1.

    [Rechtsvorm en organisatienaam zoals ingeschreven bij de Kamer van Koophandel inclusief vermelding van het KvK nummer], gevestigd aan [adres], ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door [naam, functie], hierna te noemen [eventuele afkorting of kortere naam zoals deze meestal gebezigd wordt];

  • 2.

    [Rechtsvorm en organisatienaam zoals ingeschreven bij de Kamer van Koophandel inclusief vermelding van het KvK nummer], gevestigd aan [adres], ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door [naam, functie], hierna te noemen [eventuele afkorting of kortere naam zoals deze meestal gebezigd wordt];

  • 3.

    [Rechtsvorm en organisatienaam zoals ingeschreven bij de Kamer van Koophandel inclusief vermelding van het KvK nummer], gevestigd aan [adres], ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door [naam, functie], hierna te noemen [eventuele afkorting of kortere naam zoals deze meestal gebezigd wordt];

  • 4.

    [Rechtsvorm en organisatienaam zoals ingeschreven bij de Kamer van Koophandel inclusief vermelding van het KvK nummer], gevestigd aan [adres], ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door [naam, functie], hierna te noemen [eventuele afkorting of kortere naam zoals deze meestal gebezigd wordt];

  • 5.

    [Rechtsvorm en organisatienaam zoals ingeschreven bij de Kamer van Koophandel inclusief vermelding van het KvK nummer], gevestigd aan [adres], ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door [naam, functie], hierna te noemen [eventuele afkorting of kortere naam zoals deze meestal gebezigd wordt];

[optioneel invullen tot 8 partijen]

Gezamenlijk verder te noemen ‘Partijen’ en individueel ‘Partij’.

Overwegende dat
  • –

    De Partijen zijn voornemens inhoudelijk en financieel samen te werken voor het project met titel [titel], hierna te noemen het ‘Project’;

  • –

    Voor het Project een subsidie aangevraagd is binnen subsidieregeling samenwerkingsverband tegen gendergerelateerd geweld en femicide (hierna: de Regeling);

  • –

    De Partijen door het aangaan van deze overeenkomst afspraken vastleggen over de voorwaarden waaronder zij zullen samenwerken in het Project, in overeenstemming met de Regeling en overige geldende wet- en regelgeving.

Artikel 1. Begrippen
  • 1.1

    In deze Samenwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder:

    • 1.1.1

      Aanvraag: De aanvraag tot verlening zoals beschreven in artikel 10 van de Regeling.

    • 1.1.2

      Achtergrond: alle informatie, kennis, data of materiaal dat, ofwel in bezit is van een der Partijen vóór toetreding tot deze Overeenkomst, of door een of meer der Partijen is ontwikkeld of verkregen onafhankelijk van het Project na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst, evenals alle intellectuele eigendomsrechten op die informatie, kennis, data of dat materiaal;

    • 1.1.3

      Bijdrage: inbreng van Partijen in geld (in cash) of natura (in kind) ten behoeve van de uitvoer van het Project conform de Aanvraag;

    • 1.1.4

      Contactpersoon: persoon van wie de gegevens bij DUS-I zijn geregistreerd voor de formele communicatie;

    • 1.1.5

      Formele Communicatie: communicatie waarvan redelijkerwijs moet worden vermoed dat deze van belang is voor het behalen van de projectresultaten, en de financiële en juridische afhandeling van het Project;

    • 1.1.6

      Overeenkomst: deze samenwerkingsovereenkomst;

    • 1.1.7

      Partij: deelnemer aan het samenwerkingsverband;

    • 1.1.8

      Penvoerder: de Partij die de subsidieaanvraag heeft ingediend en eindverantwoordelijk is voor het Project;

    • 1.1.9

      Project: het planmatige geheel aan activiteiten zoals omschreven in de Aanvraag;

    • 1.1.10

      Projectleider(s): verantwoordelijke(n) voor het verloop, de uitvoering en de projectresultaten van het Project of deelaspecten daarvan voor de duur van de Overeenkomst;

    • 1.1.11

      Projectresultaten: de resultaten van het project die moeten worden behaald zoals opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking of de subsidieaanvraag;

    • 1.1.12

      Resultaten: alle uitkomsten, materialen, methodes, processen, producten, (uit)vindingen, data e.d. die binnen een Project worden gegenereerd;

    • 1.1.13

      Subsidieverstrekker: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die de subsidie toekend aan een Samenwerkingsverband.

    • 1.1.14

      Subsidieregeling: de subsidieregeling mannenalliantie tegen gendergerelateerd geweld en femicide 2027–2031)

[Andere belangrijke en veel gebruikte begrippen kunnen op alfabetische volgorde in bovenstaande lijst worden verwerkt. Het gebruik van samen overeengekomen definities beperkt het risico op geschillen.]

Artikel 2: Doelstelling
  • 2.1

    Partijen verbinden zich samen te werken onder de bepalingen van deze Overeenkomst in het kader van het Project. Partijen verbinden zich het Project uit te voeren zoals vastgelegd in de Aanvraag die is ingediend bij DUS-I.

  • 2.2

    Partijen komen overeen dat de voorwaarden uit de Regeling, de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, overige geldende wet- en regelgeving van toepassing zijn op de Overeenkomst en op het Project. Partijen zullen hun volledige medewerking verlenen om [Penvoerder] in staat te stellen aan zijn verplichtingen jegens DUS-I te voldoen die voortvloeien uit de Regeling, de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, en overige geldende wet- en regelgeving van toepassing op de Overeenkomst en op het Project.

Artikel 3: Duur van de samenwerking
  • 3.1

    De Overeenkomst treedt in werking op het moment van toekenning van de subsidie, mits ondertekend door alle Partijen, en blijft volledig van kracht tot het moment dat alle plichten en verantwoordelijkheden als opgenomen in de Regeling, eventuele wijzigingsregeling(en) en in de Overeenkomst zijn nagekomen.

  • 3.2

    [regelingen over op welke wijze Partijen tussentijds de samenwerking kunnen beëindigen (bv. aangetekend, opzegtermijn) welke rechten zij houden (gebruik van kennis) en welke verplichtingen zij houden (kennisbescherming, aansprakelijkheid). De gevolgen voor de uitvoering van het Programma/Project moeten worden geregeld]

  • 3.3

    [regelingen over het omgaan met Partijen die de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet nakomen (bijv. ingebrekestelling, beëindiging van de overeenkomst)]

Artikel 4: Rollen, verantwoordelijkheden en taken
  • 4.1

    De Penvoerder is [Partij die aanvraag indient en subsidie ontvangt]. De penvoerder is één van de deelnemers van het samenwerkingsverband.

  • 4.2

    De Penvoerder is verantwoordelijk voor het indienen van de aanvraag, administratieve verplichtingen, en de aanvraag tot vaststelling van de subsidie. De andere Partijen machtigen de penvoerder om dat te doen, en geven toestemming om hun bijdrage te betrekken.

  • 4.3

    De Penvoerder onderbouwt in bijlage [vul titel bijlage in], op welke manier die ervaring heeft met het coördineren van projecten waarin op basis van co-creatie of gelijkwaardigheid wordt samengewerkt.14Voor de beoordeling volstaat een korte schriftelijke beschrijving van de ervaring van de penvoerder van ongeveer 1 pagina. Gelieve geen aanvullende voorbeelden, verslagen of overige stukken toevoegen.

  • 4.4

    De Projectleider is [persoon, positie en verbonden aan welke partij]15De projectleider dient verbonden te zijn aan de penvoerder.

  • 4.5

    [Indien er bij de Penvoerder aanvullende verantwoordelijkheden of plichten zijn neergelegd, anders dan het zijn van de Contactpersoon voor DUS-I, neemt u dit hier op]

  • 4.6

    Elke Partij heeft een vaste contactpersoon voor de communicatie over het Project met de andere Partijen. [De lijst met deze personen en hun contactgegevens, neemt u hier op].

  • 4.7

    [Afspraken met betrekking tot het aanleveren voor informatie en het vaststellen van de voortgangsrapportage, zoals bedoeld in artikel 17, vierde lid van de Subsidieregeling. [optioneel: afspraken over de ondersteuning die partijen elkaar hierbij bieden.]16Partijen kunnen soms verschillen in hun kennis en ervaring met dergelijke voortgangsrapportages. Het is mogelijk dat partijen elkaar helpen en begeleiden bij deze processen. U kan afspraken hieromtrent in dit artikel vastleggen.

  • 4.8

    [Afspraken met betrekking tot de tussentijdse evaluatie, zoals bedoeld in artikel 16 van de Subsidieregeling. De penvoerder is belast met de verplichting om stukken aan te leveren. Partijen leggen vast hoe de penvoerder aan deze informatie komt. [optioneel: afspraken over de ondersteuning die partijen elkaar hierbij bieden]].

Artikel 5: Financiële afspraken
  • 5.1

    De Penvoerder ontvangt en beheert de subsidiegelden.

  • 5.2

    Elke Partij, die geen penvoerder is, zal alle noodzakelijke achtergrond en gegevens verschaffen aan de penvoerder zodat de penvoerder aan diens verantwoordingsverplichtingen kan voldoen.

  • 5.3

    [Afspraken over financiële Bijdragen in kind of in cash]

  • 5.4

    [Afspraken over wijze van verdelen subsidie, zoals de wijze van verdeling, tijdstip en wijze van uitbetaling]

  • 5.5

    [Afspraken over het voeren van administratie en het afleggen van verantwoording. Beschrijf indien relevant, hoe de penvoerder de andere partijen ondersteunt.]

Artikel 6: Meerwaarde van samenwerking
  • 6.1

    Elke partij zal aan de andere Partijen de benodigde Achtergrond verschaffen, teneinde de andere Partijen in staat te stellen de werkzaamheden ten behoeve van het Project te verrichten. Voor zover nodig, verlenen Partijen elkaar een niet-exclusief, niet-overdraagbaar recht om alle Achtergrond te gebruiken.

  • 6.2

    Partijen beschrijven wat de meerwaarde van de samenstelling van het Samenwerkingsverband is in bijlage [vul titel bijlage in]. In de bijlage beschrijven partijen:

    • 6.2.1

      hoe ze elkaar versterken en aanvullen op het gebied van expertise, grootte, locatie, doelgroepenbereik, diversiteit, etc [aanvullen naar eigen inzicht].

    • 6.2.2

      de verwachte meerwaarde van de samenwerking voor het bereiken van impact en effecten van de activiteiten, en de verwachte meerwaarde van de samenwerking voor de eigen organisatie.

    • 6.2.3

      [Verdere beschrijving van afspraken, bijdragen, of resultaten waaruit blijkt hoe Partijen elkaar zullen aanvullen en versterken].

Artikel 7. Relevante kennis en ervaring
  • 7.1

    De Partijen beschrijven en onderbouwen in bijlage [vul titel bijlage in] bij deze overeenkomst welke kennis, ervaring en expertise het samenwerkingsverband bezit in relatie tot de doelstelling van de Regeling en de te subsidiëren activiteiten.

  • 7.2

    Het samenwerkingsverband besteedt daarbij expliciet aandacht aan de ervaring met het werken binnen een samenwerkingsverband.

  • 7.3

    De Partijen beschrijven en onderbouwen op welke wijze zij ervaring hebben met de doelgroep, het bereiken van de doelgroep en de diversiteit binnen die doelgroep.

  • 7.4

    De partijen onderbouwen op welke wijze zij ervaring hebben met een intersectionele en gendertransformatieve werkwijze.

Artikel 8. Klankbordgroep
  • 8.1

    De Partijen beschrijven en onderbouwen op welke wijze de klankbordgroep zal worden opgezet en ingezet. Onderdeel daarvan is een doordachte samenstelling met relevante expertise en achtergronden. Hierbij wordt beschreven hoe de op te richten klankbordgroep doeltreffend, effectief en deskundig kan optreden. Deze uitwerking wordt opgenomen in bijlage [vul titel bijlage in] bij deze overeenkomst.

Artikel 9. Intellectueel eigendom
  • 9.1

    [Invulling optioneel] Alle Resultaten die voortvloeien uit de samenwerking vallen in beginsel onder het intellectueel eigendom van de Partij die de Resultaten daadwerkelijk heeft gecreëerd. Partijen spreken af dat:

    • 9.1.1

      [Invulling optioneel] Indien Partijen gezamenlijk een Resultaat hebben ontwikkeld, is het gezamenlijk eigendom.

    • 9.1.2

      [Invulling optioneel] Partijen kunnen besluiten dat alle resultaten of specifieke resultaten gezamenlijk eigendom zijn.

  • 9.2

    Voorafgaand aan publicatie van de Resultaten zullen partijen onderling overleggen en instemming krijgen van de Subsidieverstrekker.

  • 9.3

    [Afspraken over het delen van Resultaten met derden]

Artikel 10: Vertrouwelijkheid en geheimhouding
  • 10.1

    Partijen zullen alle vertrouwelijke informatie die zij in het kader van deze samenwerking ontvangen, vertrouwelijk behandelen. Hiertoe zullen partijen:

    • 10.1.1

      [Afspraken over invulling geheimhoudingsplicht]

    • 10.1.2

      [Uitzonderingen op geheimhoudingsplicht]

Artikel 11. Besluitvorming
  • 11.1

    [Afspraken over de wijze waarop (verschillende soorten) gezamenlijke besluiten worden genomen. Denk hierbij aan unaniem/consensus/meerderheid of andere vormen van besluitvorming, veto, quorum, etc.]

  • 11.2

    [Afspraken over het al dan niet delen van informatie met derden en hoe omgegaan wordt met pers en media. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik van elkaars logo’s in publicaties of het hebben van een woordvoerder over het Project]

Artikel 12. Slotbepalingen
  • 12.1

    Wijzigingen van deze Overeenkomst zijn alleen rechtsgeldig wanneer zij schriftelijk zijn vastgelegd en door alle Partijen zijn ondertekend.

  • 12.2

    Alle bijlagen maken onlosmakelijk deel uit van de Overeenkomst.

  • 12.3

    In het geval er onduidelijkheid of tegenstrijdigheid bestaat tussen de tekst van de Overeenkomst en de verschillende bijlagen, is de hiërarchie, als volgt:

    • –

      ten eerste de Regeling en wijzigingsregeling(en) MDT

    • –

      ten tweede de Aanvraag

    • –

      ten derde de Overeenkomst

  • 12.4

    Op deze overeenkomst is het Nederlandse Recht van toepassing.

  • 12.5

    Alle geschillen die in verband met deze overeenkomst tussen Partijen mochten ontstaan, zullen uitsluitend worden voorgelegd aan een bevoegde Nederlandse rechter.

Aldus overeengekomen

Penvoerder

Organisatie:

Adres:

Postcode:

Plaats:

Datum ondertekening:

Naam tekenbevoegd persoon (1):

Handtekening:

Bij gezamenlijke tekenbevoegdheid

Datum ondertekening:

Naam tekenbevoegd persoon (2):

Handtekening:

?xpp witregel?>

------------------------------------------------------

?xpp ep?>

Partij 2

Organisatie:

Adres:

Postcode:

Plaats:

Datum ondertekening:

Naam tekenbevoegd persoon (1):

Functie:

Handtekening:

?xpp witregel?>

------------------------------------------------------

Bij gezamenlijke tekenbevoegdheid

Datum ondertekening:

Naam tekenbevoegd persoon (2):

Functie:

Handtekening:

?xpp witregel?>

------------------------------------------------------

Partij 3

Organisatie:

Adres:

Postcode:

Plaats:

Datum ondertekening:

Naam tekenbevoegd persoon (1):

Functie:

Handtekening:

?xpp witregel?>

------------------------------------------------------

Bij gezamenlijke tekenbevoegdheid

Datum ondertekening:

Naam tekenbevoegd persoon (2):

Functie:

Handtekening:

?xpp witregel?>

------------------------------------------------------

Partij 4

Organisatie:

Adres:

Postcode:

Plaats:

Datum ondertekening:

Naam tekenbevoegd persoon (1):

Functie:

Handtekening:

?xpp witregel?>

------------------------------------------------------

Bij gezamenlijke tekenbevoegdheid

Datum ondertekening:

Naam tekenbevoegd persoon (2):

Functie:

?xpp ep?>

Handtekening:

?xpp witregel?>

------------------------------------------------------

Partij 5

Organisatie:

Adres:

Postcode:

Plaats:

Datum ondertekening:

Naam tekenbevoegd persoon (1):

Functie:

Handtekening:

?xpp witregel?>

------------------------------------------------------

Bij gezamenlijke tekenbevoegdheid

Datum ondertekening:

Naam tekenbevoegd persoon (2):

Functie:

Handtekening:

?xpp witregel?>

------------------------------------------------------

Partij 6

Organisatie:

Adres:

Postcode:

Plaats:

Datum ondertekening:

Naam tekenbevoegd persoon (1):

Functie:

Handtekening:

?xpp witregel?>

------------------------------------------------------

Bij gezamenlijke tekenbevoegdheid

Datum ondertekening:

Naam tekenbevoegd persoon (2):

Functie:

Handtekening:

?xpp witregel?>

------------------------------------------------------

Partij 7

Organisatie:

Adres:

Postcode:

Plaats:

Datum ondertekening:

Naam tekenbevoegd persoon (1):

Functie:

Handtekening:

?xpp witregel?>

------------------------------------------------------

Bij gezamenlijke tekenbevoegdheid

Datum ondertekening:

Naam tekenbevoegd persoon (2):

Functie:

Handtekening:

?xpp witregel?>

------------------------------------------------------

Partij 8

Organisatie:

Adres:

Postcode:

Plaats:

Datum ondertekening:

Naam tekenbevoegd persoon (1):

Functie:

Handtekening:

?xpp witregel?>

------------------------------------------------------

Bij gezamenlijke tekenbevoegdheid

Datum ondertekening:

Naam tekenbevoegd persoon (2):

Functie:

Handtekening:

?xpp witregel?>

------------------------------------------------------

Bijlagen

Verder neemt u documenten op die bij de overeenkomst horen, zoals een lijst met contactpersonen voor communicatie tussen de partijen en eventueel andere bijlagen. Uw plan van aanpak is geen onderdeel van deze overeenkomst.

  • –

    Bijlage meerwaarde samenwerkingsverband

  • –

    Bijlage relevante kennis en ervaring

  • –

    Bijlage klankbordgroep

  • –

    Bijlage ervaring penvoerder

De volledige tekst hierboven is de officiële, gepubliceerde bekendmaking; de samenvatting bovenaan deze pagina is automatisch gegenereerd. Controleer voorwaarden, deadlines en subsidieplafonds altijd op de officiële pagina voordat u een aanvraag indient.