Terug naar de radar

Officiële Bekendmakingen (KOOP)

NIKI (Nationale Investeringsmodule Klimaatprojecten Industrie) – titel 4.13 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies

Open

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

Met deze regeling wordt titel 4.13 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies gewijzigd en opengesteld. De NIKI-subsidie is bedoeld om projecten te bevorderen waarmee de industrie haar CO2-uitstoot vermindert. De doelgroep bestaat uit ondernemingen die een NIKI-project voor CO2-emissiereductie in de industrie uitvoeren of daarvoor een aanvraag willen indienen.

Volledige officiële tekst

Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 17 september 2026, nr. WJZ/108218200, tot wijziging de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 in verband met wijziging en openstelling van titel 4.13 [KetenID WGK29451]De Minister van Klimaat en Groene Groei,Gelet op de artikelen 4, 5, eerste lid, 16, 19, tweede lid, 25, 34, eerste lid, en 48, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

De Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:AIn artikel 4.13.1 wordt in de begripsbepaling CO2-equivalent ‘massa eenheid’ vervangen door ‘massa-eenheid’.BArtikel 4.13.6 wordt als volgt gewijzigd:1.Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.2.In onderdeel c wordt ‘volgende som: investeringskosten + verdisconteerde exploitatiekosten – verdisconteerde operationele voordelen’ vervangen door ‘benodigde subsidie’.3.In onderdeel k, subonderdeel 2°, wordt na ‘alle technologieën wordt toegepast’ ingevoegd ‘, voor zover het een NIKI-project betreft dat past binnen de in bijlage 4.13.1, onderdeel B, categorie B, opgenomen omschrijving’.4.Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2.

De afwijzingsgrond, genoemd in artikel 23, onderdeel c, van het besluit, is niet van toepassing.

CArtikel 4.13.8 wordt als volgt gewijzigd:1.Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:
  • a.

    een jaarlijkse controlerapportage, voorzien van een controleverklaring van een accountant over de gerealiseerde investeringen ten aanzien van de activiteiten, bedoeld in artikel 4.13.11, op een door de minister bepaald moment, op basis van de mijlpalen van de investeringsactiviteiten. Na afloop van de investeringsactiviteiten dient de aanvrager een laatste controlerapportage in over de investeringsfase, voorzien van een controleverklaring van een accountant over de gerealiseerde investeringen;.

2.Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

8.

De subsidieontvanger vult de rapportages, bedoeld in het eerste lid, aan met een managementverklaring waarin hij verklaart dat de waarden in het projectplan en bijbehorende bijlagen voor de NIKI-subsidieaanvraag, uitgezonderd van de waarden die reeks in deze regeling zijn vastgelegd of variabele waarden, overeenkomen met de waarden die de subsidieontvanger in andere begrotingen hanteert voor hetzelfde project.

DArtikel 4.13.10 wordt als volgt gewijzigd:1.Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het einde van onderdeel g door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
  • h.

    een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014, C249/1), inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema, een organogram van de verbonden groep waaruit de aandelenverhoudingen blijken en enkelvoudige of geconsolideerde jaarcijfers van de groep die is gebruikt voor de invulling van het beslisschema.

2.Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van de punt aan het einde van onderdeel g door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
  • h.

    een openbare samenvatting van het project.

3.In het vijfde lid wordt ‘3400’ vervangen door ‘4400’.EArtikel 4.13.11, tweede lid, komt te luiden:

2.

In afwijking van artikel 46, vierde lid, van het besluit, bedraagt het voorschot, bedoeld in het eerste lid, het laagste bedrag van de volgende bedragen:

  • a.

    40 procent van het maximaal verleende subsidiebedrag; of

  • b.

    de totale investeringskosten conform de goedgekeurde begroting van het NIKI-project.

FIn het vierde lid van artikel 4.13.13 wordt na ‘het gerealiseerde productievolume’ ingevoegd ‘, en de toegekende subsidie’.GBijlage 4.13.1, onderdeel B, wordt als volgt gewijzigd:1.In subonderdeel 2.1 wordt ‘In deze categorie wordt onderscheid gemaakt tussen drie thema’s.’ vervangen door ‘In deze categorie wordt de directe besparing van CO2-emissies in het productieproces vastgesteld ten opzichte van een referentieproces met een fysiek identiek product en onderscheid gemaakt tussen drie thema’s’.2.In subonderdeel 2.1, thema 1, wordt na ‘verbetering van de energie-efficiëntie’ ingevoegd ‘of aanpassing van het productieproces’.3.In subonderdeel 2.2 komt de tweede alinea te luiden:

Voor recycling van (kunst)stoffen, afvalstromen en reststromen komen verschillende vormen van recycling in aanmerking voor steun, waaronder chemische recycling. Bij chemische recycling kan gedacht worden aan: depolymerisatieprocessen, pyrolyse- en vergassingstechnologieën. Ook innovatieve nieuwe vormen van recycling, zoals solvent recycling, kunnen in aanmerking komen voor de NIKI. Uitgesloten is recycling van afval die het opwerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als opvulmateriaal of toepassingen voor (dier)voeding betreft.

HBijlage 4.13.2 komt te luiden:Inhoudsopgave

Inleiding

Kader en afbakening

Begrippen en definities

Samenvatting van de NIKI CO2-emissiereductiemethode

Stappenplan van de NIKI CO2-emissiereductiemethode

1.

Stap 1: Product bepalen

2.

Stap 2: Referentie bepalen

2.1.

Referentieproduct en correctiefactor

2.2.

Bepalen of u een beschikbare emissiefactor toepast of een referentieproces definieert

2.3.

Definitie van een referentieproces, als geen emissiefactor beschikbaar is

2.3.1.

Co-producten en allocatie bij het bepalen van een referentieproces

3.

Stap 3: Systeem- en procesgrenzen

3.1.

Systeemgrens

3.2.

Procesgrenzen

4.

Stap 4: Massa- en energiebalansen bepalen

5.

Stap 5: CO2-emissies over de levenscyclusfasen bepalen

5.1.

Levenscyclusfase Inputs

5.1.1.

Rigide en elastische inputs

5.1.2.

Emissies van grondstoffen

5.1.3.

Emissies van energiestromen

5.1.4.

Toerekenbaarheid van emissiereducties door gebruik van andere inputs

5.2.

Levenscyclusfase ‘proces’

5.2.1.

Verbranding van brandstoffen als onderdeel van het proces

5.2.2.

CO2-afvang en -gebruik als onderdeel van het proces

5.2.3.

Directe procesemissies, afvalstromen en restfractie

5.3.

Levenscyclusfase ‘verbranding’

5.4.

Levenscyclusfase: Einde levensduur

5.4.1.

Emissies bij einde levensduur door recycling

5.4.2.

Emissies einde levensduur bij langdurig gebruik

5.4.3.

Einde levensduur van biogene stoffen

5.4.4.

Rekenregels einde levensduur

5.5.

Emissies die uitgesloten zijn van de berekening

6.

Stap 6: Berekening totale CO2-emissiereductie

7.

Stap 7: Controle op negatieve neveneffecten

Appendix A1 Hiërarchie van emissiefactoren

• Inputs (voorketen – Scope 2 en 3 upstream)

• Transport (vervoersmiddel – WTW)

• Brandstoffen (Scope 1 – verbrandingsemissies / TTW)

Deze bijlage beschrijft de methode voor het bepalen van de reductie in broeikasgasemissies naar de atmosfeer van een NIKI-project. Als aanvrager van een NIKI-project bent u verplicht om deze methode toe te passen om de emissiereductie1Met ‘emissie’ of ‘emissiereductie’ worden in dit document altijd de emissie van broeikasgassen naar de atmosfeer en de reductie van deze broeikasgasemissies bedoeld. van uw NIKI-project te bepalen.

Ondernemingen reduceren door het uitvoeren van NIKI-projecten emissies van broeikasgassen, uitgedrukt in CO2-eq door NIKI-producten te vervaardigen, die tijdens hun levenscyclus minder emissies naar de atmosfeer veroorzaken dan producten die ze in de markt vervangen. De NIKI CO2-emissiereductiemethode houdt rekening met emissies die in verschillende fasen van de levenscyclus van een product ontstaan en de emissiereducties die in deze fasen kunnen worden behaald. Het Europese Innovation Fund (IF) is op dezelfde gedachte gebaseerd. De NIKI CO2-emissiereductiemethode is dan ook geïnspireerd op de IF-methodiek. De methode is gebaseerd op berekeningen en niet op metingen van emissies.

Een NIKI-aanvraag bestaat uit verschillende onderdelen. U dient onder andere een projectplan in, met daarin een beschrijving van de activiteiten binnen het project, de installatie of installaties die u van plan bent te bouwen of aan te passen, en de NIKI-producten die u daarmee beoogt te produceren. Het projectplan vormt tevens de basis voor het toepassen van zowel de NIKI rekenmethode als de NIKI CO2-emissiereductiemethode.

Dit document beschrijft de NIKI CO2-emissiereductiemethode en dient als instructie om de methode correct toe te passen. Naast dit document zal voor het voorbereiden van NIKI-aanvragen een NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie gepubliceerd worden, die zorgt voor een uniforme wijze van indienen. Dit rekenmodel zal tegelijk met de publicatie van de regeling in de Staatscourant worden gepubliceerd op de site van RVO. U dient het ingevulde rekenmodel bij uw aanvraag in.

De emissies van alle bekende broeikasgassen worden in deze methode meegenomen, zie ook bijlage 4.13.2 van de NIKI-regeling. De eenheid waarin de emissies worden uitgedrukt is tonnen koolstofdioxide equivalenten (ton CO2-eq.). Waar we in de tekst van CO2 spreken kan dit ook andere broeikasgassen betreffen.

U hanteert in uw NIKI-aanvraag een onderbouwde prognose van de totale productie tijdens de exploitatiefase voor het berekenen van de totale emissiereductie van uw NIKI-project. U berekent hieruit tevens de emissiereductie per eenheid NIKI-product. NIKI-projecten hebben een exploitatiefase van 10 jaar na ingebruikname van de installatie. In deze periode zal het NIKI-product vervaardigd worden. U rapporteert tijdens de projectuitvoering over de bereikte emissiereductie op basis van de daadwerkelijke productieoutput van de NIKI-installatie en de emissiereductie per eenheid NIKI-product uit uw aanvraag. Het uit te keren voorschot op de subsidie wordt mede op de bereikte emissiereductie gebaseerd.

In onderstaande tabel staan de definities van belangrijke begrippen in deze methode, voor zover deze niet al zijn opgenomen in de regelingstekst. De begrippen zijn niet alfabetisch gerangschikt, maar worden in een volgorde behandeld die bijdraagt aan het begrijpen van de samenhang tussen de begrippen.

Begrip

Definitie

NIKI

Nationale Investeringsmodule Klimaatprojecten Industrie

Restfractie

Fractie van producten uit het NIKI-proces met economische waarde die niet als NIKI-producten worden aangewezen.

Referentie

De referentie voor het NIKI-project is het totaal aan referentieproducten.

Fysiek identiek

(Nagenoeg) gelijke zuiverheid, concentratie, energiedichtheid bij verbranding (onderwaarde) en samenstelling.

Referentieproces

Het productieproces om een referentieproduct te vervaardigen.

Co-product

Verhandelbare producten die in het referentieproces worden vervaardigd maar geen referentieproduct zijn.

Productieoutput

Hoeveelheid NIKI-product in een vastgelegde eenheid die in een bepaalde tijdsperiode wordt geproduceerd.

Exploitatiefase

Aaneengesloten periode van 10 jaar na inbedrijfname van de NIKI-installatie, waarin de vervaardiging van het NIKI-product plaatsvindt.

Levenscyclus

De aansluitende stappen van grondstofwinning tot en met afdanking van producten.

Levenscyclusfase

Fase in de levenscyclus van een product. De NIKI CO2-emissiereductiemethode houdt rekening met emissies van broeikasgassen over meerdere fasen van de levenscyclus van producten.

NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie

Door RVO beschikbaar gesteld Excel document, waarin de berekeningen en onderbouwingen worden vastgehouden. De instructies in de NIKI CO2-emissiereductiemethode zijn hierin leidend.

Input

Alle ingaande stromen naar een proces, inclusief grondstoffen, brandstoffen, energie, halffabricaten en tussenproducten.

Rigide input

Een input waarvan het aanbod niet verandert bij een verandering van de vraag naar dezelfde input.

Elastische input

Een input waarvan het aanbod een verandering van de vraag naar dezelfde input volgt door op- of afschaling van de productiecapaciteit.

Neveneffecten

Emissies die plaatsvinden als gevolg van het NIKI-project, die buiten de systeemgrens van de berekening vallen.

Om de leesbaarheid te bevorderen zullen we in dit document enkele begrippen in enkelvoud gebruiken. Dus, waar we bijvoorbeeld van product, installatie, input of referentieproces spreken, kan dit ook meerdere producten etc. betreffen.

Het vertrekpunt voor de CO2-emissiereductiemethode is het NIKI-product, dat in het NIKI-project wordt vervaardigd. In het projectplan beschrijft u alle producten en productieprocessen. Voor de berekening van de CO2-emissiereductie worden de emissies van NIKI-producten vergeleken met referentieproducten.

De CO2-emissiereductie door het NIKI-project berekent u door het verschil tussen de emissies van het referentieproduct en de emissies van het NIKI-product, gesommeerd over de productieoutput gedurende de exploitatiefase. De formule is opgenomen in figuur 1.

Figuur 1: De CO2-emissiereductie van het NIKI-project ten opzichte van de referentie gedurende de exploitatiefase.NIKI-producten en referentieproducten

Een NIKI-installatie kan een of meerdere producten vervaardigen. Voor elk product wijst u een referentieproduct aan dat dezelfde functie vervult. De producten zijn gezamenlijk de NIKI-producten, de referentieproducten vormen samen de referentie.

Voorbeeld: Een aanvrager heeft een NIKI-project met een bioraffinaderij. Deze raffinaderij maakt uit een biogene koolstofstroom (bio)gas, (bio)benzine, (bio)diesel, (bio)nafta en (bio)stookolie. Deze vijf producten zijn gezamenlijk de NIKI-producten binnen deze aanvraag.

Een referentieproduct hoeft niet noodzakelijkerwijs fysiek identiek te zijn aan het NIKI-product. Als de producten fysiek van elkaar verschillen en er meer of minder geproduceerd moet worden om dezelfde functie te vervullen, dan wordt hiervoor gecorrigeerd met de correctiefactor.

Systeem- en procesgrenzen

De CO2-emissies van het NIKI-project en de referentie worden bepaald door de emissies gedurende de levenscyclus van de producten vast te stellen. De levenscyclus van het product bestaat uit verschillende levenscyclusfasen. Welke fasen worden meegenomen, wordt vastgelegd als systeemgrens. De totale emissie van een NIKI-product is de sommatie van de emissies van de afzonderlijke levenscyclusfasen. In de NIKI CO2-emissiereductiemethode worden de volgende levenscyclusfasen meegenomen:

  • •

    Inputs

  • •

    Proces

  • •

    Verbranding

  • •

    Einde levensduur

De procesgrens geeft aan met welke stap het productieproces van het NIKI-product in de NIKI-installatie start en eindigt. Dit bepaalt waar de levenscyclusfase proces begint en welke inputs daarbij horen. Als u een referentieproces moet definiëren, bepaalt u ook hiervan een procesgrens.

Massa- en energiebalans

U stelt een massa- en energiebalans op van het productieproces van het NIKI-product. Hiermee maakt u de in- en uitgaande massa- en energiestromen inzichtelijk die nodig zijn voor het vervaardigen van het product, zie figuur 2. Ook berekent u een koolstofbalans. Deze massa- en energiebalans dienen als basis voor het toekennen van CO2-emissies aan de verschillende stromen.

Figuur 2: Massa- en energiebalans van het productieproces.Bepalen van CO2-emissies

Voor alle levenscyclusfasen bepaalt u de emissies naar de atmosfeer. Dit doet u voor het NIKI-product op basis van de massa- en energiebalans in combinatie met emissiefactoren en informatie over de emissies tijdens verbranding of einde levensduur.

Om de emissies te bepalen, moet u geschikte emissiefactoren selecteren. De NIKI CO2-emissiereductiemethode schrijft een hiërarchie voor in de keuze van emissiefactoren uit verschillende bronnen. Deze emissiefactoren worden vermenigvuldigd met de hoeveelheden van de verschillende massa- en energiestromen die uit de massa- en energiebalans zijn gebleken.

Voor het bepalen van de emissies van het referentieproduct zijn er drie routes:

  • 1)

    Deze methode wijst vaste emissiefactoren toe aan een aantal producten. Als u een referentieproduct uit deze lijsten kan gebruiken, moet u de aangewezen emissiefactor toepassen.

  • 2)

    Indien het NIKI-product niet fysiek identiek is aan het referentieproduct, mag u voor het referentieproduct een emissiefactor uit de literatuur toepassen.

  • 3)

    Indien u geen standaard emissiefactor of emissiefactor uit de literatuur kunt gebruiken, stelt u voor het productieproces van het referentieproduct eveneens een massa- en energiebalans op, en volgt hetzelfde proces als voor NIKI-producten.

Bepalen van de totale CO2-emissiereductie door het NIKI-project

U gebruikt het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie om de totale CO2-emissiereductie te berekenen en de gemaakte keuzes kunt verantwoorden.

Controleren of negatieve neveneffecten van het NIKI-project de emissiereductie overschrijden

‘Transport en gebruik’ van NIKI-producten is geen onderdeel van de systeemgrens in de NIKI CO2-emissiereductiemethode. Het is in sommige gevallen echter mogelijk dat het vervangen van conventionele producten door NIKI-producten in deze levenscyclusfase additionele emissies veroorzaakt. Omdat dit buiten de systeemgrens valt, wordt dit niet meegenomen in het bepalen van de totale emissiereductie. Neveneffecten mogen echter niet groter zijn dan de totale emissiereductie van het NIKI-project. Dit dient door u te worden vastgesteld conform hoofdstuk 8 stap 7 ‘Controle op negatieve neveneffecten’.

U doorloopt aan de hand van deze methode zeven stappen om de CO2-emissiereductie van uw NIKI-project te bepalen. De zeven stappen zijn als volgt:

  • 1.

    Bepaal het NIKI-product

  • 2.

    Bepaal de referentie

  • 3.

    Bepaal systeem- en procesgrenzen van de NIKI- en referentie productieprocessen

  • 4.

    Bepaal de massa- en energiebalansen (inputs, producten, afval- en reststromen en directe emissies)

  • 5.

    Bepaal de CO2-emissies over de levenscyclusfasen (input, proces, verbranding, en einde levensduur)

  • 6.

    Bepaal de totale CO2-emissiereductie van het NIKI-project

  • 7.

    Controleer of negatieve neveneffecten de emissiereductie overschrijden

Deze stappen worden in de komende hoofdstukken toegelicht.

Het uitgangspunt van de NIKI-regeling is dat door de productie van NIKI-producten in het NIKI-project andere producten in de markt worden vervangen, die gedurende hun levenscyclus meer CO2-emissies veroorzaken. NIKI-projecten kunnen ook de uitbreiding of nieuwbouw van conventionele productie-installaties vermijden in het geval van toenemende vraag naar het product. De functie van het NIKI-product is dan ook bepalend voor de referentie en de uiteindelijk berekende emissiereductie.

Voor het bepalen van NIKI-producten gelden de volgende voorwaarden:

  • •

    Een NIKI-product is een product waarvoor het NIKI-project is opgezet.

  • •

    Een NIKI-product moet economisch verhandelbaar zijn.

  • •

    Het NIKI-product, of de som van producten, genereert het merendeel van de inkomsten van het NIKI-project.

  • •

    Het NIKI-product, of de som van producten, vormen samen meer dan 90% van de massa?xpp afbm?>stroom uit het proces van de NIKI-installatie die een economische waarde heeft.

  • •

    U bepaalt welke producten u meeneemt in de berekening.

  • •

    Overige producten die economische waarde hebben, worden beschouwd als restfractie.

  • •

    CO2 geldt nooit als NIKI-product of restfractie. Als een NIKI-proces CO2 produceert, neemt u dit op in de CO2 emissieberekening als verbrandings- of procesemissie.

  • •

    Energiestromen met een nuttige toepassing neemt u op als NIKI-product of restfractie.

  • •

    Overige stromen worden verondersteld geen economische waarde te hebben, het zijn afvalstoffen of emissies naar de atmosfeer.

Economisch verhandelbaar houdt in dat het product potentieel fysiek getransporteerd kan worden naar verschillende afnemers op de markt. Indien het product uitsluitend in een op de locatie van de aanvrager verbonden installatie verder verwerkt kan worden, wordt het product niet als verhandelbaar beschouwd.

U bepaalt NIKI-producten zodanig, dat ze samen ten minste 90% vormen van de uitgaande massastroom die een economische waarde heeft. U bepaalt zelf of en welke producten met economische waarde u niet als een NIKI-product beschouwt, tot een maximum van 10% van de uitgaande massastroom (zie Figuur 3). Deze producten vormen de restfractie. Voor de restfractie geldt dat de CO2-emissies berekend worden als de emissies die vrijkomen bij volledige verbranding daarvan met energieterugwinning.

Voorbeeld: 80% van de uitgaande massastromen heeft een economische waarde. Hier zitten echter enkele zeer kleine stromen tussen, die veel moeite kosten om los te beschrijven. U heeft de optie om een deel hiervan als restfractie aan te merken. Dit mag maximaal 10% van de uitgaande massastroom met een economische waarde zijn. De overige minimaal 90% moet u als NIKI-producten opnemen. In dit voorbeeld zal minimaal 72% (90% van de 80%) van de uitgaande massastromen van het NIKI-project NIKI-producten zijn.

Figuur 3: Afvalstromen en restfractie

Het referentieproduct is het product dat in de markt wordt vervangen door het NIKI-product. Vaak heeft dit referentieproduct (nagenoeg) dezelfde chemische samenstelling en fysieke eigenschappen als het NIKI-product, en vervult daarmee dezelfde functie.

Wanneer het referentieproduct niet fysiek identiek is of een afwijkende samenstelling heeft ten opzichte van het NIKI-product, dan moet u met bronnen onderbouwen dat de functionaliteit dezelfde is. Onder functionaliteit wordt verstaan: wat, hoeveel, hoelang, hoe goed. U toont bijvoorbeeld aan dat het NIKI-product net zo sterk is als het referentieproduct, dezelfde isolatiewaarde heeft etc. etc. naargelang welke parameters van belang zijn voor de toepassing van uw product. Om dit aan te tonen, doorloopt u de stappen in de onderstaande sectie.

Als het referentieproduct wel fysiek identiek is, is dit niet nodig, er wordt dan van uitgegaan dat de afzetmarkt vergelijkbaar zal zijn.

Als het product van het NIKI-project meerdere functionaliteiten heeft die niet gedekt worden door één referentieproduct, dan bepaalt u voor elke functionaliteit een referentieproduct.

Voorbeeld: Pyrolyseolie van biogene reststromen kan ingezet worden als grondstof voor plasticproductie, maar ook als brandstof voor de zeevaart. Het NIKI-project voorziet om 40% te leveren aan de plasticindustrie voor verdere verwerking tot grondstof en de overige 60% te verkopen als biobrandstof voor de zeevaart. Hiermee worden de vervangen referentieproducten respectievelijk nafta en stookolie.

U onderbouwt uw keuze voor een referentieproduct

U motiveert dat de daadwerkelijke vervanging van het referentieproduct door het NIKI-product aannemelijk is. Het referentiescenario van de CO2-berekening moet consistent zijn met de marktverwachting uit de markthaalbaarheidsstudie en de productbeschrijving uit de technische haalbaarheidsstudie van uw aanvraag. Als er meerdere keuzes mogelijk zijn, dan onderbouwt u uw keuze of werkt u met meerdere producten zoals beschreven in het voorbeeld in 2.1. hierboven.

U kiest een functionele eenheid

Producten die fysiek niet identiek zijn, verschillen vaak op meerdere aspecten. U bepaalt een grootheid die de primaire functie het beste beschrijft en breed geaccepteerd is in de markt. Vervolgens koppelt u hier een eenheid aan, de zogenaamde functionele eenheid. Dit kan in feite elke fysieke eenheid zijn: m2, Rc-waarde, m3 etc.

U bepaalt de correctiefactor op basis van massa

U dient een correctiefactor te bepalen voor het mogelijke verschil in de benodigde hoeveelheid van het referentieproduct om dezelfde functie te vervullen als het NIKI-product. Als het referentieproduct fysiek identiek is aan het NIKI-product is de correctiefactor 1. De correctiefactor wordt bepaald aan de hand van de benodigde eenheden product van het referentieproduct dat vervangen wordt door één product-eenheid van het NIKI-product. Indien er meerdere referentieproducten zijn, kan er per referentieproduct een aparte correctiefactor van toepassing zijn.

Voorbeeld: Een producent voor een biologisch alternatief voor PIR (Polyisocyanuraat) dient een NIKI-aanvraag in. Eerst moet worden onderbouwd welk referentieproduct vervangen wordt door de functionaliteit van het biologisch isolatieproduct. De aanvrager levert intentieverklaringen aan van meerdere bouwbedrijven die het isolatieproduct willen inzetten ter vervanging van PIR. Uit door de aanvrager uitgevoerd onderzoek blijkt dat het biobased alternatief per m3 10% minder weegt in vergelijking met PIR, maar dat er 30% meer volume nodig is om een equivalente isolatie waarde te bereiken. De aanvrager past daarom een correctiefactor van 1,17 (=0,9 x 1,3) toe.

U bepaalt de correctiefactor door het benodigde aantal kilogrammen NIKI-product te delen door het benodigde aantal kilogrammen referentieproduct om dezelfde functie te vervullen.

U vult het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie in

Op tabblad ‘S2 Def Referentie’ voert u de bovengenoemde correctiefactor in.

Op de tabblad ‘S4 MEB NIKI’ t/m ‘S4 MEB ref 3’ stelt u de massa- en energiebalans (MEB) op voor het NIKI-product en één of meerdere referentieproducten. U wijzigt de MEB van het referentieproces niet om te corrigeren voor het verschil in functie. Dat doet het Excelmodel automatisch op basis van de correctiefactor.

U onderbouwt bovengenoemde stappen met bewijsstukken

U moet de functionele gelijkwaardigheid onderbouwen, zowel kwalitatief als kwantitatief. U doet dit aan de hand van betrouwbare bronnen, bijvoorbeeld verklaringen van klanten, onderzoeksrapporten, labtests, afnameovereenkomsten, product trials etc. Ook literatuurwaardes of macro-economische cijfers kunnen gebruikt worden zo ver ze betrouwbaar en representatief zijn. Bewijsstukken moeten duidelijk aansluiten bij bovengenoemde stappen en de CO2-berekening.

Voor het bepalen van de emissies van het referentieproduct bepaalt u eerst welke aanpak u moet toepassen: een standaard emissiefactor, een emissiefactor uit de literatuur of zelf een referentieproces opstellen (zie ook figuur 4).

Figuur 4: Stappen om referentieproduct te bepalenEen standaard emissiefactor is beschikbaar

Als er een voorgeschreven emissiefactor beschikbaar is, dan moet u deze gebruiken. Twee typen emissiefactoren zijn voorgeschreven:

  • A.

    Voor een product dat als energiedrager of brandstof wordt ingezet, maakt u gebruik van de emissiefactoren gepubliceerd op CO2-emissiefactoren.nl. Hierbij gebruikt u de well-to-wheel waarde (WTW).

  • B.

    Voor een aantal producten is een emissiefactor berekend volgens de NIKI CO2-emissiereductiemethode. Deze producten kunnen relevant kan zijn als referentieproducten voor de doelgroep van de NIKI-regeling. Als u een referentieproduct kunt aanwijzen dat op deze lijst staat, dan moet u de desbetreffende emissiefactor voor dit referentieproduct toepassen. De lijst is vanaf de datum van publicatie van de NIKI-regeling te vinden op de website van RVO.

Als u één van deze emissiefactoren moet gebruiken, dan hoeft u voor dat product geen referentieproces meer op te stellen.

Emissiefactor uit de literatuur gebruiken

Indien er geen standaard emissiefactor beschikbaar is én het NIKI-product is niet fysiek identiek aan het referentieproduct, dan hoeft u geen referentieproces op te stellen, maar mag u een emissiefactor uit de literatuur gebruiken. U gebruikt de hiërarchie in Appendix A1 om een geschikte emissiefactor te bepalen.

U onderbouwt waarom u de gekozen emissiefactor kiest. Bij het gebruik van een database voor emissiefactoren (bijv. Ecoinvent) omschrijft u welke dataset u kiest en waarom. Daarnaast onderbouwt u waarom er geen emissiefactor beschikbaar was op een hoger niveau in de hiërarchie.

Als u een emissiefactor uit de literatuur toepast, dan hoeft u voor dat product geen referentieproces meer op te stellen. U mag er ook voor kiezen om wel een referentieproces op te stellen, maar dit is niet verplicht.

Een referentieproces bepalen

Indien uit de bovenstaande bronnen geen emissiefactor voor een geschikt referentieproduct te bepalen is, doorloopt u voor het productieproces van het referentieproduct dezelfde stappen als voor NIKI-producten. Dit betekent dat u voor de referentie een of meer referentieprocessen zult moeten beschrijven waarmee alle producten met dezelfde functionaliteiten van de NIKI-producten zijn te produceren.

Voor elk NIKI-product moet u een referentieproduct aanwijzen. Daarnaast moet u een referentieproces beschrijven voor elk referentieproduct waarvoor geen emissiefactor beschikbaar is. Indien een referentieproces meerdere referentieproducten produceert in dezelfde productieverhoudingen tussen de producten als het NIKI-project, dan volstaat dit ene referentieproces voor de desbetreffende referentieproducten. Is dit niet het geval, dan geldt als uitgangspunt dat voor elk referentieproduct een referentieproces moet worden opgesteld.

Indien het productportfolio van het NIKI-proces overeenkomt met het productportfolio van één enkel referentieproces, dan mag u de referentie met een enkel referentieproces beschrijven, zonder dat u voor een gedeelte van de producten een beschikbare emissiefactor toepast.

Voorbeeld: U vervangt de helft van een grondstof met een biobased alternatief. Het productportfolio blijft hetzelfde. Eén van de producten staat op CO2emissiefactoren.nl. Volgens bovenstaande stappen zou u hiervoor de beschikbare emissiefactor moeten gebruiken en voor de overige producten referentieprocessen moeten beschrijven. Omdat het productportfolio hetzelfde blijft, mag u in dit geval echter een referentieproces beschrijven dat alle referentieproducten vervaardigd. Als voor alle referentieproducten een emissiefactor beschikbaar is, gebruikt u de beschikbare emissiefactoren.

Let op: als de referentieproducten niet in dezelfde verhouding worden geproduceerd, of de correctiefactor niet overeenkomt, moeten de referentieproducten WEL in losse processen omschreven worden.

Indien er geen emissiefactor beschikbaar is, stelt u een referentieproces op. Een referentieproces dient zo veel mogelijk overeen te komen met de Best Available Technology (BAT)2https://eippcb.jrc.ec.europa.eu/reference., waaronder energiegebruik per ton product. Bij het referentieproces gaat u uit van processen zonder toepassing van Carbon Capture and Storage (CCS), omdat CCS ook bij het NIKI-project is uitgesloten.

U stelt het referentieproces vast aan de hand van de hieronder beschreven hiërarchie. Indien er meerdere gangbare productieprocessen zijn, maakt u een keuze met onderbouwing waarom het gekozen productieproces het meest geschikte vergelijkbare proces is. In het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie is er ruimte om uw keuze te onderbouwen.

Voor het bepalen van de inputs, producten en procesemissies van het referentieproces volgt u onderstaande hiërarchie. U onderbouwt hierbij steeds waarom u een bepaalde bron kiest. Bij niveau 4 van de hiërarchie onderbouwt u ook waarom op de hogere niveaus geen geschikt referentieproces te vinden was.

  • 1.

    U gebruikt een BAT Reference document (BREF) voor het bepalen van de massastromen van inputs en uitgaande stromen in het referentieproces en de procesemissies. Hierbij gebruikt u de gunstigste waarde van de bandbreedte als er bij een variabele een bandbreedte is opgenomen. Gunstig betekent in dit verband waarden die leiden tot de laagste emissiefactor. De toepassing van CCS is uitgesloten.

  • 2.

    Indien het NIKI-project een wijziging van een bestaand productieproces betreft zonder wijziging van het geproduceerde product, mag u ervoor kiezen uw bestaande (d.w.z. ongewijzigde) productieproces als referentiescenario te gebruiken, mits het overeenkomt met de BAT exclusief CCS. Dit onderbouwt u in de aanvraag (bijvoorbeeld door een BAT-toets op basis van de BREF te overleggen3Deze BAT-toets mag beperkt zijn tot de best beschikbare technieken die invloed hebben op de broeikasgasemissies. U hoeft niet aan te tonen dat u aan BAT voldoet inzake vervuiling naar lucht, water, bodem of andere milieuaspecten die geen invloed hebben op de broeikasgasemissies.). Indien het bestaande productieproces niet voldoet aan de BAT-eisen, dan past u de hiërarchie van bovenaf toe.

  • 3.

    Indien u het referentieproces gedeeltelijk kan baseren op het productieproces van een product dat is opgenomen op de lijst met emissiefactoren op de website van RVO (zoals beschreven onder 3.2.1), dan gebruikt u alle relevante data uit dit proces. Een voorbeeld hoe u dit kan doen is eveneens opgenomen in deze lijst (voorbeeld polyethyleen, afgeleid van etheen).

  • 4.

    Indien stap 1–3 geen geschikt referentieproces oplevert of data ontbreekt om de massa- en energiebalans (MEB) op te stellen, moet u de MEB mede baseren op andere bronnen.

    • •

      U dient gebruik te maken van een Life Cycle Inventory dataset van Ecoinvent voor de inputs, uitgaande stromen en emissies. Het gaat hierbij om de Ecoinvent commerciële LCI-dataset4Ecoinvent 3.11 LCI-dataset: https://ecoinvent.org/ecoinvent-v3-10/., de meest recente versie op het moment van publicatie van de regeling, waarbij de inputs, uitgaande stromen en emissies van het referentieproces zijn bepaald. De baseline data dient recenter dan 5 jaar geleden te zijn vernieuwd en CO2-equivalenten emissies moeten berekend worden over 100 jaar. Zie ook het document5Lijst met NIKI referentieproducten op website RVO. met uitgewerkte NIKI-referentieproducten waarin als voorbeeld deze aanpak is gehanteerd op een specifiek referentieproduct. Andere Life Cycle Inventory datasets6Overzicht van publieke Life Cycle Inventory datasets: https://nexus.openlca.org/databases#free-provider. zijn alleen te gebruiken indien u kunt onderbouwen dat Ecoinvent geen geschikte LCI entry heeft. Deze volgorde in aanpak borgt de uniforme aanpak tussen aanvragers. Als het referentieproces van het product beschreven wordt in een publieke LCI database7Overzicht van publieke Life Cycle Inventory datasets: https://nexus.openlca.org/databases#free-provider., mogen de meeste recente waarde voor inputs, uitgaande stromen en emissies hieruit worden ontleend. Dit dient wel voor hetzelfde proces te zijn, met CO2 equivalenten emissies over 100 jaar berekend. U kunt een passend referentieproces opstellen of ontbrekende gegevens aanvullen uit andere bronnen. U onderbouwt uw keuzes op de volgende punten:

      • i.

        Onderbouwing waarom de gekozen referentie de best passende is;

      • ii.

        Onderbouwing van het proces en de bijbehorende emissies aan de hand van (wetenschappelijke) bronnen uit peer-reviewed journals of rapporten (bijvoorbeeld publicaties van publieke instanties zoals het EC Joint Research Centre).

Voor het referentieproces stelt u vervolgens een massa- en energiebalans op, zoals in hoofdstuk 5 beschreven. Hiervoor gebruikt u zoveel mogelijk dezelfde bron voor alle benodigde data, gebaseerd op bovenstaand hiërarchie. Ingeval niet alle data in dezelfde bron beschikbaar is, mag u, wederom de hiërarchie volgend, aanvullen met andere bronnen. Door een dergelijke combinatie van bronnen kan het voorkomen dat de massa- en energiebalans en/of koolstofbalans niet sluitend zijn. In dat geval mag u afwijken van de instructie om de laagste waarde van de bandbreedte in een BREF document gebruik te maken. Binnen de bandbreedte benadert u dan een hogere waarde, waardoor de massa- en energiebalans wel sluitend wordt.

Indien het referentieproces naast het referentieproduct ook andere verhandelbare producten produceert, worden deze producten als co-producten beschouwd. Stoom of restgassen moeten bijvoorbeeld als co-producten worden beschouwd als deze zinvol toegepast kunnen worden. Als een reststroom niet als co-product wordt beschouwd, moet u dit goed onderbouwen. Let op: het gaat hier om het referentieproces en omdat we uitgaan van de BAT, is de uitgangspositie altijd dat reststromen die nog zinvol gebruikt kunnen worden, als co-product worden verhandeld.

De emissies van het referentieproces en inputs worden op basis van massa-allocatie toegewezen aan het referentieproduct dan wel aan de co-producten. U onderbouwt de allocatie in de aanvraag.

Voorbeeld: Een NIKI-project produceert twee producten, product A en product B. Het referentieproces produceert dezelfde producten in dezelfde verhouding als het NIKI-proces. Daarom volstaat het referentieproces voor zowel product A als voor product B van het NIKI-project. Het referentieproces produceert ook een derde product (C) als bijproduct uit het proces. Product C wordt beschouwd als een co-product uit het referentieproces en de emissies worden verdeeld over producten A en B op basis van massa-allocatie.

Let op: bij het NIKI-proces spreken we van een restfractie, bij referentieprocessen van co-producten. Emissies worden bij co-producten anders toegewezen dan bij een restfractie. Voor de restfractie is dit beschreven in hoofdstuk 1.

De systeemgrens kadert welke levenscyclusfasen en de daaraan verbonden emissies meegenomen worden in de berekening en bepaalt daarbinnen ook de afbakening van de energie- en massabalans. Een levenscyclus betreft alle stappen van grondstofwinning tot afdanking over de levensduur van een product.

Voor het NIKI-product en referentieproduct berekent u de emissies voor de volgende levenscyclusfasen:

  • •

    Inputs: Emissies die gerelateerd zijn aan alle inkomende energie en grondstoffen voor het proces. Hieronder vallen emissies van grondstofwinning en -transport, en emissies gerelateerd aan tussenproducten die als input dienen, waaronder winning, productie en transport van elektriciteit, warmte en andere energiedragers. Gerecyclede grondstofstromen vallen ook onder de inputs waarbij de emissiefactor rekening houdt met recycling.

  • •

    Proces: Emissies ten gevolge van het vervaardigen van het NIKI-product in de NIKI-installatie of ten gevolge van de productie van de referentie. De reikwijdte van de levenscyclusfase ‘proces’ omvat de NIKI-installatie van de aanvrager die de (innovatieve) onderdelen van het project inhoudt. Deze emissies bevatten onder andere verbrandings- en procesemissies en emissies verbonden aan afval en reststromen die tijdens het proces ontstaan.

  • •

    Verbranding: Emissies die vrijkomen bij de verbranding van het product. Dit is alleen van toepassing op NIKI-projecten die brandstoffen als producten produceren.

  • •

    Einde levensduur: Emissies die vrijkomen bij het einde van de levensduur van het product.

Figuur 5: Levenscyclusfasen en gerelateerde emissies

Emissies tijdens de levenscyclusfase gebruik van het product zijn uitgesloten van de berekening. Dit heeft te maken met het feit dat de emissies in deze fase niet toerekenbaar zijn aan het NIKI-project, maar vaak het gevolg zijn van afspraken tussen ketenpartners of gedrag van eindgebruikers.

De levenscyclus begint bij grondstofwinning voor het product en eindigt bij de einde levensduur of langdurig gebruik van meer dan 50 jaar. Als de levenscyclus begint bij een afvalproduct als grondstof, begint de systeemgrens vanaf het moment van inzameling.

De levenscyclus fase ‘proces’ heeft een sleutelpositie in de levenscyclus van een NIKI-product of referentieproduct. Wanneer u de procesgrens – het begin- en eindpunt van deze levenscyclusfase – heeft bepaald, kunt u ook de grenzen van de andere levenscyclusfasen vastleggen. Ter verduidelijking van uw aanvraag maakt u een schematische weergave van het proces, met procesgrenzen, inputs, reststromen, afvalstromen, procesemissies en producten (voor een voorbeeld zie figuur 3). Deze neemt u op in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie, waarin u de CO2-emissiereductie berekent.

De procesgrens van het NIKI-project omvat de fysieke installatie of installaties waarmee het NIKI-product wordt vervaardigd. Dit betreft in ieder geval altijd de NIKI-installatie waarin wordt geïnvesteerd, maar kan ook andere installaties betreffen die onderdeel uitmaken van het productieproces en op hetzelfde terrein staan.

De procesgrens begint op het punt waar de inputs een installatie worden ingevoerd. De procesgrens eindigt waar het NIKI-product een installatie verlaat.

Hetzelfde principe past u ook toe als u voor een referentieproduct een proces moet beschrijven. U bepaalt hierbij volgens de hiërarchie beschreven in hoofdstuk 2.3 het referentieproces en de daarbij horende procesgrenzen.

Figuur 6: Illustratie van de systeem- en procesgrenzen en onderverdeling van levenscyclusfasen voor een ammoniakkraker case.

U stelt een massa- en energiebalans (MEB) op voor het productieproces van het NIKI-product. Zo worden de emissies op een consistente en navolgbare manier bepaald. Indien van toepassing stelt u ook voor het referentieproces een MEB op. De MEB omvat alle relevante massa- en energiestromen voor een representatief jaar die de procesgrenzen passeren.

In het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie is een tabblad opgesteld voor het maken van de MEB. Hierin legt u de inputs van het proces als massa- of energiestromen vast. Uitgaande producten, restfractie, emissies naar de atmosfeer en afvalstoffen dienen vervolgens in balans te zijn met de ingaande stromen.

U moet de balans maken voor zowel de massastromen als voor de energiestromen door het proces. Geef voor alle in- en uitgaande stromen zowel een massa- als energiestroom op, tenzij de stromen geen massa hebben (bijvoorbeeld elektriciteit) of geen energie bevatten (bijvoorbeeld CO2). Verklaar waar nodig de verschillen in de balans, bijvoorbeeld als gevolg van chemische reacties in het proces.

De koolstofinhoud per massastroom neemt u ook in de MEB op. De MEB legt hiermee vast hoe de stromen lopen tussen het proces en andere levenscyclusfasen betreffende hoeveelheid en koolstofinhoud. U legt ook per massastroom de fractie biogene koolstof vast. Deze gegevens worden gebruikt om de emissies in andere levenscyclusfasen te bepalen.

Zorg ervoor dat de koolstofbalans in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie kloppend is. Bij onvolledige data zorgt u voor een kloppende koolstofbalans door inputstromen en procesemissies aan te passen. Uw keuzes hierover licht u toe.

Voorbeeld: Uit de BREF en aanvullende bronnen leidt u af dat er CO2-uitstoot in het proces plaats vindt, maar deze is niet gekwantificeerd. Uit de koolstofbalans leidt u af hoeveel fossiele koolstof uit het proces moet komen. U maakt de koolstofbalans kloppend door deze koolstofatomen als CO2 in de procesemissies op te nemen.

De biogene koolstofinhoud bepaalt u op basis van de massabalans. Om tot het aandeel biogene koolstof per uitgaande stroom te komen, wordt de massa aan biogene koolstof gelijk verdeeld over alle uitgaande stromen met koolstofinhoud. Als u kunt aantonen dat de biogene fractie in de installatie apart behandeld wordt, dan kunt u de biogene fractie toewijzen volgens gedetailleerde (sub)MEB’s.

De bepaling van de emissies is onderverdeeld in de verschillende levenscyclusfasen. De totale emissies van het NIKI-project en van de referentie bepaalt u door de emissies van de levenscyclusfasen op te tellen. De totale emissiereductie van het NIKI-project is het verschil tussen de emissies van de referentie en het NIKI-project.

Voor alle emissies moet u de bronnenhiërarchie toepassen, zoals beschreven in appendix A1 en gaat u uit van de BAT, of onderbouwt u waar het NIKI-project de BAT verbetert. U onderbouwt elke gebruikte emissiefactor op basis van een goede overeenkomst van eigenschappen en het niveau in de hiërarchie.

Voorbeeld: U kiest een emissiefactor voor een grondstof die als input dient in uw proces (levenscyclusfase inputs). Op de eerste drie niveaus van de hiërarchie is de desbetreffende grondstof niet opgenomen. Op niveau 4 (GEMIS) vindt u een emissiefactor voor de grondstof, maar de data waarop de emissiefactor is gebaseerd zijn verouderd en de kwaliteit van de grondstof komt niet overeen. U kiest daarom een emissiefactor uit het volgende hiërarchieniveau (bijvoorbeeld Ecoinvent) en onderbouwt waarom deze vermelding beter aansluit.

Inputs zijn alle inkomende energiestromen en grondstoffen voor het proces. De emissies per input berekent u aan de hand van een emissiefactor die de CO2-emissies van de input tot aan het proces omvat.

De emissiefactor voor inputs houdt ook het transport naar de installatie in, zoals in 4.1 beschreven. Voor biogene grondstoffen, afval en CCU-inputs gelden additionele rekenregels, die hieronder in de desbetreffende hoofdstukken worden beschreven.

De NIKI CO2-emissiereductiemethode maakt bij de inputs onderscheid tussen grondstoffen en energie, waarbij specifieke rekenregels worden voorgeschreven:

  • –

    Grondstoffen: additionele rekenregels voor biogene grondstoffen of afval als grondstof, vanwege oorsprong-specifieke emissies (zie komende hoofdstukken);

  • –

    Energie: aparte rekenregels voor elektriciteit en warmte vanwege de oorsprong en eigenschappen van het desbetreffende energiesysteem.

Voor iedere input moet u bepalen of het een rigide of elastische input betreft. Daarbij gelden de volgende definities:

  • •

    Rigide input: Een input waarvan het aanbod niet verandert bij een verandering van de vraag naar dezelfde input.

  • •

    Elastische input: Een input waarvan het aanbod een verandering van de vraag naar dezelfde input volgt door op- of afschaling van de productiecapaciteit.

Een rigide input kan negatieve of positieve neveneffecten hebben in een andere productketen waardoor er juist meer of minder CO2-emissies worden veroorzaakt.

Voorbeeld: Een NIKI-project gebruikt gemeentelijk afval als input. Dit afval wordt hierdoor niet langer verbrand om te voorzien in stadsverwarming. Afval is in dit scenario een rigide input voor het NIKI-proces. Doordat het afval niet wordt verbrand, ontstaan er geen verbrandingsemissies. Echter moet de warmte die voorheen voor stadsverwarming werd gebruikt nu anders worden opgewekt, bijvoorbeeld door het gebruik van een aardgasketel. De emissies voor warmteproductie moeten worden berekend om het effect van het inzetten van afval in het NIKI-project te bepalen, maar de vermeden verbrandingsemissies worden niet verrekend. Rigide inputs hebben dus nooit een negatieve emissiefactor.

Oppervlaktewater en lucht zijn per definitie rigide inputs. In deze methode worden deze twee stromen echter uitgesloten van rigide inputs: er wordt aangenomen dat ongezuiverd oppervlaktewater en lucht functioneel oneindige stromen zijn.

Standaard gaat de berekening uit van een elastische input. U hoeft dan niets te doen. Wanneer er binnen het NIKI-proces sprake is van een rigide input moet u rekening houden met de effecten van een verandering in de vraag van deze input op processen buiten het NIKI-project (extern proces). Daarom neemt u het vervangingseffect voor rigide input bij dat externe proces mee in de berekening. Dat doet u als volgt:

  • 1.

    Stel vast welke inputs van het NIKI-proces rigide zijn.

  • 2.

    Stel vast bij welk extern proces het vervangingseffect optreedt.

  • 3.

    Stel vast of de input bij het externe proces vervangen is door een elastische of rigide input of een combinatie hiervan.

    Voorbeeld: Een NIKI-project gebruikt warmte die wordt teruggewonnen uit een bestaand proces. Dit is een rigide input. Om die oorspronkelijke levering van warmte aan andere processen in stand te houden, wordt er een andere bron ingezet. Dit kan bijvoorbeeld aardgasverbranding zijn (elastische input) of verbranden van restgassen (rigide input).

  • 4.

    Als een rigide input een overvloedig restproduct is dat anders geen nuttige toepassing kent, dan berekent u alleen de emissie voor de voorbehandeling van de input zoals bij een elastische input.

    Voorbeeld: Indien een industriële afgasstroom die koolmonoxide (CO) bevat wordt afgeleid van verbranding met uitstoot van de CO2 in de atmosfeer, is de emissie die wordt toegeschreven aan die input 0.

  • 5.

    Als de rigide input bij het externe proces door een elastische input wordt vervangen, berekent u de extra emissies ten gevolge van deze vervanging volgens de standaard rekenregels voor de desbetreffende inputs.

  • 6.

    Als de rigide input bij het externe proces door wederom een rigide input wordt vervangen, berekent u ook hiervan het vervangingseffect.

    Voorbeeld: In het voorbeeld bij stap 3 wordt bij het externe proces wederom een rigide input ingezet, bijvoorbeeld restgassen uit een chemisch proces die worden ingezet voor het opwekken van proceswarmte, ter aanvulling op de restwarmte die het NIKI-project gebruikt. U moet dan onderzoeken of er een vervangingseffect ontstaat door de inzet van deze restgassen. Bijvoorbeeld of het gebruik ervan leidt tot minder productie van elektriciteit door middel van een warmtekrachtcentrale.

  • 7.

    De vervangingseffecten worden doorgerekend tot het punt dat alle rigide inputs zijn vervangen door elastische inputs.

Wanneer het referentieproces een rigide input gebruikt, maar het NIKI-proces niet (of het gebruik ervan vermindert) dan vermindert het NIKI-project de vraag naar een rigide grondstof of energiestroom ten opzichte van de referentie. In dit geval berekent u ook het vervangingseffect: in hoeverre leidt de afname van de vraag tot verandering van de emissies in externe processen.

Voor het vaststellen van de emissiefactor voor een grondstof-input, inclusief brandstoffen voor energievoorziening in het proces, worden de input-emissies in kaart gebracht volgens de bronnenhiërarchie in appendix A1. Voor enkele hieronder genoemde grondstoffen wordt afgeweken van of vindt aanvulling plaats op de bronnenhiërarchie.

Mogelijk zijn er verscheidene emissiefactoren beschikbaar op hetzelfde niveau van de hiërarchie voor verschillende processen voor het hetzelfde product. In dat geval kiest u het proces dat in de markt als eerste gaat opschalen bij een toenemende vraag naar de grondstof en licht u deze keuze toe.

Water als grondstof neemt u alleen in de emissieberekening mee indien het uit een externe ontziltings-, afvalwaterzuiverings- of aanvullende pompinstallatie komt. Anders mag u de voorketenemissies van water als 0 opnemen. Input-emissies van lucht mag u ook als 0 opnemen, indien hier geen externe voorbehandeling bij plaatsvindt.

De biogene grondstoffen moet zijn opgenomen in bijlage IX van de RED-II Richtlijn8Richtlijn (EU) 2018/2001, ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. en zijn gecertificeerd. De duurzaamheidsverklaring van de ingekochte biomassa moet uitgegeven zijn door een certificatiesysteem dat door de EU conform artikel 30.4 erkend is voor deze scope. Het certificaat moet van toepassing zijn op de relevante grondstof uit bijlage IX en overeenkomstig de relevante bepalingen van artikel 29.1–29.10 is opgesteld.

Op het moment dat het Besluit duurzaamheid biomassa van kracht is, hanteert de aanvrager met betrekking tot de biogrondstoffen die ten behoeve van de NIKI worden toegepast, een duurzaamheidssysteem dat door de minister is geaccepteerd voor het werkveld waarvoor de geregistreerde het systeem toepast.

Voor input van biogene oorsprong berekent u de emissiefactor op onderstaande wijze. Deze wijkt af van de bronnenhiërarchie in appendix A1 en ook van enkele op de markt gangbare methoden zoals bijvoorbeeld EN15804-A2 en de Nederlandse bepalingsmethode voor bouwproducten.

Nota bene: biogene grondstoffen van plantachtige herkomst nemen middels fotosynthese CO2 op uit de atmosfeer en leggen deze, afhankelijk van de toepassing, meer of minder langdurig vast. Binnen de NIKI-methode kent u geen negatieve emissiefactor toe aan de input als gevolg van de vastlegging van CO2 uit de atmosfeer. Het gebruik van biogene grondstoffen wordt in de einde levensfase begunstigd. In paragraaf 5.4.2.–5.4.4. vindt u hier meer informatie over.

De bijlagen V, deel D en E en bijlage VI deel C van REDII geven de standaardwaarden voor teelt, verwerking, vervoer en distributie waaruit u de emissiefactoren voor biomassa, biogas, biomethaan, vloeibare biomassa of biobrandstoffen afleidt.

Indien in de REDII geen waarden beschikbaar zijn, moet u de bronnenhiërarchie in appendix A1 alsnog volgen met inachtneming van de rekenregels betreffende transport.

Voorbeeld: De emissiefactor voor houtsnippers van bosbouwresten is 5 g CO2/MJ als deze binnen 500 km zijn gewonnen van de NIKI-installatie. U dient echter te corrigeren voor transport en verbranding. De ‘transport’- en niet-CO2-emissies in de RED II emissiefactor zijn respectievelijk 3,0 en 0,4 g CO2/MJ. De winning- en productie-emissies zijn daarmee volgens RED II voor houtsnippers 5 – (3,0 + 0,4) = 1,6 g CO2/MJ. Voor het NIKI-project worden de houtsnippers binnen een straal van 350 km gewonnen en worden vervoerd met een zware trekker + oplegger. Dit vervoer heeft een emissiefactor van 88 g CO2/tonkilometer. Hiermee komen de transportemissies voor de aanvoer van houtsnippers naar de NIKI-installatie op 88 g CO2/(ton km) * 350 km = 30,8 kg CO2/ton. Om dit uit te drukken per MJ houtsnippers, passen we de onderste verbrandingswaarde van houtsnippers toe, 13 MJ/kg. Omgerekend is het dus 2,4 g CO2/MJ. De totale emissies van houtsnippers als input bedragen dan 1,6 + 2,4 = 4,0 g CO2/MJ.

NIKI-projecten dienen de Kaderrichtlijn Afvalstoffen te volgen voor het gebruik van afval als input, waarbij u aantoont dat ‘afval’ niet op een hoger niveau behandeld kan worden. Dit wordt gedaan op basis van het Circulaire Materialen Plan (CMP).

Voorbeeld: Een kunststofresidu is niet meer geschikt voor de productie van nieuwe kunststof. Volgens de Kaderrichtlijn Afval mag dit geconverteerd worden tot een brandstof of chemische grondstof.

De emissies van afvalstoffen als input worden berekend vanaf inzameling van het afval tot en met aanlevering bij het proces. Hierbij moet u alle emissies van inzameling, verwerking, mogelijke opwerking en transport van het afval inventariseren en berekenen. De emissies van het transport van afvalstoffen neemt u mee in de berekening als deze meer dan 1% van de volledige verbrandingsemissies van de desbetreffende grondstof bedragen, inclusief biogene emissies.

Wanneer u CO2 uit een extern proces inzet, worden de emissies berekend vanaf het afvangen van de CO2 tot en met de aanlevering bij het proces. Voor de CO2 moleculen past u een startwaarde van 0 toe en dus geen negatieve emissie. Ook wordt er in de MEB bijgehouden welke fractie van de afgevangen CO2 van biogene oorsprong is. Dit heeft een effect in de levenscyclusfase einde levensduur.

Ook voor CO2 als grondstof moet u de werkelijke transportemissies meenemen in de berekening, als deze meer dan 1% van de getransporteerde CO2bedragen. De transportafstand meet u vanaf het eerste punt van inzameling tot de aflevering aan de procesinstallatie. U bepaalt de emissiefactor van het transportmiddel door middel van de bronnenhiërarchie in appendix A1.

Dit hoofdstuk betreft specifiek energiestromen die geen brandstof zijn. De NIKI CO2-emissiereductiemethode beschouwt brandstoffen als grondstof, waarvan de winning- en productie-emissies onder de levenscyclusfase inputs vallen en de verbrandingsemissies onder de levenscyclusfase verbranding. Overige energievormen worden hieronder beschreven.

Als emissiefactor voor elektriciteit dient u standaard 0,14 kg CO2/kWh te hanteren9Om recht te doen aan de huidige en verwachte ontwikkeling van de Nederlandse elektriciteitsmarkt, is gekozen voor een emissiefactor (EF) van 0,14 kg CO2 per kWh. Deze waarde biedt een evenwichtige benadering die rekening houdt met de voortschrijdende verduurzaming van de elektriciteitsvoorziening, terwijl tegelijkertijd een realistisch en consistent uitgangspunt wordt gehanteerd voor de berekening van emissiereducties binnen de NIKI-regeling..

Voor warmte- en koudestromen moet u bepalen of deze rigide of elastisch zijn. Voor rigide thermische stromen, zoals restwarmte, volgt u de regels voor rigide inputs (zie 5.1.1).

De emissies als gevolg van warmte- of koudeverbruik zijn afhankelijk van het lokale systeem en de hoeveelheid afgenomen energie. Om de emissies van deze energie-input te berekenen, stelt u de wijze van warmte- of koude-opwekking vast.

Voor ingezette brandstoffen gebruikt u vervolgens de bronnenhiërarchie in appendix A1 voor de bepaling van de juiste emissiefactor. Bij warmtelevering door derden gebruikt u de EU ETS warmtebenchmark10https://climate.ec.europa.eu/system/files/2021-10/policy_ets_allowances_bm_curve_factsheets_en.pdf Table ‘Key parameters for Heat benchmark sub-installation’. als emissiefactor.

Voor de keuze van emissiefactoren volgt u altijd de bronnenhiërarchie in appendix A1 en gaat u uit van de BAT of onderbouwt u waar het NIKI-proces de BAT verbetert. Als het NIKI-project duurzamere inputs gebruikt dan de gangbare fysiek-identieke input op de markt en u hierom een lagere emissiefactor wilt toepassen, dan moet u aantonen dat de inkoop van de duurzamere input verbonden is aan het NIKI-project; dat de duurzamere input aansluit bij een of meerdere NIKI-thema’s, dat het een elastisch input betreft; en dat de productie van deze inputs binnen de EU plaatsvindt. Als bewijsvoering voegt u een conceptcontract of ondertekende intentieverklaring aan de aanvraag toe. Bij aanvang van productie in het NIKI-project moet u een getekend leveringscontract kunnen overhandigen. Uit de documentatie moet blijken dat de levering voor minstens 5 jaar is voorzien (de helft van de exploitatiefase van het NIKI-project). CCS als onderdeel van het referentieproces is ook in dit geval uitgesloten (zie paragraaf 2.3). Voor elektriciteit gelden altijd de regels zoals beschreven in alinea 5.1.3.1.

De levenscyclusfase ‘proces’ bevat alle emissies ten gevolge van het vervaardigingsproces en de ondersteunende processen. Het proces omvat de emissies ontstaan door verbranding van grondstoffen, chemische of biologische processen binnen de procesgrens, verliezen in het proces, restfracties en verwerking van afval uit het proces.

Overige emissies van CO2-broeikasgassen uit het proces ten gevolge van onderhoud, storingen, fakkelen en afblazen vallen ook binnen de levenscyclusfase proces. U gebruikt hiervoor actuele data, uit bijvoorbeeld rapportages voor milieuvergunningen. Indien het onbekend is hoeveel en welke overige emissies worden uitgestoten tijdens onderhoud, storingen en afblazen, wordt er 2% van de totale emissies van de proces levensfase opgeteld bij de emissies van de levenscyclusfase proces.

Biogene CO2-emissies van processen hebben een emissiefactor van 0, mits voldaan is aan de voorwaarden voor biogene inputs.

De verbrandingsemissies van brandstoffen die worden verbrand in het proces worden meegerekend in de levenscyclusfase proces. De verbrandingsemissies van veelvoorkomende brandstoffen zijn opgegeven in appendix A1, onder brandstoffen. Daarnaast moet u de niet-CO2-broeikas?xpp afbm?>gasemissies meenemen die onder de verwachte verbrandingsomstandigheden ontstaan (zie Bijlage 4.13.1 van de NIKI).

De CO2 die ontstaat bij verbranding van biogene grond- of brandstoffen in het proces heeft een emissiefactor van 0, mits voldaan wordt aan de voorwaarden voor biogene grondstoffen beschreven onder 6.1.2.1. Overige broeikasgassen die ontstaan bij de verbranding van biogene grondstoffen tellen wel mee in de berekening.

CO2 kan binnen een NIKI-project geïmporteerd worden om vervolgens te gebruiken in een product (CCU, zie alinea 5.1.2.3). In dat geval wordt het beschouwd als input. Bij import neemt u de procesemissies op in de berekening en verlaat de CO2 het proces als bestanddeel van het product.

CO2-afvang en hergebruik kan ook onderdeel van het proces zijn. Het NIKI-project produceert CO2 binnen het NIKI-proces. Door CO2 af te vangen uit het NIKI-proces en te gebruiken in een product wordt de uitstoot daarvan vermeden. Deze vermeden uitstoot komt tot uiting doordat de koolstof het proces verlaat als bestanddeel van het product. De vermeden uitstoot hoeft dus niet elders apart te worden opgevoerd.

Indien u CO2 produceert met DAC en vervolgens in het NIKI-proces toepast (CCU) gelden dezelfde regels als hierboven beschreven voor CCU. De procesemissies zijn onderdeel van het NIKI-proces en de koolstof verlaat het proces als bestanddeel van het product.

In de NIKI-regeling geldt dat technieken die onder een categorie van de ‘Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie’ zijn opgenomen (SDE++) alleen in aanmerking komen voor NIKI, als de investeringskosten daarvoor minder dan 10% van de totale investeringskosten bedragen. Dit betreft ook CCS. U kunt SDE++ en NIKI nooit combineren voor dezelfde activiteiten.

Als u CCS binnen de NIKI toepast, omdat het minder dan 10% van de investeringskosten bedraagt, mag u de afgevangen CO2 in de levenscyclusfase einde levensduur als langdurig vastgelegd beschouwen (zie rekenregels alinea 5.4.4). In dat geval wijkt u af op paragraaf 5.5. Indien de BAT van de referentie CCS bevat, neemt u dit nu WEL mee bij de referentie, dit doet u immers ook bij het NIKI-proces.

Tijdens het productieproces ontstaan er verschillende uitgaande stromen: de geproduceerde producten, directe procesemissies, de restfractie en afvalstromen.

Directe procesemissies van broeikasgassen neemt u in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie op met het desbetreffende CO2 equivalent, overeenkomstig met bijlage 4.13.1 bij de NIKI-regeling. Bij toepassingen van brandstoffen vult u de Tank-To-Wheel (TTW) emissies in (zie ook Appendix A1).

De restfractie zijn producten met economische waarde, die u niet als NIKI-product hebt aangewezen. Voor de restfractie geldt dat de CO2-emissies berekend worden als de emissies die vrijkomen bij volledige verbranding daarvan met energieterugwinning.

Van afvalstromen uit het proces, stromen zonder economische waarde niet zijnde emissies naar de atmosfeer, worden de CO2-emissies berekend op basis van volledige verbranding van deze stromen met energieterugwinning. Dit wordt berekend op basis van de koolstofinhoud van de afvalstroom. Zie rekenregels einde levensduur voor de berekeningsmethode bij volledige verbranding met energieterugwinning (alinea 5.4.4).

In de BREF’s van meerdere productieprocessen is waterzuivering als een processtap opgenomen, waarbij de afvalwatersamenstelling is weergegeven in COD/CZV-eenheden. U mag de emissie van waterzuivering buiten beschouwing laten, tenzij waterzuivering een (hoofd)component is van het NIKI-project.

Sommige projecten produceren een of meerdere producten bedoeld voor verbranding. Bijvoorbeeld projecten voor de productie van nieuwe transportbrandstoffen, brandstofadditieven, vaste brandstoffen en aardgassubstituten. In die situatie vallen de emissies uit de verbranding van deze producten binnen de levenscyclusfase ‘verbranding’ (product). Voor transportbrandstoffen gebruikt u de bronnenhiërarchie in appendix A1 voor de berekening van de verbrandingsemissies van het referentieproduct.

Verbranding van biogene brandstoffen neemt u mee in de MEB en de emissieberekening met emissiefactor 0. Emissies van overige broeikasgassen ten gevolge van verbranding (ook van biogene brandstoffen) rekent u mee als CO2-equivalenten, aan de hand van de default waarden in RED II in tabel C. ‘Gedeaggregeerde standaardwaarden voor biomassabrandstoffen’ van Annex VI van de RED II Richtlijn.

Voorbeeld: Een NIKI-project produceert mierenzuur uit waterstof en CO2 van deels biogene oorsprong (70%) ter vervanging van diesel. Tijdens het gebruik van mierenzuur als transportbrandstof komt er CO2 vrij. Dit wordt behandeld als verbranding van het product. Er komt 0,96 ton CO2 vrij per ton bij volledige verbranding van het mierenzuur. Aangezien 70% van de koolstof in het product van biogene oorsprong is, is de effectieve emissiefactor door verbranding van het NIKI-product 0,96 *30% = 0,29 ton CO2 per ton mierenzuur.

Wanneer het product koolstof bevat moet u rekening houden met de verwachte emissies bij het einde van de levensduur van het product. Dit geldt voor zowel het NIKI-product als het referentieproduct. De NIKI maakt onderscheid tussen vier scenario’s voor de berekening van de CO2-emissies aan het eind van de levensduur:

  • •

    verbranding met energieterugwinning van het product,

  • •

    decompositie van het product,

  • •

    grondstofterugwinning of recycling van het product,

  • •

    langdurig gebruik van het product (>50 jaar),

De rekenregels voor verschillende scenario’s zijn beschreven in 5.4.4. Er zijn aparte rekenregels voor biogene koolstof, deze staan toegelicht in paragraaf 5.4.3. Indien de toepassing en einde levensduur van uw product u onbekend is, gaat u uit van verbranding met energieterugwinning, waarbij de koolstofinhoud van het product leidend is. Het is niet toegestaan om te rekenen met verbranding zonder energieterugwinning. Indien u kunt aantonen dat de levensduur van uw product eindigt in compostering of decompositie, kiest u decompositie. Indien uw product meerdere toepassingen en afdankingsscenario’s kent, maar u de specifieke toepassing niet kent, gaat u uit van het meest voorkomende scenario en onderbouwt u uw keuzes. Zie hiervoor het uitgewerkte voorbeeld.

Voorbeeld: Een producent van PET mist het zicht op directe toepassingen van PET maar uit verschillende geraadpleegde bronnen blijkt dat de belangrijkste producten van PET zijn: flessen (42%), trays (12%), overige verpakkingen (6%) en textiel (40%). Hiervan worden alleen flessen significant gerecycled (42%). Netto wordt daarmee 18% van het PET gerecycled, de rest wordt verbrand met energieterugwinning.

Voor referentieprocessen kunt u eveneens de meest voorkomende toepassing onderbouwen, of uitgaan van verbranding met energieterugwinning.

Als de levenscyclusfase einde levensduur van een NIKI-product en het betreffende referentieproduct hetzelfde zijn, mag u de einde levensduur emissies voor dit product buiten beschouwing laten. In dat geval onderbouwt u in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie waarom de levenscyclusfases hetzelfde zijn. Dit is altijd het geval als het NIKI-product en referentieproduct fysiek identiek zijn.

Als het NIKI-product fysiek identiek is aan het referentieproduct, dan is het uitgangspunt dat hetzelfde recyclingpercentage geldt voor het NIKI-product en het referentieproduct. In dat geval mag u de emissies bij einde levensduur buiten beschouwing houden.

Als het NIKI-product niet fysiek identiek is aan het referentieproduct, dan moet u het (nieuwe) recyclingpercentage onderbouwen op basis van publieke recyclingstatistieken of wetenschappelijke onderzoeksresultaten (publicaties in peer-reviewed journals of rapporten van publieke instanties, bijvoorbeeld het EC Joint Research Centre) en aannemelijk maken dat er verwerkingscapaciteit/structuur voor dit product in de markt beschikbaar is.

De emissiefactor voor einde levensduur voor gerecyclede fracties is 0. Als minimaal 90% van het geproduceerde materiaal wordt gerecycled, is de emissiefactor voor einde levensduur voor het gehele product 0.

Wanneer er een combinatie is van recycling (< 90%),decompositie, of verbranding met energieterugwinning dan is er sprake van een emissie voor de einde levensduur levensfase. De emissiefactor baseert u op de koolstoffractie in het product dat niet wordt gerecycled.

Voorbeeld: Een project produceert recyclebare plastic flessen, die conventionele niet-recyclebare plastic flessen vervangen. De producten zijn dus niet fysiek identiek. De aanvrager levert bewijs dat het typische recyclingpercentage van het geproduceerde materiaal in zijn regio 85% is. 15% zal worden verbrand. De einde levensduur emissiefactor van de gerecyclede fractie is 0. Voor de verbrande fractie van 15% is de einde levensduur emissiefactor de factor voor verbranding met energieterugwinning.

Het vermijden van primair materiaalgebruik door recycling geeft geen additionele emissiereductie in de rekenmethodiek.

Een product met een levensduur van meer dan 50 jaar legt de koolstof in het product vast en vermijdt CO2-emissies. In dat geval mag u de einde levensduur emissies berekenen met de gehalveerde11De halvering van de einde levensduur emissies is overeenkomstig met de eisen van Richtlijn 2009/31/EG die beschrijft dat kan worden verwacht dat producten in sommige gevallen een verkorte nuttige levensduur zullen hebben. waarde van de emissiefactor voor verbranding.

Het is uw verantwoordelijkheid om aan te tonen dat het redelijk is om aan te nemen dat de koolstof ten minste 50 jaar in vastgelegd blijft. U moet consequent zijn in uw beweringen van langdurig gebruik van zowel het NIKI-product als van het referentieproduct. Als het NIKI-product en het referentieproduct fysiek identiek zijn, wordt verondersteld dat het koolstofgebruik op lange termijn identiek zal zijn. In dit geval vallen beide emissies tegen elkaar weg en mag u de emissies bij einde levensduur buiten beschouwing laten.

Een product van biogene oorsprong heeft een emissiefactor voor CO2-emissies bij einde levensduur van 0 als de koolstof volledig wordt omgezet in CO2. Echter u moet u wel een correctiefactor toepassen voor ‘niet-CO2’ emissies die bij verbranding van biogene stoffen ontstaan, zoals is aangegeven in RED II, bijlage V in tabel C ‘Gedesaggregeerde standaardwaarden voor biomassabrandstoffen’ op pagina 114 voor vloeibare en vaste stoffen en pagina 121 voor biomethaan.

Als producten niet alleen biogene koolstof bevatten, maar ook fossiele koolstof of koolstof uit een CCU-proces, bepaalt u de CO2-emissie naar rato van het percentage niet-biogene koolstof, blijkend uit de koolstofbalans.

Bij het langdurig vastleggen van biogene koolstof rekent u met een negatieve CO2-emissie: ?xpp afbreek?>–50% van de volledige verbrandingsemissies van het biogene deel. Ook voor een (gedeeltelijk) gerecycled product van biogene oorsprong rekent u voor het biogene en gerecyclede deel een emissiefactor van –50% van de emissies bij volledige verbranding van het biogene deel. In een gerecyclede productstroom wordt een gedeelte van de koolstof langdurig vastgelegd, waardoor (biogene) koolstof uit de atmosfeer wordt opgeslagen.

Voorbeeld: Een NIKI-project produceert flessen van 100% biogene PET ter vervanging van conventionele fossiele PET-flessen. Beide typen flessen zijn recyclebaar en de aanvrager toont aan dat het recyclingpercentage in de desbetreffende regio meer dan 90% bedraagt. Het referentieproduct krijgt een emissiefactor van 0 toegekend vanwege volledige recycling van fossiele koolstof. Het NIKI-product krijgt een negatieve emissiefactor toegekend gelijk aan 50% van de volledige verbrandingsemissies voor de biogene koolstof in het PET vanwege volledige recycling van biogene koolstof.

De onderstaande rekenregels voor de emissies ‘Einde levensduur’ past u toe voor eindproducten:

Casus einde levensduur

Berekening van CO2 emissies in kg per kg product

Fossiele koolstof, verbranding met energieterugwinning

Emissie/kg = %Cfossiel x 44 / 12 – rm x 0,2415; bij volledige omzetting in CO2

Biogene koolstof, verbranding met energieterugwinning

Emissie/kg = – rm x 0,2415; bij volledige omzetting in CO2

Fossiele koolstof, decompositie

Emissie/kg = %Cfossiel x 44 / 12; bij volledige omzetting in CO2

Biogene koolstof, decompositie

Emissie/kg = 0; bij volledige omzetting in CO2

Fossiele koolstof met gedeeltelijke recycling

Emissie/kg = (1– %Rrecycling)* (%Cfossiel x 44 / 12 – rm x 0,2415); bij volledige omzetting in CO2 en wanneer %Rrecycling <=90%

Fossiele koolstof met recycling

Emissie/kg = 0; wanneer %Rrecycling > 90%

Biogene koolstof met recycling

Emissie/kg = –0.5 x %Cbiologisch x 44 / 12; wanneer %Rrecycling > 90%

Fossiele koolstof bij langdurig vastleggen

Emissie/kg = 0.5 x %Cfossiel x 44 / 12; bij langdurig vastleggen.

Biogene koolstof bij langdurig vastleggen

Emissie/kg = –0.5 x % Cbiologisch x 44 / 12; bij langdurig vastleggen

Niet-CO2 emissies

Zie (relatieve) emissiefactoren in appendix 3.

Waarbij de volgende definities gelden:

  • •

    %Cfossiel: Het massapercentage koolstof van fossiele oorsprong dat in het product aanwezig is.

  • •

    %Cbiologisch: Het massapercentage koolstof van biogene oorsprong dat in het product aanwezig is.

  • •

    44/12: De hoeveelheid CO2 (in kg) die geproduceerd wordt per kg koolstof in het product.

  • •

    rm: De onderste verbrandingswaarde in MJ/kg.

  • •

    0,2415: De vermeden emissies door energieterugwinning, uitgaande van een elektrisch rendement van 20% op onderwaarde, een emissiefactor voor elektriciteit van 0,14 kg CO2/kWh, een thermisch rendement van 23% op onderwaarde en een emissiefactor voor warmte van 0,17 kg CO2/kWh.

  • •

    %Rrecycling: Het massapercentage van het product dat wordt gerecycled.

Bij de inzet van een NIKI-product, binnen de eigen productielocatie, als input voor een andere productieproces, gaat u uit van de koolstofinhoud in het product. Rekenregels voor biogene koolstof zijn dan wel van toepassing maar omdat er voor dit product geen gebruiksfase is, zijn de rekenregels voor recycling uiteraard niet van toepassing.

Bepaalde emissies zijn uitgesloten van de berekening vanwege een wettelijke kader of omdat deze emissies niet significant zijn voor de totale berekening. De volgende emissies zijn standaard uitgesloten:

  • •

    Emissies van kapitaalgoederen (productiemiddelen, gebouwen, infrastructuur voor het product) tijdens bouwen en afbreken;

  • •

    Biogene CO2-emissies van verbranding, oxidatie, afbraak, of andere processen, mits voldaan aan RED II duurzaamheidseisen. Andere broeikasgassen zijn niet uitgezonderd;

  • •

    Emissies afgevangen en opgeslagen door CCS-installatie;

  • •

    Emissies door landgebruik (LU), verandering van het landgebruik (LUC) of indirecte verandering van het landgebruik (iLUC);

  • •

    Emissies van woon-werkverkeer, zakenreizen en afvalproductie van buiten het proces;

  • •

    Emissies van waterzuivering, tenzij het zuiveringsproces een kernonderdeel van het NIKI-project is.

Let op: Goederen die in de looptijd van het NIKI-project verbruikt worden en niet meer inzetbaar zijn aan het einde van de projectlooptijd worden als grondstoffen beschouwd. Bijvoorbeeld verbruikte katalysatoren uit het productieproces.

Voor de beoordeling van een NIKI-project is de absolute reductie in CO2-emissies over de levenscyclus nodig. Deze wordt in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie als volgt berekend.

De absolute CO2-emissiereductievan de levenscyclus emissies van het NIKI-project volgt uit het verschil tussen de emissies van het NIKI-product en het (gecorrigeerde) referentieproduct, vermenigvuldigd met het genormaliseerde productieniveau over de exploitatiefase:

Waarbij:

= CO2-emissie van het NIKI-project over het totaal van het NIKI-project, en

= som van CO2-emissie van de referentie

en

Waar P het relevante referentie proces is.

?xpp witregel?>
  • •

    Vollasturen zijn de hoeveelheid uren die de installatie verwacht te draaien gedurende het NIKI-project

  • •

    CO2-emissies die vrijkomen bij de winning en productie van grondstoffen en energie voor het proces.

  • •

    CO2-emissies uit het proces of de verwerking van rest- en afvalstoffen uit het proces

  • •

    CO2-emissies die vrijkomen bij de volledige verbranding van de geproduceerde brandstof.

  • •

    CO2-emissies die vrijkomen of vermeden zijn door verwerking van het product aan einde levensduur waarbij de aard van het product (bijvoorbeeld: biogeen of fossiel) de bepalende factor is12Op basis van LAP3 afvalverwerking en rekenregels..

Waar thx de massa of energie hoeveelheid is van de desbetreffende massa of energiestroom x, per uur, en EFx de desbetreffende emissiefactor.

Transport en gebruik van NIKI-producten zijn geen onderdeel van de systeemgrens in de NIKI CO2-emissiereductiemethode. Veranderingen in emissies in deze levenscyclusfases zijn daarom geen onderdeel van de emissiereductieberekening. Om ongewenste effecten voor de maatschappij te voorkomen, moet u in deze stap echter nog wel controleren of er negatieve neveneffecten in deze fases optreden. Dit is het geval wanneer er additionele emissies ontstaan tijdens transport en gebruik van de NIKI-producten door het vervangen van conventionele producten door NIKI-producten. Deze additionele emissies mogen de totale emissiereductie van het NIKI-project, die in stap 6 is berekend, niet overschrijden. De aanvraag wordt afgewezen als dit toch het geval is.

Er treden geen negatieve neveneffecten op als het NIKI-product fysiek identiek is aan het referentieproduct en het referentieproduct in de markt een-op-een zal vervangen. In dit geval hoeft u voor dit product geen verdere onderbouwing te geven.

Negatieve neveneffecten kunnen bijvoorbeeld ontstaan als een NIKI-product fysiek niet identiek is aan het referentieproduct.

Voorbeeld: Een aanvrager van een NIKI-project produceert een biologisch alternatief voor PIR (Polyisocyanuraat) als gebouwisolatie. Van dit product is 30% meer volume nodig om dezelfde isolatiewaarde te behalen als met PIR. Hierdoor moet de isolatielaag (spouw) breder worden en is er meer isolatiemateriaal nodig en zijn meer bakstenen nodig. De aanvrager dient de extra emissies te berekenen door de productie en het transport van extra bakstenen en de extra transportemissies door additionele ruimte die het NIKI-product inneemt.

Afwijkingen in de benodigde hoeveelheid NIKI-product worden verrekend door toepassing van de correctiefactor, zoals beschreven in Stap 2: referentie bepalen. Emissies tijdens transport en gebruik zijn hier echter geen onderdeel van en moeten daarom in deze stap beoordeeld worden. Dit doet u als volgt:

  • 1.

    Onderzoek of er veranderingen zijn in emissies tijdens de levenscyclusfases transport en gebruik als gevolg van de toepassing van het NIKI-product ter vervanging van het referentieproduct.

  • 2.

    Als dit niet het geval is: onderbouw in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie onder stap 7 dat er geen neveneffecten optreden.

  • 3.

    Als er wel een verandering in emissies optreedt: beschrijf of dit positieve (minder emissies in vergelijking met de referentie) of negatieve (meer emissies in vergelijking met de referentie) neveneffecten betreft. Positieve neveneffecten benoemt u, maar hoeft u niet verder te onderbouwen of kwantificeren.

  • 4.

    Als er negatieve neveneffecten optreden, maakt u een berekening bij benadering, waaruit blijkt of deze vermeerdering van emissies de totale emissiereductie door het NIKI-project wel of niet overschrijdt. Als deze berekening erop duidt dat de negatieve neveneffecten 50% of meer van de totale emissiereductie door het NIKI-project bedragen, dient u een gedetailleerde berekening te maken om aannemelijk te maken dat de negatieve neveneffecten de totale emissiereductie niet overschrijden.

De hiërarchie van emissiefactoren uitgesplitst omdat per levenscyclusfase bepaalde CO2-emissies wel of niet in scope zijn voor de desbetreffende fase:.

  • •

    Voor de levenscyclusfase ‘inputs’ is een hiërarchie van bronnen voor emissiefactoren opgesteld die de ketenemissies van winning tot en met productie van de input weergeven. Hierbij gaat het om de ‘Well-to-Tank’ emissies aangegeven in de bronnen.

  • •

    Aanvullend is er een hiërarchie opgesteld voor transport. Het gaat hier om de zogenaamde ‘Well-to-Wheel’ emissies.

  • •

    Voor de levenscyclusfasen ‘proces’ en ‘verbranding van product’ is er een hiërarchie voor verbrandingsemissies van brandstoffen opgenomen. Hierbij zijn bronnen van ‘Tank-to-Wheel’ emissiefactoren gerangschikt naar kwaliteit.

Voor alle bronnen dient de meest recent gepubliceerde versie gebruikt te worden.

  • 1.

    Rijkswaterstaat CO2emissiefactoren.nl

    Voor brandstoffen en energie als inputs (Well-to-Tank, WTT) https://CO2emissiefactoren.nl/factoren/2024/10/brandstoffen-energieopwekking/

    Voor een aantal producten is volgens de NIKI CO2-emissiereductiemethode een emissiefactor berekend. Als u een van deze producten als input hanteert gebruikt u de desbetreffende WTT-emissiefactor. De lijst is vanaf de datum van publicatie van de NIKI-regeling te vinden op de website van RVO.

  • 2.

    JEC Well-To-Wheels report v5 well-to-tank

    (WTT) productie emissiefactoren voor diverse grondstoffen in biobrandstoffen productieketen: https://publications.jrc.ec.europa.eu/repository/handle/JRC121213

  • 3.

    JRC Definition of input data to assess GHG default emissions from biofuels in EU legislation – version 1d

    (WTT) productie emissiefactoren voor diverse grondstoffen in biobrandstoffen productieketen: https://publications.jrc.ec.europa.eu/repository/handle/JRC115952

  • 4.

    Publieke of commerciële emissiefactor databases, zoals:

    • ○

      Ecoinvent database ‘cut-off system model’ – (toegankelijk via SimaPro, GaBi en andere applicaties)

    • ○

      GEMIS-database

    • ○

      Voor industriële grondstoffen: https://www.probas.umweltbundesamt.de/en/datenbank/#/

    • ○

      E3-database, etc.

  • 5.

    Peer-reviewed publicaties inclusief onderbouwing waarom de publicatie toepasbaar is

  • 6.

    Uitvoerig gedocumenteerde eigen berekeningen en schattingen

  • 7.

    ‘Grijze literatuur’: niet getoetste bronnen zoals commerciële literatuur en websites

  • 1.

    STREAM Goederenvervoer (meest recente) https://ce.nl/publicaties/stream-goederenvervoer-2020/ (Hfd 3 – WTW)

  • 2.

    JRC v5 WTW:https://publications.jrc.ec.europa.eu/repository/handle/JRC121213 (WTW)

  • 3.

    Commerciële emissiefactor databases, zoals; Ecoinvent database ‘cut-off system model’ – (toegankelijk via SimaPro, GaBi en andere applicaties), E3-database, etc.

  • 4.

    Peer-reviewed publicaties inclusief onderbouwing van waarom de publicatie toepasbaar is, en calculaties van de LCA en GHG emissies betreft de productie-voorketen van de input.

  • 5.

    Uitvoerig gedocumenteerde eigen berekeningen en schattingen

  • 1.

    Rijkswaterstaat CO2emissiefactoren.nl

    Voor verbrandingsemissies van brandstoffen en energie (Tank-to-Wheel, TTW) ?xpp afbreek?>https://CO2emissiefactoren.nl/factoren/2024/10/brandstoffen-energieopwekking/

  • 2.

    RVO energiedragerlijst (meeste recente jaar)

    https://www.rvo.nl/sites/default/files/2022-05/Nederlandse%20energiedragerlijst%20?xpp afbreek?>versie%20januari_2022_definitief.pdf

  • 3.

    Peer-reviewed publicaties inclusief onderbouwing van waarom de publicatie toepasbaar is, en calculaties van de LCA en GHG emissies betreft de productie-voorketen van de input

  • 4.

    Uitvoerig gedocumenteerde eigen berekeningen en schattingen

Bij de beoordeling van uw aanvraag wordt er gekeken naar de bronnen voor de emissiefactor die u gebruikt. Als u te veel terugvalt op laag gerangschikte bronnen zonder aanvullende onderbouwing hiervoor, kan dit een grond zijn om de aanvraag af te wijzen.

IBijlage 4.13.3 komt als volgt te luiden:Inhoudsopgave

1.

Inleiding

1.1

Introductie rekenmethode voor subsidieberekening NIKI

1.2

Leeswijzer en inhoudsopgave

1.3

Begrippenlijst

2.

Rekenmethodiek subsidie NIKI

2.1

Rekenmodel op basis van kasstromen

2.2

Berekening

2.3

Stappenplan berekening

Stap 1 – De totale economische levensduur

Stap 2 – Bepaal de investeringskosten (CAPEX)

Stap 3 – Bepaal de omzet

Stap 4 – Bepaal de exploitatiekosten (OPEX)

Stap 5 – Verminder de exploitatiekosten (OPEX) met eventuele operationele voordelen

Stap 6 – Verdisconteer de OPEX en de omzet

Stap 7 – Europese Subsidie

3.

Toepassing rekenmethode gedurende NIKI-project

3.1

Algemeen

3.2

De investeringsfase

3.3

De exploitatiefase

3.4

Vaststelling

Dit document beschrijft de NIKI rekenmethode en dient als instructie om de methode correct toe te passen. Naast dit document zal voor het voorbereiden van NIKI-aanvragen een ‘NIKI rekenmodel subsidie’ gepubliceerd worden, dat zorgt voor een uniforme wijze van indienen. Dit rekenmodel zal tegelijk met de publicatie van de regeling in de Staatscourant worden gepubliceerd op de site van RVO. U dient het ingevulde rekenmodel bij uw aanvraag in. Deze rekenmethode voor de subsidieberekening van de NIKI beschrijft de stappen die gevolgd moeten worden door de aanvrager voor het berekenen van de subsidie. De aanvrager moet de rekenmethode toepassen in verschillende fasen van het NIKI-project, zoals weergegeven in onderstaande tabel.13In alle gevallen waarin de inhoud van deze handleiding afwijkt van de officiële regelingstekst en de bijbehorende toelichting, hebben de regelingstekst en toelichting voorrang.

Wanneer?

Hoe?

Wat en waarom?

Aanvraag

Op basis van verwachte kosten en opbrengsten tot en met einde economische levensduur.

Ondersteuning middels rapportage van de accountant.

De aanvrager dient onder andere in:

• subsidievraag in euro’s;

• projectbegroting met berekening van de totale subsidiabele kosten, voorzien van mijlpalen met begroting voor de investeringsfase;

• bod (geboden subsidie-intensiteit) in euro’s per ton vermeden CO2-eq; en

• CO2 berekening met NIKI emissiereductie methode.

Subsidietoekenning

De beschikking bevat onder andere:

• toegekende subsidie in euro’s;

• goedgekeurde projectbegroting;

• uitgebrachte bod in subsidie per ton vermeden CO2-eq;

• gehanteerde WACC;

• gehanteerde productievolume;

• ton vermeden CO2-eq per ton NIKI product(en);

• verplichting ten aanzien van de controleverklaring over het gerealiseerde productievolume

Einde investeringsfase

Op basis van de werkelijke investeringskosten en geactualiseerde inschattingen van de exploitatiekosten en opbrengsten voor de periode tot en met einde van de economische levensduur.

Eerste berekening van het jaarlijkse voorschot voor de exploitatie fase, en van mogelijke claw-back.

Aan het einde van ieder jaar van de exploitatiefase

Op basis van de werkelijke investeringskosten, de werkelijke exploitatiekosten, opbrengsten en productievolume voor de achterliggende projectjaren, plus geactualiseerde inschattingen voor de resterende periode tot en met einde van de economische levensduur.

Ondersteuning na het 5e jaar van de exploitatie fase middels rapport van feitelijke bevindingen van de accountant.

Deze herberekeningen dienen om overstimulering te voorkomen en terugvordering van te veel verstrekte voorschot te vermijden. In de berekening daarvan wordt daarom rekening gehouden met een mogelijke claw-back.

Essentiële wijziging of vertraging in de projectuitvoering

Op basis van de werkelijke investeringskosten, de werkelijke exploitatiekosten, opbrengsten en productievolume voor de achterliggende projectjaren, plus geactualiseerde inschattingen voor de resterende periode tot en met einde van de economische levensduur.

Zonodig tevens een herberekening van de geraamde CO2 emissiereductie.

Essentiële wijzigingen of vertragingen in het project kunnen leiden tot een herbeoordeling van het project, aanpassing van de jaarlijkse voorschotten en/of terugvordering van reeds betaalde voorschotten.

Subsidievaststelling (10 jaar na start van exploitatiefase)

Op basis van de werkelijke investeringskosten, de werkelijke exploitatiekosten, opbrengsten en productievolume voor de achterliggende projectjaren.

Ondersteuning middels controleverklaring van de accountant.

Vaststellen van de subsidie en indien van toepassing, hanteren van claw-back.

De NIKI is een tenderregeling. Aanvragen die positief op hun haalbaarheid worden beoordeeld, worden gerangschikt. Deze rangschikking is uitsluitend op basis van het uitgebrachte bod in euro’s per ton vermeden CO2. Deze werkwijze is een inhoudelijke invulling van de voorwaarde in de CEEAG, dat bij tenders het rangschikkingscriterium een directe relatie moet hebben tot het na te streven beleidsdoel van de steunmaatregel (voor de NIKI: aanzienlijke CO2-emissiereductie).

De rekenmethode wordt bij aanvraag uitsluitend beoordeeld op de financiële haalbaarheid. Het is van belang te benadrukken dat voor aanvragen die worden gerangschikt, het bod in euro’s per ton vermeden CO2 niet alleen leidend is in de rangschikking, maar ook dat het bod en onderliggende berekening zelf niet wordt beoordeeld en daarom ook niet kan worden gewijzigd. De aanvrager dient daarbij uit te gaan van hetzelfde productievolume en verwachte CO2-emissiereductie als in de berekeningen met de NIKI CO2 reductiemethode. De gevraagde subsidie dient echter te worden berekend door het bod met de verwachte CO2-emissiereductie te vermenigvuldigen. Een te groot verschil tussen de benodigde subsidie en de gevraagde subsidie kan gezien worden als een financieel te risicovolle situatie, met name als onduidelijk is hoe het verschil tussen het bod en de benodigde subsidie opgebracht gaat worden. De aanvraag wordt dan afgewezen op onvoldoende onderbouwing van de (financiële) haalbaarheid.

De subsidie die projecten ontvangen is gebaseerd op een combinatie van investeringskosten (CAPEX) en exploitatiekosten (OPEX). De rekenmethode begint met het vaststellen van de netto contante waarde (NCW) van de kasstromen, waarbij alle toekomstige inkomsten en uitgaven naar het heden worden verdisconteerd.

In de uitbetaling van de voorschotbedragen kunnen de investeringsfase en de exploitatiefase onderscheiden worden. In de toelichting op de NIKI zijn beide fasen nader uiteengezet. In het bijzonder voor de exploitatiefase geldt dat de voorschotten gedurende een NIKI-project een aantal keer worden bijgesteld aan de hand van de herberekening van de benodigde subsidie. Deze herberekeningen dienen om overstimulering te voorkomen en terugvordering van te veel verstrekte voorschotten zo veel mogelijk te vermijden. Benadrukt wordt dat het hierbij alleen gaat om herberekening van het voorschot en niet om tussentijdse bijstelling van de subsidie. Deze zal pas 10 jaar na de start van de exploitatiefase van het project (einde NIKI-project) definitief worden vastgesteld. Het subsidiebedrag bij vaststelling is maximaal het in de aanvraagfase toegekende subsidiebedrag. Er kan derhalve geen verhoging plaatsvinden.

In hoofdstuk 2 wordt gedetailleerd ingegaan op de rekenmethode en de stappen die nodig zijn om deze toe te passen. Hoofdstuk 3 beschrijft in welke fasen van het NIKI-project de onderneming (de aanvrager en tevens ontvanger van de NIKI subsidie) de rekenmethode dient te gebruiken, en hoe dat bijdraagt aan verantwoording en verslaglegging van de bereikte resultaten van het NIKI-project.

Begrip

Toelichting

Benodigde subsidie

Het bedrag dat, op basis van alle data voor de kosten en opbrengsten, de investering in de NIKI-installatie een rendement oplevert dat gelijk is aan de WACC.

Claw-back

Het mechanisme ter voorkoming van oversubsidiëring, waarbij een vermindering van de toegekende subsidie wordt verdeeld tussen de subsidieontvanger en de subsidieverstrekker.

Economische levensduur

De economische levensduur van een activa verwijst naar de periode waarin het actief naar verwachting economisch waarde genereert, voordat het niet langer kosteneffectief is om het te gebruiken.

Gevraagde subsidie

Het bedrag dat de ondernemer berekent door het bod te vermenigvuldigen met de vermeden CO2-emissie.

Investeringsfase

De investeringsfase van een NIKI-project omvat de investeringsactiviteiten. De investeringsfase begint wanneer de eerste bindende verplichting wordt aangegaan die een investering onomkeerbaar maakt en loopt tot aan de start van de exploitatiefase en duurt maximaal 4 jaar.

Investeringskosten (CAPEX)

Alle primaire uitgavenposten die samen de totale investeringskosten vormen, noodzakelijk voor de voltooiing van de investeringsfase en start van de exploitatiefase van het NIKI-project, gemaakt gedurende de investeringsfase.

Levelized Cost of Production (LCOP)

Alle uitgaven die betrokken zijn bij het produceren van een product, inclusief operationele en onderhoudskosten, brandstofkosten (indien van toepassing) en eventuele andere relevante kosten. Deze kosten worden vervolgens gedeeld door de totale hoeveelheid product die gedurende de economische levensduur van het project wordt geproduceerd.

Netto Contante Waarde (NCW)

Alle toekomstige inkomsten en uitgaven die naar het heden zijn verdisconteerd.

Exploitatiefase

De exploitatiefase van een NIKI-project omvat de exploitatieactiviteiten. De exploitatiefase van een NIKI-project begint op het moment dat de NIKI-installatie operationeel wordt en duurt in beginsel 10 jaar. De exploitatiefase van de NIKI installatie duurt langer, namelijk tot en met het einde van de economische levensduur daarvan.

Exploitatie kosten (OPEX)

Alle uitgaven die essentieel zijn voor de installatie en operationalisering van de NIKI-installatie(s). Hier vallen de volgende categorieën onder: Vaste OPEX, variabele OPEX en onderhoudskosten CAPEX.

Technische levensduur

De maximale periode waarin een installatie in staat is om naar behoren te functioneren. Deze periode omvat de tijd vanaf de ingebruikname tot het moment waarop het actief niet meer bruikbaar is vanwege slijtage, veroudering van materialen, of technologische veroudering.

Toegekende subsidie

Het bedrag dat middels de subsidiebeschikking is toegezegd aan een ondernemer voor de uitvoering van zijn NIKI-project.

Vastgestelde subsidie

Het bedrag waarop middels de subsidievaststelling een ondernemer voor het uitgevoerde NIKI-project definitief recht heeft.

Dit hoofdstuk biedt een uiteenzetting van de rekenmethode die moet worden gehanteerd door de aanvrager om bij de subsidieaanvraag, gedurende het NIKI-project, en bij de aanvraag tot subsidievaststelling, de benodigde subsidie te berekenen. De stappen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de berekeningen worden beschreven, beginnend bij de formule voor de benodigde subsidie en de stappen zoals opgenomen in paragraaf 2.3. Het doel is om de aanvrager een grondig begrip te verschaffen van zowel de procedurele aspecten als de belangrijkste variabelen binnen het model.

De NIKI-regeling is gebonden aan een juridisch kader dat enkel de begrippen kosten en baten kent. Echter, zoals ook in paragraaf 1.1 staat beschreven dient het ‘NIKI rekenmodel subsidie’ op kasstroombasis te worden ingevuld. Daar waar in deze handleiding de begrippen kosten en baten staan vermeld is sprake van respectievelijk uitgaven en inkomsten.

Het model gaat uit van gebruikelijke bedrijfseconomische principes waarbij toekomstige kasstromen worden verdisconteerd op basis van de WACC en het rendement wordt berekend over de volledige economische levensduur van de investering (de NIKI-installatie). De investeringen worden daarom volledig opgevoerd, waarbij deze uitgaven niet worden verdisconteerd. De kasstromen tijdens de exploitatiefase worden wel verdisconteerd, waarbij de jaarlijkse netto kosten worden verminderd met de verkoopopbrengst van de NIKI-producten (baten). In formule:

  • •

    CAPEX: investeringskosten

  • •

    OPEX: exploitatiekosten verminderd met eventuele operationele voordelen

  • •

    WACC: Weighted Average Cost of Capital voor de onderneming

  • •

    n: het relevante operationele jaar

  • •

    N: economische levensduur van de NIKI-installatie

  • •

    €markt: gewogen gemiddelde marktprijs van het product in jaar n.

  • •

    Eenheden geproduceerd: productievolume in jaar n.

Bij de berekening moeten alle bedragen exclusief btw worden opgenomen, tenzij de aanvrager niet in staat is de btw te verrekenen. Te betalen vennootschapsbelasting (zie paragraaf 2.3, Stap 4), dat toe te rekenen is aan het NIKI-project maakt onderdeel uit van de exploitatiekosten. Alle kosten moeten ‘technisch noodzakelijk en uitsluitend dienstbaar’ zijn aan de NIKI-installatie(s), het operationaliseren van NIKI-installaties en het exploiteren van de NIKI-installaties, zoals ook van toepassing is in de Energie-investeringsaftrek (EIA).

Indien de kosten niet uitsluitend dienstbaar zijn aan het NIKI-project, dient de aanvrager de kosten in aanmerking te nemen indien en voor zover die zien op het NIKI-project. Het toegepaste allocatiemechanisme dient degelijk onderbouwd te worden in de aanvraag.

Gedurende de exploitatieperiode van het NIKI-project mag er voor elementen die in beide methodieken voorkomen geen verschil in hoeveelheden (in-/output) zijn tussen de rekenmethode en de hoeveelheden waarmee de CO2-berekening is uitgevoerd. Hierbij dient men ook rekening te houden met een mogelijk verschil in hoeveelheden tussen een NIKI- en een referentieproduct, in het geval dat deze producten niet fysiek identiek zijn.

De rekenmethode is opgebouwd uit zeven stappen. In de volgende secties wordt elk van deze zeven stappennader uitgewerkt.

De NIKI geeft subsidie voor investeringsactiviteiten en voor exploitatieactiviteiten, de laatste gedurende de eerste 10 jaar van de exploitatie van de NIKI-installatie. Het benodigde subsidiebedrag wordt in de rekenmethode berekend over de gehele economische levensduur van de NIKI-installatie, de subsidie wordt verstrekt in de eerste 10 jaar van de exploitatiefase. De totale economische levensduur is minimaal 20 jaar. De methode voor het bepalen van de exploitatiekosten na 10 jaar tot einde economische levensduur staat beschreven in Stap 4 ‘Bepaal de exploitatiekosten (OPEX) voor de operationele fase’. Na 10 jaar exploitatie vindt een herberekening van het subsidiebedrag plaats op basis van werkelijk gemaakte kosten en opbrengsten en volgt een vaststelling. Het is een vereiste dat de economische levensduur van een NIKI-installatie langer zal zijn dan de exploitatiefase van 10 jaar van het NIKI-project. Hierbij is van belang dat de aanvrager bij het indienen van het bod aannemelijk maakt dat de NIKI-installatie ook na jaar 10 operationeel blijft en na die 10 jaar zonder subsidie rendabel kan opereren.

Introductie

In stap 2 worden de investeringskosten (CAPEX) berekend voor een NIKI-project. De investeringskosten moeten ‘technisch noodzakelijk en uitsluitend dienstbaar’ zijn aan de NIKI-installatie(s) en het operationaliseren van NIKI-installaties, zoals ook van toepassing is in de EIA. Indien de kosten niet uitsluitend dienstbaar zijn aan het NIKI-project, dient de aanvrager de kosten in aanmerking te nemen voor zover die zien op het NIKI-project. NIKI-installaties zijn die installaties waarmee het milieuvoordeel in het NIKI project wordt behaald.

In deze stap worden de investeringskosten nader toegelicht. Kosten voor het vervangen of herstellen van installatie(s) mogen niet in de investeringsfase opgenomen te worden. Deze kosten maken onderdeel uit van de exploitatiekosten zoals opgenomen onder stap 4.

De investeringsfase van een NIKI-project begint uiterlijk 12 maanden na het toekennen van de beschikking en niet eerder dan het moment waarop de eerste bindende verplichting wordt aangegaan die een investering onomkeerbaar maakt, bijvoorbeeld de definitieve bestelling van apparatuur of het starten van bouwwerkzaamheden. De subsidie wordt in deze periode uitgekeerd op basis van een mijlpaalmethode. Bij het indienen van de subsidieaanvraag kan de aanvrager aangeven op welke momenten in het ontwikkelingsproces de investeringssteun nodig is. Op deze manier heeft de aanvrager de ruimte om het investeringsproces te optimaliseren met de zekerheid dat de investeringssteun op de juiste momenten wordt ontvangen. Elke mijlpaalperiode dient te worden afgesloten met een concreet definieerbaar resultaat van uitgevoerde activiteiten in het project. De mijlpalen dienen onderbouwd te worden in het NIKI-projectplan. Alle subsidiabele kosten die gemaakt zijn in aanloop naar het te behalen resultaat dienen opgenomen te worden in deze mijlpaal. De aanvrager dient minimaal 3 en maximaal 5 mijlpalen te formuleren voor het NIKI-project. Een mijlpaal kan niet het verkrijgen van een subsidiebeschikking zijn.

Het totaal van het voorschot in de investeringsfase bedraagt het laagste van:

  • •

    40% van de gevraagde subsidie; of

  • •

    De totale investeringskosten bij aanvraag.

Na afloop van de investeringsperiode berekent de aanvrager opnieuw de benodigde subsidie. In deze berekening wordt rekening gehouden met de daadwerkelijke investeringskosten en moeten tevens nieuwe inschattingen worden aangedragen voor de exploitatiefase.

Aanschafkosten

Bereken de totale aankoopprijs van de installaties en machines voor de realisatie van het project. Dit omvat betalingen aan derden voor engineeringskosten na toekenning van de subsidie, het voorbereiden van de NIKI-installaties en het zorgen dat de installaties klaar zijn voor gebruik.

De onderstaande kosten kunnen hiervoor relevant zijn, deze lijst is niet limitatief.

Aankoopprijs van installaties en machines: Dit omvat de kosten voor de aanschaf van alle fysieke activa voor het NIKI-project.

Engineering en ontwerp na FID: Kosten die gemaakt worden voor engineeringdiensten na de toekenning van de subsidie. Dit omvat het ontwerp en de optimalisatie van de NIKI-installaties, alsook eventuele aanpassingen die nodig zijn om aan specifieke projectvereisten te voldoen.

Voorbereidingskosten van de locatie: Kosten voor het klaarmaken van de locatie waar de NIKI-installaties worden geplaatst. Dit kan grondwerk, funderingen, en de inrichting van de locatie omvatten, zodat deze geschikt is voor installatie en gebruik. Kosten voor de sloop van bestaande installaties zijn uitgesloten.

Aanvragers kunnen bovenstaande kosten aantonen door middel van bijvoorbeeld offertes, inkooporders, en facturen van leveranciers, afhankelijk van de fase waarin de aanvrager zich bevindt. De documentatie moet de specificaties en prijzen van elk item omvatten, evenals de overeenkomstige betalingsbewijzen.

Onderstaande kosten maken nadrukkelijk geen onderdeel uit van de investeringskosten:

  • •

    Kosten voor reeds bestaande installaties: tenzij het gaat om kosten voor het aanpassen van deze installaties om ze geschikt te maken voor het project.

  • •

    Exploitatiekosten (OPEX): Lopende kosten voor het functioneren van de installaties, zoals energieverbruik, routine-onderhoud, reparaties, en arbeidskosten. Zie hiervoor Stap 4.

  • •

    Training van Personeel (Buiten Inbedrijfstelling): Kosten voor het opleiden van personeel dat niet direct gerelateerd is aan het operationeel maken van de nieuwe installaties.

  • •

    Onderzoek en Ontwikkeling (R&D): Kosten die gemaakt worden voor onderzoek en ontwikkeling die niet direct gelinkt zijn aan de ontwikkeling of verbetering van de specifieke NIKI-installaties of machines voor het project. Hierbij kan gedacht worden aan het optimaliseren van andere installaties in de bedrijfsvoering.

  • •

    Marketing en Verkoopkosten: Uitgaven voor marketingactiviteiten, marktonderzoek, en verkoopinspanningen die niet direct bijdragen aan de aanschaf, installatie, of inbedrijfstelling van fysieke activa.

  • •

    Financieringskosten: Rente, afsluitkosten van leningen en andere financiële lasten.

Realisatiekosten

Arbeidskosten en extern ingehuurd personeel: de arbeidskosten voor eigen medewerkers en extern ingehuurd personeel die nodig zijn voor de installatie van de NIKI-installaties, dienen te zijn gebaseerd op de daadwerkelijke kosten.

Kosten van kranen, steigers en tijdelijke voorzieningen: de kosten van de kranen, steigers, tijdelijke voorzieningen ten behoeve van het NIKI-project.

Investeringen in infrastructuur: de investeringen in infrastructuur voor de realisatie van het NIKI-project. De volgende kosten zijn uitgezonderd; kosten gerelateerd aan milieueffecten, kosten met betrekking tot landgebruik en milieu-impact veroorzaakt door anderen dan de aanvrager. De waarde van investeringen in infrastructuur die kan worden toegerekend aan het NIKI-project is onderdeel van de CAPEX. De hoogte van dit bedrag wordt bepaald door de ratio van de economische levensduur van de NIKI-installatie ten opzichte van de totale boekhoudkundige afschrijfperiode van de investeringen in de desbetreffende infrastructuur, voor zover de boekhoudkundige afschrijvingsperiode langer is dan de economische levensduur.

Ter illustratie: Er vindt een infrastructuurinvestering plaats van € 500.000. Er wordt een totale afschrijvingsperiode van 50 jaar gehanteerd met een economische levensduur van 25 jaar. Dan dient men de CAPEX als volgt op te voeren: (25/50) * € 500.000 = € 250.000. Dit bedrag wordt niet verdisconteerd.

Aansluiten externe verbindingen: Bereken de kosten gerelateerd aan het aansluiten op externe verbindingen voor het NIKI-project. Deze investeringen worden op dezelfde wijze opgevoerd in de rekenmethode als investeringen in infrastructuur, zie bovenstaand punt.

Voorbeelden:

  • •

    Elektriciteit: Het gaat hier bijvoorbeeld om een nieuwe aansluiting op het net of de bestaande verbinding moet worden uitgebreid. Alle kosten gerelateerd hieraan moeten worden overwogen bij het bepalen van de relevante kosten, voor zover deze niet zijn gemaakt voordat de NIKI-aanvraag is ingediend.

  • •

    CO2: In gevallen waar CO2-infrastructuur betrokken is, kunnen de kosten gerelateerd aan het aansluiten op de hoofdinfrastructuur worden meegenomen in de relevante kostenberekening.

  • •

    Warmte: Net als bij CO2, in gevallen waar warmte-infrastructuur betrokken is, kan investering in infrastructuur gerelateerd aan het aansluiten op de hoofdinfrastructuur worden opgenomen.

  • •

    Circulaire of biobased grondstoffen: de kosten gerelateerd aan voorbehandeling, infrastructuur en nutsvoorzieningen kunnen worden overwogen in de relevante kostenberekening.

  • •

    Waterstof: Vergelijkbaar met Warmte en CO2.

  • •

    Overig: Extra kosten in vergelijking met de meest gebruikte fossiele referentie, bijvoorbeeld nafta vergeleken met een fossiel naftanet.

  • •

    Installatie en inbedrijfstelling: Kosten voor het installeren van de NIKI-apparatuur en NIKI-machines, en het operationeel maken daarvan. Dit kan ook trainingen voor personeel omvatten, zodat zij de apparatuur correct kunnen bedienen en onderhouden. Let wel, zoals aangeven zijn dit alleen kosten die technisch noodzakelijk en uitsluitend dienstbaar zijn voor de realisatie van het project.

Aanpassingskosten

Het aanpassen van installaties om deze geschikt te maken voor de uitvoering van het NIKI-project zijn toerekenbaar aan de investeringskosten.

Reguliere onderhoudskosten van NIKI-installaties zullen onder stap 4 besproken worden. Deze uitgaven versterken de operationele capaciteit of efficiëntie van de NIKI-installatie(s), en worden daarom beschouwd als investeringen die de fundamentele waarde van de NIKI-installatie(s) verhogen.

De aanvrager dient de volgende stappen te zetten om de noodzakelijke aanpassingskosten te berekenen:

  • 1)

    De onderhoudskosten gedurende de investeringsfase indien er een noodzaak is om kapitaalgoederen te vervangen die essentieel zijn voor de voortzetting van de werking van de NIKI-installaties in hun huidige staat en geen deel uitmaken van regulier onderhoud.

  • 2)

    Daarnaast moeten de aankoop- en installatiekosten voor nieuwe materialen worden berekend en geen deel uitmaken van regulier onderhoud.

Kosten voor gebouwen

Het gaat hier om het vaststellen van de aanschafkosten van bedrijfspanden voor de realisatie van het NIKI-project. De volgende kosten zijn uitgezonderd: kosten gerelateerd aan milieueffecten, kosten met betrekking tot landgebruik en milieu-impact veroorzaakt door anderen dan de aanvrager.

Deze kosten vormen een fundamenteel onderdeel van de initiële investeringen, aangezien ze de fysieke basis leggen waarop het project wordt gebouwd en ontwikkeld. In geval bedrijfspanden voor meer dan alleen een NIKI-project wordt aangewend, dient de aanvrager aannemelijk te maken of en welk deel hiervan toe te rekenen zijn aan het NIKI-project. De kosten dienen naar verhouding meegenomen te worden. De focus ligt op het identificeren en berekenen van de totale kosten die geassocieerd zijn met de aanschaf van deze activa. De waarde van investeringen in gebouwen die kan worden toegerekend aan het NIKI-project is onderdeel van de CAPEX. De hoogte van dit bedrag wordt bepaald door de ratio van de economische levensduur van de NIKI-installatie ten opzichte van de totale boekhoudkundige afschrijfperiode van de investeringen in het desbetreffende gebouw, voor zover de boekhoudkundige afschrijvingsperiode langer is dan de economische levensduur.

Ter illustratie: Er vindt een investering in een gebouw plaats van € 500.000. Er wordt een totale afschrijvingsperiode van 50 jaar gehanteerd met een economische levensduur van 25 jaar. Dan dient men de CAPEX als volgt op te voeren: (25/50) * € 500.000 = € 250.000. Dit bedrag wordt niet verdisconteerd.

Uitgesloten investeringskosten

Bij het zorgvuldig berekenen van de investeringskosten, voor een NIKI-project, is het essentieel om expliciet rekening te houden met het feit dat bepaalde kosten moeten worden uitgesloten van deze berekening. Onderstaande kosten maken geen deel uit van de investeringskosten.

Kosten, investeringen en aankopen die voor de datum van indiening van de NIKI-aanvraag zijn gemaakt: Kosten, investeringen en aankopen die gemaakt zijn voordat de NIKI-aanvraag is ingediend, bevinden zich in een specifieke categorie die belangrijke implicaties heeft voor het aanvraagproces en de financieringsmogelijkheden. Deze uitgaven kunnen variëren van voorbereidende studies en ontwerpen tot de aanschaf van apparatuur of zelfs initiële bouwwerkzaamheden. Hoewel deze kosten essentieel kunnen zijn geweest voor de voorbereiding en planning van het project, mogen ze niet meegenomen worden in de berekening van de investeringskosten.

Kosten voor grond: Kosten voor aankoop van grond zijn uitgesloten.

Onderhoudskosten: Deze kunnen worden meegenomen als exploitatiekosten. Zie onder Stap 3 van de berekening van de exploitatiekosten.

Kosten om bestaande activiteiten of productiecapaciteit te beëindigen: Kosten gerelateerd aan het beëindigen van bestaande activiteiten of productiecapaciteit gericht op het afbouwen of stopzetten van bedrijfsprocessen of -faciliteiten, zijn uitgesloten voor de investeringskosten. Dit kan onder meer de kosten omvatten voor het uitfaseren van verouderde apparatuur, het sluiten van fabrieken of productielijnen, en het afvloeien van personeel. Sloopkosten van bestaande installaties zijn uitgesloten.

Kosten van goodwill, intellectueel eigendom en vergunningen: Kosten voor bijvoorbeeld het onderhouden van de IE-rechten zijn niet toegestaan, maar de aanvraag voor een patent, merkrecht of intellectueel eigendom kan worden opgenomen.

Restwaarde NIKI-installatie: In het ‘NIKI rekenmodel subsidie’ wordt de restwaarde van de NIKI-installatie aan het eind van de economische levensduur (minimaal 20 jaar) gelijkgesteld aan € 0,–.

Voor elk NIKI-product moet volgens de instructies in de CO2-berekeningsmethode een referentieproduct worden bepaald. Marktprijzen dienen voor de gehele economische levensduur van de NIKI-installatie te worden opgevoerd. Zowel werkelijke resultaten als projecties van referentiemarktprijzen maken deel uit van de controle door een accountant.

Gegevens marktprijs €markt van producten

Marktprijsgegevens worden verondersteld bekend te zijn bij de aanvragers, gezien hun huidige activiteiten in de markt of de markten die ze zullen betreden na het voltooien van het NIKI-project. Hierdoor kennen zij de marktprijzen van de producten waarmee ze concurreren of die ze zullen vervangen. In veel gevallen zullen aanvragers hun eigen bestaande productiefaciliteiten willen verbeteren en zijn ze daarom al goed bekend met kosten en marktprijzen. De marktprijs refereert in dit kader naar de gewogen gemiddelde marktprijs die relevant is voor het berekenen van de subsidie.

Marktprijsgegevens zijn beschikbaar voor de meeste sectoren. Voor producten met een duidelijke marktprijs die van toepassing is in de lidstaten, kunnen aanvragers ervoor kiezen om een vaste bron voor de referentieprijs te specificeren. De prijs van de meeste producten zal per land variëren, daarom moeten aanvragers in elk geval de meest geschikte referentie voorstellen. Over het algemeen is historische informatie vaak beschikbaar, evenals beperkte spot- en futureshandelsprijzen. De prijsstelling voor specialty chemicals is bijvoorbeeld relatief transparant, maar aanvragers hebben waarschijnlijk al activiteiten in de relevante sector of uitgebreid onderzoek gedaan om nieuwe markten te betreden.

Aanvragers moeten rekening houden met de mogelijkheid dat de geproduceerde producten tegen een groene premie kunnen worden verkocht in vergelijking met de bestaande ‘grijze’ alternatieven. De haalbare marktverkoopprijs van het nieuwe product geproduceerd door de aanvrager is de referentieprijs. Het is essentieel dat aanvragers duidelijk de reden voor de ‘groene’ prijspremie of het ontbreken daarvan uitleggen en bewijs leveren dat zo’n premie mogelijk is (bijvoorbeeld door details van een afnameovereenkomst of een ander verifieerbaar middel te leveren). Als een prijspremie slechts in een beperkt aantal jaren wordt verwacht, moet dit duidelijk worden uitgelegd door de aanvrager. Er moet ook consistentie zijn tussen de productprijsvoorspelling in het financiële model van de aanvrager en de projectproductprijs die wordt gebruikt om relevante kosten te bepalen.

Eenheden geproduceerd

De geproduceerde eenheden vertegenwoordigen de output per jaar gedurende de economische levensduur van de NIKI-installatie. De hoeveelheden moeten overeenkomen met de cijfers in de berekening van de CO2-emissiereductie.

In stap 4 worden de exploitatiekosten gedurende de economische levensduur van de NIKI-installatie (minimaal 20 jaar) berekend. De volgende vier categorieën worden onderscheiden:

  • •

    vaste exploitatiekosten;

  • •

    variabele exploitatiekosten;

  • •

    onderhoudskosten; en

  • •

    vennootschapsbelasting exclusief energie-investeringsaftrek (EIA).

Het is van belang dat deze kostentechnisch noodzakelijk en uitsluitend dienstbaar zijn aan het NIKI-project. Zoals al eerder vermeld in deze handleiding gaat het hier om kasstromen, de verwachte uitgaven dienen in het ‘NIKI rekenmodel subsidie’ te worden opgenomen op het moment dat deze plaatsvinden. Binnen het kader van het NIKI-project dienen de opgenomen vaste exploitatiekosten nadrukkelijk gerelateerd te zijn aan de activiteiten en doelstellingen van het project. Dit betekent dat alleen die kosten die direct voortvloeien uit of noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het NIKI-project in aanmerking komen. Het onderscheid tussen algemene bedrijfskosten en project specifieke exploitatiekosten vereist een zorgvuldige administratie, transparante allocatiemechanismes en planning om te waarborgen dat aan de financieringscriteria wordt voldaan. Het allocatiemechanisme dient in de aanvraag te worden onderbouwd.

Bij het berekenen van de exploitatiekosten dient de aanvrager de volgende prijsprojecties in euro’s (€) te hanteren:

Nettarieven

Voor de vaststelling van de hoogte van de nettarieven dient de aanvrager de bij de aanvraag geldende nettarieven te hanteren met een jaarlijkse stijging van 6%.

Energiebelasting

Voor de vaststelling van de hoogte van de energiebelasting geldt de op het moment van indiening geldende tarieven, zoals opgenomen in hoofdstuk 6 van de Wet belastingen op milieugrondslag.

Afbouwpad EU ETS rechten

Voor de gratis EU ETS rechten dient de aanvrager een lineaire afbouw van de vrije allocatie te hanteren waarbij de huidige allocatie vanaf 2025 lineair afneemt tot 0 in 2040.

CO2-heffing industrie

Voor de vaststelling van de hoogte van de CO2-heffing geldt de op het moment van indiening geldende tarieven, zoals opgenomen in hoofdstuk 6B van de Wet belastingen op milieugrondslag. De tarieven voor het laatste jaar zoals deze in de wet is opgenomen dienen aangehouden te worden voor alle daaropvolgende jaren bij de toepassing van de rekenmethode.

Dispensatierechten CO2-heffing

Voor de vaststelling van het aantal dispensatierechten geldt de op het moment van indiening geldende methode, zoals opgenomen in hoofdstukken 6B en 16B van de Wet belastingen op milieugrondslag. Overtollige dispensatierechten die toe te schrijven zijn aan de NIKI mogen niet verhandeld worden. Indien bij de herrekening blijkt dat de aanvrager toch dispensatierechten blijkt over te houden en deze inmiddels ook verhandeld heeft, dan dient men deze tegen de transactiewaarde te waarderen en van de benodigde subsidie af te trekken.

Vaste exploitatiekosten

Vaste exploitatiekosten vormen een essentieel onderdeel van de dagelijkse bedrijfsvoering en kunnen aanzienlijk variëren per bedrijf, afhankelijk van de sector, bedrijfsgrootte, en specifieke bedrijfsmodellen.

De meest voorkomende vaste exploitatiekosten zijn hieronder opgenomen:

  • •

    Huur of Lease van bedrijfsruimte

  • •

    Brutoloonkosten

  • •

    Verzekeringen

Variabele exploitatiekosten

Variabele exploitatiekosten fluctueren direct met de productie- of verkoopvolumes. Deze kosten veranderen afhankelijk van de bedrijfsactiviteit. De variabele exploitatiekosten omvatten onder andere:

  • •

    Grondstoffen en materialen

  • •

    Energieverbruik

  • •

    Brandstofkosten

  • •

    Verpakkingsmaterialen

  • •

    Verzend- en Transportkosten

  • •

    Utilities, zoals verbruik van stoom, water en perslucht.

Onderhoudskosten binnen de investeringskosten

Deze uitgaven zijn van belang voor de voortzetting van projecten en het behoud van de operationele capaciteit in hun huidige staat. Voorbeelden hiervan zijn de vervanging van cruciale apparatuur of andere significante eenmalige aankopen die naar verwachting periodiek zullen voorkomen gedurende de levensduur van het project.

Alle kosten die gerelateerd zijn aan het onderhoud of de vervanging van kapitaalgoederen moeten zorgvuldig worden geëvalueerd om te bepalen of deze cruciaal zijn voor de voortzetting van het project. Dit betekent dat kosten voor de vervanging van essentiële apparatuur of significante eenmalige aankopen, die verwacht worden periodiek te gebeuren gedurende de levensduur van het project, duidelijk moeten worden onderscheiden van andere kapitaalinvesteringen.

Vennootschapsbelasting

Per jaar dient de daadwerkelijk te betalen VPB opgenomen te worden in het ‘NIKI rekenmodel subsidie’ dat toerekenbaar is aan het NIKI-project. Meer specifiek gaat het om de VPB als onderdeel van de operationele kasstroom (OPEX). Let op: het gaat hier om kasstromen en dus niet de te betalen VPB (jaarlast VPB) over de behaalde winst in het desbetreffende boekjaar maar om het voorschot van het desbetreffende boekjaar en afrekening van oudere jaren.

Verwachte Energie-investeringsaftrek (EIA) op NIKI-installatieonderdelen moet hier niet in meegenomen worden.

Uitgesloten exploitatiekosten

Hoewel dit uit de bovenstaande methodiek blijkt, volgt hieronder een opsomming van kosten die in ieder geval van de exploitatiekosten zijn uitgesloten:

  • •

    afschrijvingen en amortisatie van de NIKI-installaties, dit zijn geen kasstromen;

  • •

    afschrijvingen en amortisatie van bestaande installaties vóór NIKI die zijn gewijzigd vanwege het NIKI-project (bijvoorbeeld in geval van elektrificatie, procesefficiëntie), dit zijn geen kasstromen;

  • •

    financieringskosten: rente, afsluitkosten van leningen en andere financiële lasten;

  • •

    kosten die deel uitmaken van de investeringskosten; en

  • •

    kosten voor zover die niet technisch noodzakelijk en niet uitsluitend dienstbaar zijn aan het NIKI-project.

Bij het beoordelen van de jaarlijkse exploitatiekosten, is het essentieel om deze te corrigeren met de operationele baten. Deze voordelen kunnen voortkomen uit de volgende zaken:

  • •

    de extra inkomsten uit de verkoop van EU ETS-uitstootrechten; en

  • •

    de extra inkomsten uit de verkoop van emissierechten voor de Nederlandse CO2-heffing.

EU ETS

Om de extra inkomsten uit de verkoop van EU ETS-uitstootrechten vast te stellen, zijn de volgende elementen nodig:

  • i.

    De directe CO2-uitstoot van alle broeikasgasinstallaties binnen het NIKI-proces, die toerekenbaar is onder het EU-ETS;

  • ii.

    De verwachte hoeveelheid gratis rechten voor diezelfde broeikasgasinstallaties;

Om projecten onderling vergelijkbaar te maken, moeten alle aanvragers dezelfde CO2-prijsvoorspelling en afbouwpad van gratis rechten gebruiken, die door de Nederlandse overheid zullen worden verstrekt.

CO2-heffing

Realisatie van een NIKI-project kan ook resulteren in een overschot aan verhandelbare emissierechten voor de Nederlandse heffing. Als de aanvrager van plan is om deze rechten over te dragen, dan wordt deze transactie beschouwd als inkomsten door verkoop van deze rechten en dus eveneens meegenomen als operationele voordelen in het ‘NIKI rekenmodel subsidie’. Aanvragers moeten aannemelijk maken wat de hoeveelheid overtollige emissierechten is en in hoeverre dit toe te schrijven is aan het NIKI-project. Deze berekening dient in het klimaatplan nader te worden toegelicht.

Om projecten onderling vergelijkbaar te maken, moeten alle aanvragers dezelfde CO2-heffingsprijsvoorspelling en afbouwpad van dispensatierechten gebruiken, die door de Nederlandse overheid zullen worden verstrekt.

Bereken de WACC

De maximale ondersteuning wordt berekend door toekomstige kasstromen naar de huidige waarde te disconteren. De disconteringsvoet die gebruikt moet worden, is de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet (WACC) van het bedrijf. De WACC moet worden berekend met behulp van de volgende formule:

De onderstaande tabel biedt een overzicht van welke partij de informatie levert (de aanvrager of de Nederlandse overheid) en welke bron gebruikt zal (moeten) worden.

Parameter

Omschrijving

Aangeleverd door

Bron

E

Totaal eigen vermogen gebruikt voor de financiering van het project

Aanvrager

Jaarrekening aanvrager

D

Totaal vreemd vermogen gebruikt voor de financiering van het project

Aanvrager

Jaarrekening aanvrager

Risicovrije rentevoet

Nederlandse overheid ?xpp afbreek?>(voorgeschreven)

3,1%

B

Eigen vermogen beta

Aanvrager

Bedrijfsspecifieke unlevered beta. In het ‘NIKI rekenmodel subsidie’ wordt deze gecorrigeerd voor de daadwerkelijke leverage van de aanvrager blijkend uit de meest recente jaarrekening

ERP

Equity risk premium

Nederlandse overheid ?xpp afbreek?>(voorgeschreven)

5,5%

DP

Schuldpremie

Aanvrager

De opslag die de onderneming betaalt op vreemde vermogen boven de risicovrije rentevoet (opgave bank, jaarrekening)

T

Belastingtarief

Nederlandse overheid ?xpp afbreek?>(voorgeschreven)

25,8%

De WACC wordt toegepast om toekomstige inkomsten- en kostenstromen over de economische levensduur van de NIKI-installatie te verdisconteren en ze vergelijkbaar te maken.

Aanvragers dienen de verplichte formule als onderdeel van het NIKI-schema correct toe te passen om de WACC te berekenen bij aanvraag. Deze zal vervolgens ook worden gebruikt tijdens de monitoringsfase van het project. Of de formule correct is toegepast, wordt bij de aanvraag gecontroleerd. Veel aanvragers zullen ervaren en bekend zijn met de kosten van eigen vermogen en vreemd vermogen – en dus de WACC die voor hun project gebruikt moet worden. Het is niet toegestaan om parameters in de formule voor het berekenen van de WACC te vervangen of nieuwe parameters op te nemen, zoals het opnemen van een projectspecifieke risico-opslag.

Aanvragers zijn verder vrij om zelf een van de onderstaande methodes te kiezen voor de vaststelling van de beta, die als input dient voor de berekening van de WACC. De beta wordt aannemelijk geacht indien een van de volgende methodes wordt gebruikt door de aanvrager:

  • 1.

    De ‘Unlevered Beta adjusted for cash’ voor West-Europa, per sector, zoals gepubliceerd door Professor Damodaran (zie https://pages.stern.nyu.edu/~adamodar/pc/datasets/betaEurope.xls);

  • 2.

    De eigen, voor kasmiddelen gecorrigeerde Beta, uitsluitend voor beursgenoteerde ondernemingen, onder vermelding van de bron en de gehanteerde berekeningsmethode; of

  • 3.

    Een gemiddelde, voor kasmiddelen gecorrigeerde Beta van vergelijkbare beursgenoteerde ondernemingen.

Kiest u voor optie 3, dan moet uw onderbouwing en berekening voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    De gemiddelde Beta is afgeleid uit ten minste vijf en maximaal zeven beursgenoteerde ondernemingen;

  • b.

    U onderbouwt waarom deze ondernemingen representatief zijn voor uw bedrijf, waarbij u in ieder geval de volgende criteria meeneemt:

    • •

      omzetomvang;

    • •

      sectorale aansluiting;

    • •

      aantal medewerkers;

    • •

      geografische omzetverdeling; en

    • •

      productportfolio;

  • c.

    U vermeldt expliciet de bron(nen) en de gehanteerde berekeningswijze voor de vaststelling van deze gemiddelde Beta.

Voor de WACC-berekening dienen de vermogensverhouding en de kosten van de eigen- en vreemd vermogen-componenten van de groep waarvan de aanvrager deel uitmaakt te worden toegepast conform de geconsolideerde jaarrekening. Hiervan kan alleen worden afgeweken indien de activiteiten van de aanvrager verschillen van de activiteiten van de groep waarvan de aanvrager deel uitmaakt. In dat geval mag de aanvrager het gemiddelde zoals genoemd bij optie 3 worden bepaald worden voor zowel de onderneming van de aanvrager als voor de groep waarvan de aanvrager deel uitmaakt.

Extrapolatie van OPEX en omzet na 10 jaar exploitatie tot en met einde economische levensduur NIKI-installatie (minimaal 20 jaar)

De benodigde subsidie wordt verkregen over de periode vanaf de start van het NIKI-project tot en met het tiende jaar van exploitatie. Na het tiende jaar wordt de subsidie definitief vastgesteld en is het NIKI-project afgerond. Echter, voor het berekenen van het benodigde subsidiebedrag wordt een berekening gemaakt over de gehele economische levensduur van de NIKI-installatie.

In het ‘NIKI rekenmodel subsidie’ worden de financiële gegevens ingevoerd tot en met het tiende jaar van exploitatie. Van de ingevulde gegevens over de exploitatiejaren 6 tot en met 10 wordt een lineaire voorspelling gemaakt van de opbrengst (saldo OPEX, operationele baten en omzet) berekend door het model en automatisch geëxtrapoleerd met de lineaire voorspelling naar de jaren 11 tot en met het jaar einde economische levensduur.

Deze berekening wordt gemaakt bij aanvraag van de subsidie. Bij vaststelling van de subsidie wordt de berekening opnieuw uitgevoerd met daadwerkelijke resultaten over de eerste 10 jaar van de exploitatiefase.

Indien voor het project ook een andere (Europese) subsidie of fiscaal voordeel (EIA) wordt verkregen, dan wordt dit subsidiebedrag en fiscale voordeel zonder verdiscontering afgetrokken van het benodigde subsidiebedrag dat is berekend met het ‘NIKI rekenmodel subsidie’. Dit laatste bedrag wordt dan het maximale toe te kennen subsidiebedrag.

Voor verkregen, Europese en nationale subsidies, die na toekenning van de NIKI-project zien op hetzelfde project of delen daarvan geldt een clawback van 100%. Indien nog niet de gehele NIKI-subsidie is uitgekeerd, worden de toekomstige voorschotten naar rato voor het volledige bedrag gekort.

In het vorige hoofdstuk is de rekenmethode inhoudelijk stap voor stap toegelicht. In dit hoofdstuk wordt uitgelegd in welke fasen van het NIKI-project de onderneming (de ontvanger van de NIKI subsidie) de rekenmethode dient te gebruiken, en hoe dat bijdraagt aan verantwoording en verslaglegging van de bereikte resultaten met het NIKI-project.

De rekenmethode functioneert bij de aanvraag van een NIKI subsidie mede ter onderbouwing van de financiële haalbaarheid van het voorgestelde NIKI-project, en in de daaropvolgende fasen als middel voor het berekenen van het voorschot en de benodigde subsidie. De benodigde subsidie is pas na afloop van het NIKI-project definitief vast te stellen, omdat die onder andere afhankelijk is van de gerealiseerde CO2-emissiereductie tijdens het NIKI-project. Bij het verstrekken van elk voorschot wordt rekening gehouden met de benodigde subsidie zoals die op dat moment wordt voorzien. Op die manier zal bij de vaststelling van de NIKI subsidie het verschil tussen de vast te stellen subsidie en het verstrekte voorschot zo klein mogelijk zijn. Een eventuele nabetaling op de subsidie of gedeeltelijke terugbetaling daarvan wordt daardoor zo veel mogelijk voorkomen.

Er wordt bij het verstrekken van een voorschot verschil gemaakt tussen een voorschot tijdens de investeringsfase en een voorschot tijdens de exploitatiefase van het NIKI-project. Tijdens de investeringsfase wordt een voorschot verstrekt op basis van de subsidiebeschikking en de geraamde projectkosten voor de komende projectjaren. Tijdens de exploitatiefase wordt een voorschot niet meer verstrekt op basis van oorspronkelijke ramingen, maar op basis van gerealiseerde kosten, opbrengsten en productievolume van de achterliggende projectjaren en op basis van geactualiseerde ramingen voor de resterende economische levensduur van de NIKI installatie.

De berekende voorschotten en de vast te stellen subsidie is dan ook telkens het mindere van:

  • •

    de maximaal toegestane subsidie volgens de NIKI rekenmethodiek, onder toepassing van het claw-back mechanisme;

  • •

    de subsidie-intensiteit als opgenomen in de aanvraag (€/ton CO2) vermenigvuldigd met de daadwerkelijk vermeden CO2 emissie (ton) cumulatief over de exploitatiefase van het NIKI project; of

  • •

    de toegekende subsidie.

In dit verband heeft ten eerste ook het ‘claw-back mechanisme’, dat onderdeel is van de NIKI-regeling, een rol. De NIKI-regeling is een ruimhartige subsidie voor het verschil tussen het rendement dat de subsidieontvanger en zijn aandeelhouders/financiers willen realiseren met het NIKI-project en de daarvan afgeleide kosten, en de opbrengsten van de NIKI-installatie. De subsidie mag echter niet leiden tot het ontstaan van een bovenmatig hoog financieel rendement op het NIKI-project, ook wel bekend als ‘oversubsidiëring’. Indien tijdens de exploitatiefase van een NIKI-project met behulp van de rekenmethode blijkt dat een lager bedrag aan subsidie nodig is dan het bedrag dat in de subsidiebeschikking is toegezegd, dan wordt dat verschil tussen die beide bedragen verrekend met het nog te verstrekken voorschot. Eenzelfde aanpak wordt gevolgd bij de vaststelling van de subsidie.

Het ‘claw-back mechanisme’ is het principe van verrekening om oversubsidiëring te voorkomen. Het mechanisme bestaat uit een verdeelsleutel voor de verdeling van het genoemde verschil tussen beide bedragen, waarbij de subsidieontvanger een gedeelte van het verschil kan behouden en het andere gedeelte voor de Staat is. Hiermee wordt de subsidieontvanger aangemoedigd en beloond voor een gerealiseerde verbetering van het financiële rendement met het NIKI-project ten opzichte van de subsidieaanvraag. Tegelijkertijd is het redelijk dat de Staat daarin deelt, omdat de Staat bij de subsidieverlening een ruimhartige subsidie heeft verstrekt en daarmee ook een aanzienlijk financieel risico heeft genomen met een project dat dan nog de verwachte CO2-emissiereductie moet opleveren.

Bij het verstrekken van een voorschot tijdens de exploitatiefase, en bij de vaststelling, speelt ten tweede ook het gerealiseerde productievolume een rol. De gerealiseerde productie is een maat voor de bereikte CO2-emissiereductie. Een lagere productie houdt in: een verminderde CO2-emissiereductie. Het voorschot wordt dusdanig aangepast dat de subsidie-intensiteit, de verstrekte subsidie per vermeden ton CO2, nooit meer is dan het bod dat de subsidieontvanger bij aanvraag heeft ingediend. Het mechanisme van de claw-back, en het principe dat de subsidie-intensiteit niet hoger kan worden dan het bod van de subsidie-ontvanger bij de aanvraag, dienen gelijktijdig toegepast te worden in de berekening van het voorschot, en van de maximaal toegestane subsidie. Bovendien zal de vast te stellen subsidie nooit meer zijn dan de toegekende subsidie.

Let wel: Er geldt een claw-back van 100% over andere subsidies op hetzelfde project of delen daarvan, die na toekenning van de NIKI-subsidie verkregen zijn. Indien nog niet de gehele NIKI-subsidie is uitgekeerd, wordt het bedrag van de verkregen andere subsidies voor hetzelfde project 100% gekort op de resterende NIKI subsidie. Op die manier vindt ook 100% verrekening plaats van verkregen (extra) EIA-voordelen ten opzichte van de al in de aanvraag verrekende voordelen.

In onderstaande figuur zijn de verschillende fasen van een NIKI-project, het gebruik van de NIKI rekenmethode, en de daarbij behorende systematiek van voorschotbetalingen en verrekeningen schematisch weergegeven. In de volgende paragrafen worden deze fasen in chronologische volgorde nader toegelicht. Overigens dient ook in een situatie van een ‘essentiële wijziging’ van het NIKI-project, zowel tijdens de investeringsfase als tijdens de exploitatiefase, een geactualiseerde berekening met de rekenmethode opgesteld te worden.

De investeringsfase van een NIKI-project begint wanneer de eerste bindende verplichting wordt aangegaan die een investering onomkeerbaar maakt, bijvoorbeeld de definitieve bestelling van apparatuur of het starten van bouwwerkzaamheden. De aankoop van grond en voorbereidend werk, zoals het verkrijgen van vergunningen en het uitvoeren van voorbereidende haalbaarheidsstudies, luidt niet het begin van het NIKI-project in. De laatste mijlpaal is de datum waarop de NIKI-installatie commercieel in gebruik genomen wordt (commercial operation date) hetgeen het einde van de investeringsfase en het begin van de exploitatiefase markeert.

Een voorschot wordt verstrekt op basis van de goedgekeurde projectbegroting en door de aanvrager opgestelde mijlpalen. Voor elk van deze mijlpalen zal de aanvrager aangeven welke kosten overeenkomen met de activiteiten binnen deze mijlpaal. Een mijlpaal vertegenwoordigt een concreet te behalen resultaat en de daar aan verbonden kosten. Elke mijlpaalperiode dient te worden afgesloten met een concreet definieerbaar resultaat van uitgevoerde activiteiten in het project. De mijlpalen dienen onderbouwd te worden in het NIKI-projectplan. Alle subsidiabele kosten die gemaakt zijn in aanloop naar het te behalen resultaat dienen opgenomen te worden in deze mijlpaal. Als de mijlpalen niet behaald worden en u er langer over doet of de kosten gaan afwijken dient dit te worden gemeld bij de RVO. Naast de melding dient ook een wijzigingsverzoek in met een aangepaste planning en aangepaste mijlpalenbegroting. Dit kan gevolgen hebben voor de uitbetaling van de voorschotten. De aanvrager dient minimaal 3 en maximaal 5 mijlpalen te formuleren voor het NIKI-project. Een mijlpaal kan niet het verkrijgen van een subsidiebeschikking zijn.

Het totaal van het voorschot in de investeringsfase mag niet hoger zijn dan het laagste van de volgende bedragen die bij aanvraag met de NIKI rekenmethode zijn berekend:

  • •

    40% van de gevraagde subsidie; of

  • •

    de totale investeringskosten bij aanvraag.

De subsidieontvanger rapporteert jaarlijks met behulp van een geactualiseerde berekening op basis van de NIKI rekenmethodiek over de realisatie daarvan, en stelt waar nodig de mijlpalenbegroting bij. Na afloop van de investeringsfase wordt weer een uitgebreidere rapportage verwacht, waarin ook de werkelijke investeringskosten worden verantwoord. Bovendien dient de subsidieontvanger geactualiseerde berekening van de maximaal toegestane subsidie op te stellen op basis van de gerealiseerde investeringskosten, en op basis van geactualiseerde ramingen van kosten en opbrengsten voor de economische levensduur van de NIKI-installatie.

De exploitatiefase van een NIKI-project omvat de eerste tien jaar waarin de NIKI-installatie in bedrijf is, aansluitend op de investeringsfase van het project. Na afloop van de exploitatiefase eindigt het NIKI-project en wordt de NIKI subsidie vastgesteld. De NIKI-installatie blijft daarna in beginsel tot het einde van de economische levensduur in bedrijf.

De subsidie-ontvanger rapporteert gedurende de exploitatiefase jaarlijks over de voortgang van het project en over het gerealiseerde productievolume waaruit de gerealiseerde vermeden CO2 emissie wordt afgeleid. De jaarlijkse rapportage gaat vergezeld van een geactualiseerde berekening van de maximaal toegestane subsidie met de NIKI rekenmethodiek. De subsidie-ontvanger gebruikt hierbij de al eerder gerapporteerde investeringskosten, gerealiseerde exploitatiekosten, opbrengsten en productievolume van achterliggende operationele jaren, en bijgewerkte schattingen van deze gegevens voor toekomstige operationele jaren van de NIKI installatie. De subsidie-ontvanger bespreekt in de rapportage eventuele afwijkingen ten opzichte van eerdere ramingen. Bij de rapportage over het vijfde operationele jaar voegt de onderneming ook een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant toe over de tot dan toe gerapporteerde cijfers.

In de exploitatiefase wordt bij de voorschotverstrekking rekening gehouden met de op dat moment berekende maximaal toegestane subsidie en met een eventuele ‘claw-back’ die op dat moment wordt verwacht. In het daaropvolgende operationele jaar, als de berekening van de benodigde subsidie opnieuw is geactualiseerd, kan zodoende ook een claw-back die in een voorgaande jaar in het bedrag van het voorschot is verwerkt, weer worden gecorrigeerd. In de situatie waarbij na enkele operationele jaren het financiële rendement van de installatie zich gunstiger ontwikkelt dan bij de subsidieaanvraag werd geraamd, zal in principe het claw-back mechanisme optreden. Dat betekent dat het voorschotbedrag hierop wordt aangepast (wordt verlaagd) ten opzichte van eerdere ramingen. Veronderstel dat een of twee jaar later tijdens de exploitatiefase alsnog blijkt, dat het financiële rendement niet verbetert of zelfs verslechtert. Er zal dan, gebaseerd op nieuwe berekeningen, op dat moment geconcludeerd worden dat er te weinig voorschot is verstrekt. Dit zal met de nieuwe voorschotbetaling worden gecorrigeerd, zodat het totaal verstrekte voorschot aansluit op de meest actuele berekeningen van de maximaal toegestane subsidie volgens de NIKI rekenmethode.

Eenzelfde benadering wordt gevolgd met de gerealiseerde CO2 emissiereductie. Deze wordt afgeleid uit het bereikte NIKI productievolume. Het voorschot wordt bij een tegenvallend productievolume dusdanig aangepast dat de verstrekte subsidie per vermeden ton CO2 nooit meer is dan het bod dat de subsidieontvanger bij aanvraag heeft ingediend. De subsidieontvanger heeft echter de mogelijkheid tijdens de exploitatiefase dit tekort aan gerealiseerde CO2 emissiereductie in te lopen door een verhoogd NIKI productievolume in volgende jaren van de exploitatiefase. Dit principe staat ook wel bekend als ‘banking’: tekorten (verlaagd productievolume) in het ene operationele jaar kunnen worden gecompenseerd met overschot (verhoogd productievolume) in een ander operationeel jaar.

De exploitatiefase van het NIKI-project eindigt na het tiende operationele jaar. De exploitatiefase van de NIKI-installatie duurt langer, namelijk tot en met het einde van de economische levensduur van deze NIKI-installatie. Dit is minimaal 20 jaar.

De vaststelling van de subsidie volgt op de vaststellingsaanvraag van de subsidieontvanger. Deze dient daarbij een eindverslag in over het uitgevoerde project, voorzien van een laatste berekening met de NIKI rekenmethode van de maximaal toegestane subsidie. De onderneming gebruikt hierbij realisatiecijfers voor alle projectjaren (zowel de investeringsfase als de exploitatiefase) en extrapoleert de exploitatiejaren 6 tot en met 10 lineair naar het elfde tot en met het jaar einde economische levensduur van de NIKI-installatie. De gehanteerde cijfers dienen te worden toegelicht in het eindverslag en te worden ondersteund door een controleverklaring van een accountant.

Tegelijk met de financiële berekeningen, wordt uit het gerealiseerde productievolume gedurende de tien jaren van de exploitatiefase afgeleid hoe groot de bereikte CO2-emissiereductie is.

Eerder in dit hoofdstuk is aangegeven dat de vast te stellen subsidie altijd het mindere is van de volgende drie bedragen:

  • •

    de benodigde subsidie volgens de NIKI rekenmethodiek, onder toepassing van het claw-back mechanisme;

  • •

    de subsidie-intensiteit volgens de aanvraag (€/ton CO2) vermenigvuldigd met de daadwerkelijk vermeden CO2-emissie (ton) cumulatief over de exploitatiefase van het NIKI project; of

  • •

    de toegekende subsidie.

Er zijn daarom in principe zes situaties denkbaar waarin elk van deze drie bedragen groter of kleiner is dan de andere twee, en alle bedragen positief of nul zijn.

In onderstaande voorbeelden worden deze situaties nader uitgewerkt. Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat de voorbeelden uitsluitend zijn bedoeld om de werking van de verschillende mechanismen te verduidelijken. Op geen enkele manier zijn de voorbeelden of de getallen bedoeld als maatgevend geachte waarden van een ingediende NIKI aanvraag.

In het geval de benodigde subsidie een negatieve waarde heeft, dan wordt de subsidie op nihil vastgesteld.

In het geval de aanvrager te veel subsidie heeft ontvangen, dan zal aanvrager deze moeten terugbetalen. Over het bedrag dat terugbetaald moet worden, wordt de door de Europese Commissie voorgeschreven wettelijke rente op te veel ontvangen subsidie geheven.

Om de zes gevallen dat de berekende subsidie minimaal EUR 0 is te verduidelijken, is voor elk geval een situatie geschetst. Deze zijn hieronder visueel weergegeven.

Kenmerken fictieve aanvraag en subsidieverlening:

  • •

    Bod: € 50/ton vermeden CO2

  • •

    Geraamde emissiebesparing volgens NIKI CO2 emissiereductie methode: 1.200.000 ton CO2

  • •

    Toegekende subsidie: € 60.000.000, gebaseerd op het bod vermenigvuldigd met de geraamde CO2 emissiebesparing.

Situatie 1

Deze situatie weerspiegelt de situatie waarin de onderneming bij gelijkblijvend of zelfs gegroeid productievolume het project kosten efficiënter uitvoert dan gepland. De onderneming realiseert minstens de oorspronkelijk geraamde emissiereductie en profiteert van de gerealiseerde efficiëntie door het behouden van een deel van de besparingen.

Projectresultaat:

  • •

    Gerealiseerde emissiebesparing: minstens 1.200.000 ton CO2. Bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie) ≥ € 60.000.000.

  • •

    Benodigde subsidie berekend uit de NIKI rekenmethode: € 55.000.000, is € 5.000.000 lager dan de toegekende subsidie

  • •

    Bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie) ≥ toegekende subsidie > benodigde subsidie.

  • •

    Claw-back mechanisme: 40% van de gerealiseerde efficiëntie is voor de onderneming, 40% x € 5.000.000 = € 2.000.000.

  • •

    Vast te stellen subsidie = benodigde subsidie + aandeel in de claw-back = € 55.000.000 + 2.000.000 = € 57.000.000.

  • •

    Controle: de subsidie-intensiteit daalt (tot € 57.000.000/1.200.000 ton CO2 = € 47,5/ton vermeden CO2). Dit is minder dan het bod, en daarom toegestaan.

Situatie 2

In deze situatie heeft de ondernemer aanzienlijke besparingen gerealiseerd, maar net niet de geraamde productie behaald. Hij heeft daardoor niet de volledige CO2-emissiereductie van de aanvraag gerealiseerd.

Projectresultaat:

  • •

    Gerealiseerde emissiebesparing: 1.100.000 ton CO2. Bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie) = € 55.000.000.

  • •

    Benodigde subsidie berekend uit de NIKI rekenmethode: € 50.000.000, is € 10.000.000 lager dan de toegekende subsidie

  • •

    Bedrag toegekende subsidie > (bod x gerealiseerde emissiereductie) > benodigde subsidie

  • •

    Claw-back mechanisme: 40% van de gerealiseerde efficiëntie is voor de onderneming, 40% x € 10.000.000 = € 4.000.000.

  • •

    Vast te stellen subsidie = benodigde subsidie + aandeel in de claw-back = € 50.000.000 + 4.000.000 = € 54.000.000.

  • •

    Controle: de subsidie-intensiteit daalt (tot € 54.000.000/1.100.000 ton CO2 = € 49,0/ton vermeden CO2). Dit is minder dan het bod, en daarom toegestaan.

Situatie 3

In deze situatie heeft de ondernemer net als in scenario 2 aanzienlijke besparingen gerealiseerd, maar is daarin iets minder succesvol. Wederom is de geraamde productie net niet behaald. Hij heeft daardoor niet de volledige CO2-emissiereductie van de aanvraag gerealiseerd.

Projectresultaat:

  • •

    Gerealiseerde emissiebesparing: 1.100.000 ton CO2. Bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie) = € 55.000.000.

  • •

    Benodigde subsidie berekend uit de NIKI rekenmethode: € 52.000.000, is € 8.000.000 lager dan de verleende subsidie

  • •

    Claw-back mechanisme: 40% van de gerealiseerde efficiëntie is voor de onderneming, 40% x € 8.000.000 = € 3.200.000. Benodigde subsidie + aandeel in de claw-back = € 52.000.000 + 3.200.000 = € 55.200.000

  • •

    Bedrag toegekende subsidie > benodigde subsidie + aandeel in de claw-back > (bod x gerealiseerde emissiereductie)

  • •

    Vast te stellen subsidie = (bod x gerealiseerde emissiereductie) = € 55.000.000. De subsidie-intensiteit is in dit scenario de beperkende factor, en blijft bij de subsidievaststelling gelijk aan het bod (hetgeen is toegestaan).

  • •

    Als de subsidie zou zijn vastgesteld onder verwerking van de volledige claw-back, dan zou de subsidie-intensiteit meer worden dan het bod (hetgeen niet is toegestaan).

Situatie 4

In deze situatie is de ondernemer erin geslaagd meer te produceren dan bij aanvraag werd verwacht, waardoor er ook meer CO2-emissie is bespaard. Helaas betaalt de markt minder voor het product dan werd verwacht, waardoor er meer subsidie nodig is om het rendement te realiseren waarop de aanvraag is gebaseerd. Er is daardoor geen werking van het claw-back mechanisme.

Projectresultaat:

  • •

    Gerealiseerde emissiebesparing: 1.300.000 ton CO2. Bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie) = € 65.000.000.

  • •

    Benodigde subsidie berekend uit de NIKI rekenmethode: € 62.000.000, is € 2.000.000 hoger dan de verleende subsidie

  • •

    Bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie) > benodigde subsidie > toegekende subsidie

  • •

    Vast te stellen subsidie = toegekende subsidie = € 60.000.000.

  • •

    Controle: de subsidie-intensiteit daalt (tot € 60.000.000/1.300.000 ton CO2 = € 46,1/ton vermeden CO2). Dit is minder dan het bod, en daarom toegestaan.

Situatie 5

De ondernemer heeft in deze situatie vooral te maken met tegenvallers. Hij is geconfronteerd met tegenvallers in de kosten van de productie en heeft daarom minder geproduceerd dan bij aanvraag werd verwacht. Er is hierdoor ook minder CO2 emissie bespaard. Door de toegenomen kosten en de grotere steun die nodig is, is er geen werking van het claw-back mechanisme.

Projectresultaat:

  • •

    Gerealiseerde emissiebesparing: 1.100.000 ton CO2. Bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie) = € 55.000.000.

  • •

    Benodigde subsidie berekend uit de NIKI rekenmethode: € 62.000.000, is € 2.000.000 hoger dan de verleende subsidie

  • •

    Benodigde subsidie > toegekende subsidie > bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie)

  • •

    Vast te stellen subsidie = (bod x gerealiseerde emissiereductie) = € 55.000.000. De subsidie-intensiteit is in dit scenario de beperkende factor, en blijft bij de subsidievaststelling gelijk aan het bod (hetgeen is toegestaan).

Situatie 6

In deze situatie is het omgekeerde gebeurd als in scenario 5. De ondernemer is ook nu geconfronteerd met tegenvallers in de kosten van de productie, maar hij heeft die kunnen compenseren met een hogere opbrengst door meer NIKI producten te verkopen dan bij aanvraag werd verwacht. Er is hierdoor ook meer CO2-emissie bespaard. Door de toegenomen kosten en de grotere steun die nodig is, is er geen werking van het claw-back mechanisme.

Projectresultaat:

  • •

    Gerealiseerde emissiebesparing: 1.300.000 ton CO2. Bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie) = € 65.000.000.

  • •

    Benodigde subsidie berekend uit de NIKI rekenmethode: € 70.000.000, is € 10.000.000 hoger dan de toegekende subsidie

  • •

    Benodigde subsidie > (bod x gerealiseerde emissiereductie) > toegekende subsidie

  • •

    Vast te stellen subsidie = toegekende subsidie = € 60.000.000.

  • •

    Controle: de subsidie-intensiteit daalt (tot € 60.000.000/1.300.000 ton CO2 = € 46,1/ton vermeden CO2). Dit is minder dan het bod, en daarom toegestaan.

Let wel: Er geldt een claw-back van 100% over andere subsidies op hetzelfde project of delen daarvan, die na toekenning van de NIKI-subsidie verkregen zijn. Indien nog niet de gehele NIKI-subsidie is uitgekeerd, wordt het bedrag van de verkregen andere subsidies voor hetzelfde project 100% gekort op de resterende NIKI subsidie. Op die manier vindt ook 100% verrekening plaats van verkregen (extra) EIA-voordelen ten opzichte van de al in de aanvraag verrekende voordelen.

Deze casussen illustreren de dynamiek tussen de toegekende subsidie, de benodigde subsidie, de gerealiseerde CO2 emissiebesparingen, en hoe het terugvorderingsmechanisme wordt toegepast in verschillende scenario’s om ervoor te zorgen dat de vast te stellen subsidie in lijn is met zowel de projectprestaties als de regelgeving.

Boven de rij van titel 4a.3 van artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 wordt een rij ingevoegd, luidende:

Titel 4.13: Nationale Investeringsmodule Klimaatprojecten Industrie (NIKI)

4.13.2

16-11-2026 t/m 16-12-2026

€ 250.000.000

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage,17 september 2026

De Minister van Klimaat en Groene Groei,

Toelichting

Deze regeling strekt tot wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies (hierna: RNES) en de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 (hierna: ROES 2026) in verband met een wijziging en openstelling van de subsidiemodule Nationale Investeringsmodule Klimaatprojecten Industrie (hierna: NIKI) in titel 4.13 van de RNES.

Aanleiding voor deze wijziging is de ervaring die is opgedaan met de toepassing van de subsidiemodule NIKI sinds de vorige openstelling daarvan. Deze ervaring heeft op een aantal punten aanleiding gegeven tot aanpassing van de regeling.

In de eerste plaats is gebleken dat een aantal bepalingen in de regeling onderling niet volledig consistent waren geformuleerd. Met deze wijziging worden deze bepalingen met elkaar in overeenstemming gebracht, zodat de regeling op een eenduidige en samenhangende wijze kan worden toegepast en uitgevoerd.

Voorts hebben verschillende artikelen in de praktijk tot vragen of interpretatieverschillen geleid. Deze artikelen zijn verduidelijkt, onder meer waar het gaat om de wijze waarop de Weighted Average Cost of Capital (hierna: WACC) dient te worden bepaald, zodat het voor aanvragers en de uitvoeringspraktijk beter inzichtelijk is aan welke eisen moet worden voldaan.

Ook is de regeling op onderdelen verruimd. Zo is de omschrijving van Thema 1 ‘Grootschalige proces-efficiëntie’ in bijlage 4.13.1 verbreed, zodat ook projecten die op andere wijze dan door energie-efficiëntie, elektrificatie of toepassing van waterstof direct bijdragen aan de vermindering van CO2-emissies in het productieproces, voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Ook de mogelijkheden voor de vaststelling van de beta ten behoeve van de WACC-berekening in bijlage 4.13.3 zijn verruimd, zodat aanvragers meer ruimte krijgen om aan te sluiten bij het risicoprofiel van hun project.

Ten slotte is van de gelegenheid gebruikgemaakt om de regeling beter te laten aansluiten bij de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (PbEU 2022, C 80/1) (hierna: CEEAG). Deze aansluiting draagt bij aan de rechtszekerheid voor aanvragers en aan een subsidiemodule die in lijn is met het Europese steunkader waarbinnen de NIKI wordt uitgevoerd.

In de kabinetsvisie basisindustrie 2050 werd de inzet op ‘flagship’ projecten voor het eerst aangekondigd, waarbij het kabinet aangeeft dat Nederland effectiever grote opschaling van industriële technieken moet kunnen ondersteunen. Specifiek gaat het om innovatieve technieken, grootschalig uit te rollen in de industrie, zoals voor groene chemie of elektrificatie. Voorts was in het coalitieakkoord van 15 december 2021 de doelstelling opgenomen dat Nederland in 2050 volledig klimaatneutraal moet zijn, wat in lijn is met het gelijkluidend streven van de Europese Unie.

De subsidiemodule NIKI richt zich specifiek op het ondersteunen van projecten in Nederland, waarbij een innovatieve technologie op commerciële schaal wordt toegepast en die leiden tot aanzienlijke CO2-emissiereductie. Via de NIKI komt hiermee subsidie beschikbaar voor technieken met een groot potentieel voor CO2-emissiereductie waarvan de opschaling niet binnen bestaande subsidieregelingen past. Op deze wijze is de NIKI aanvullend op de bestaande instrumenten en worden investeringen in de opschaling van belangrijke industriële klimaatprojecten aangemoedigd.

Zoals in de eerste paragraaf wordt benoemd, zijn er meerdere wijzigingen doorgevoerd. Deze wijzigingen omvatten met name technische wijzigingen en verduidelijkingen. Zo zijn er enkele taalkundige verbeteringen opgenomen en is er verduidelijkt welke gegevens nodig zijn om aan te tonen dat er geen sprake is van een onderneming in moeilijkheden. Verder bevat deze regeling enkele inhoudelijke wijzigingen, deze worden hieronder toegelicht.

Artikel 4.13.6, onderdeel k, subonderdeel 2°, wordt aangepast om de regeling aan te laten sluiten op de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van de CEEAG. De voorwaarde dat het project verder moet gaan dan de gevestigde commerciële praktijk die algemeen in de gehele Europese Unie en in alle technologieën wordt toegepast, vloeit voort uit hoofdstuk 4.4 van de CEEAG, dat ziet op de transitie naar een circulaire economie. Met deze wijziging geldt deze verplichting slechts voor projecten worden ingediend onder categorie B van bijlage I, onderdeel B: vervangen van primaire fossiele koolstof in de productketen. De voorwaarde vervalt hiermee voor aanvragen die worden ingediend onder categorie A: directe besparing van CO2-emissies in het productieproces, omdat deze verplichting voor die projecten niet wordt gesteld vanuit de CEEAG.

Verder wordt er een tweede lid toegevoegd aan deze bepaling. De afwijzingsgrond, genoemd in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (hierna: het Kaderbesluit), wordt hiermee buiten toepassing verklaard op de subsidiemodule NIKI. Hiermee wordt aangesloten bij de opzet van de subsidiemodule, waarbij het door de aanvrager ingediende bod leidend is en niet door de uitvoerder wordt bijgesteld. Het bod wordt beoordeeld op de haalbaarheid zoals dit is ingediend. De rangschikking van aanvragen vindt vervolgens plaats op basis van dat ingediende bod. De uitvoerder past het bod dus niet ambtshalve aan naar aanleiding van de haalbaarheidstoets. Het voorkomen van overstimulering wordt niet beoogd door bijstelling van individuele bedragen, maar door de tendersystematiek die aan de subsidiemodule NIKI ten grondslag ligt, waarbij aanvragen onderling worden vergeleken en gerangschikt op basis van het ingediende bod.

Er zijn twee wijzigingen doorgevoerd met betrekking tot artikel 4.13.8 van de RNES. Ten eerste is het eerste lid, onderdeel a, aangepast om beter aan te sluiten bij de verschillende mijlpalen en fases die de subsidiemodule hanteert. Onder de huidige bepaling werd niet expliciet voorzien in een controlerapportage na afloop van de investeringsfase. Met deze wijziging wordt na afloop van de investeringsactiviteiten een laatste controlerapportage over de investeringsfase opgevraagd, voorzien van een controleverklaring van een accountant over de gerealiseerde investeringen. Hiermee worden de definitieve cijfers en berekeningen voor die fase afgerond, en sluit de rapportageverplichting beter aan bij de opbouw van de investeringsactiviteiten in mijlpalen en fases zoals deze in de subsidiemodule zijn opgenomen.

Ten tweede is een achtste lid toegevoegd, op grond waarvan de subsidieontvanger de rapportages, bedoeld in het eerste lid, aanvult met een managementverklaring. Hiermee verklaart de subsidieontvanger dat de waarden in het projectplan en de bijbehorende bijlagen bij de NIKI-subsidieaanvraag – zowel financiële bedragen als de waarden die zijn gebruikt voor de input en berekening van de CO2-reductie, met uitzondering van de waarden die reeds in deze regeling zijn vastgelegd of die als variabele waarden gelden – overeenkomen met de waarden die de subsidieontvanger voor hetzelfde project in andere begrotingen hanteert. Met deze aanvullende verklaring wordt voorkomen dat aanvragers in hun NIKI-subsidieaanvraag andere waarden hanteren dan de waarden die zij voor hetzelfde project in andere, buiten de subsidieaanvraag gelegen situaties (zoals interne begrotingen) hanteren. Hiermee wordt de consistentie en betrouwbaarheid van de door de aanvrager aangeleverde gegevens geborgd.

In bijlage 4.13.1 is de omschrijving van thema 1 ‘Grootschalige proces-efficiëntie’ gewijzigd om ook projecten mogelijk te maken die leiden tot directe besparing van CO2-emissies in het productieproces anders dan door energie-efficiëntie.

In de praktijk is gebleken dat er ook projecten zijn die direct bijdragen aan de vermindering van CO2-emissies in het productieproces, maar die toe te wijden zijn aan een verbetering van de energie-efficiëntie. Dergelijke projecten konden onder de huidige, beperkte omschrijving van thema 1 niet worden gesubsidieerd, terwijl zij wel kunnen bijdragen aan de doelstelling van de subsidiemodule NIKI om de industrie te verduurzamen.

Om deze projecten alsnog voor subsidie in aanmerking te kunnen laten komen, is de omschrijving van thema 1 verbreed. Hiermee wordt de reikwijdte van thema 1 beter afgestemd op de diversiteit aan technologieën die kunnen bijdragen aan grootschalige proces-efficiëntie in de industrie, en wordt voorkomen dat kansrijke verduurzamingsprojecten buiten de subsidiemodule vallen.

Daarnaast is de eis toegevoegd dat categorie A alleen van toepassing is op projecten waarbij het referentieproduct fysiek identiek is aan het NIKI-product. Zo worden enkel productieprocessen voor hetzelfde product met elkaar vergeleken, waarbij de onderscheidende factor het productieproces zelf is en niet het feit dat er een ander product wordt gemaakt. Onder categorie B kunnen wel nog steeds projecten worden ingediend waarbij het NIKI-product anders is dan het referentieproduct.

In de NIKI CO2-emissiereductiemethode zijn diverse verduidelijkingen aangebracht en verbeteringen gedaan ten behoeve van de leesbaarheid. Er zijn ook enkele inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd. De bijlage is in zijn geheel opnieuw vastgesteld vanwege de vele kleine wijzigingen die deze verduidelijkingen vereisen.

De eis om een referentieproces op te stellen voor niet-fysiek identieke producten is vervallen, om de doorrekening te vereenvoudigen voor de aanvrager.

Daarnaast stelt de methode, zoals opgenomen in de bijlage onder 4.13.1, nu duidelijkere eisen aan het aantonen van functionele gelijkwaardigheid tussen het NIKI-product en het referentieproduct, zodat beter getoetst kan worden of het referentieproduct juist gekozen is.

Ten slotte zijn enkele rekenregels gewijzigd rondom rigide inputs, gerecyclede grondstoffen, biogene grondstoffen en de levenscyclusfase einde levensduur. Deze rekenregels zijn gewijzigd om een gelijke behandeling te waarborgen tussen gerecyclede en biogene grondstoffen en grondstoffen afkomstig uit Carbon Capture and Utilisation (CCU) of Direct Air Capture (DAC). Daarnaast is met deze wijziging verbranding met energieterugwinning de nieuwe standaardoptie voor de einde levensduur van materialen, in plaats van verbranding zonder energieterugwinning. Dit komt beter overeen met de praktijk. Doordat ook het rendement van energieterugwinning nu is voorgeschreven, zorgt dit ook voor een betere vergelijkbaarheid tussen aanvragen.

In de NIKI rekenmethode zijn de eisen rondom het opstellen van de WACC verduidelijkt. Waar de WACC bepaald moet worden op basis van de vermogensverhoudingen van de groep waarvan de aanvrager deel uitmaakt, is nu toegevoegd dat dit niet enkel geldt voor de vermogensverhoudingen, maar ook voor de kosten van de componenten eigen en vreemd vermogen. Hiervan kan worden afgeweken indien de activiteiten van de aanvrager verschillen van de activiteiten van de groep waarvan de aanvrager deel uitmaakt. Door deze aanvulling ligt de WACC van de aanvrager beter in lijn met de daadwerkelijke vermogenskosten van de groep waarvan de aanvrager deel uitmaakt, tenzij het afwijkende activiteitenprofiel van de aanvrager een andere benadering rechtvaardigt.

Daarnaast is verduidelijkt dat het in de aanvraag niet is toegestaan om parameters in de verplichte formule voor het berekenen van de WACC te vervangen of nieuwe parameters aan de formule toe te voegen, zoals het opnemen van een projectspecifiek risico-opslag. De formule voor de berekening van de WACC ligt vast in het NIKI-schema en dient door alle aanvragers op dezelfde wijze te worden toegepast, zodat de WACC van verschillende aanvragers op vergelijkbare wijze wordt vastgesteld en de uitkomsten onderling toetsbaar en vergelijkbaar blijven. Het toevoegen van aanvullende, niet in de formule voorziene parameters zou deze vergelijkbaarheid en de uniforme toepassing van het NIKI-schema ondermijnen, en is daarom uitgesloten.

Verder zijn de mogelijkheden voor de vaststelling van de beta, die als input dient voor de berekening van de WACC, verruimd. Hiervoor is gekozen om aanvragers de vrijheid te bieden om de beta te hanteren die zij, gelet op de aard en het risicoprofiel van hun project, het meest passend achten voor hun aanvraag. Deze verruiming laat onverlet dat, indien de aanvrager kiest voor de vaststelling van de beta op basis van een gemiddelde van vergelijkbare beursgenoteerde ondernemingen (optie 3), de daarbij behorende onderbouwing van toepassing blijft. Hiermee wordt enerzijds meer ruimte geboden aan aanvragers om aan te sluiten bij het voor hun project relevante risicoprofiel, en wordt anderzijds gewaarborgd dat een dergelijke keuze voldoende onderbouwd en controleerbaar is.

Voor overige (Europese) subsidies en fiscale voordelen (zoals de Energie-investeringsaftrek) blijft een een claw-back gelden van 100%. Er is verduidelijkt dat subsidies en fiscale voordelen die worden verkregen na toekenning van het NIKI-project, daarom niet kunnen leiden tot netto extra steun aan de aanvrager. De NIKI biedt immers al de mogelijkheid om 100% van de onrendabele top te vergoeden. Het toestaan van cumulatie met andere subsidies creëert enerzijds de ongewenste mogelijkheid dat een aanvrager meer subsidie krijgt dan 100% van de onrendabele top, en anderzijds ondermijnt dit de competitiviteit in de biedprocedure.

Ook deze bijlage is in zijn geheel opnieuw vastgesteld vanwege de vele kleine wijzigingen die de bovengenoemde wijzigingen vereisen.

De ROES 2026 wordt gewijzigd ten behoeve van de openstelling van de NIKI. Het betreft een bedrag van € 250.000.000 en wordt opengesteld voor de periode van 16 november tot en met 16 december 2026.

De paragrafen 4.1 en 4.4 van Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2022 (PbEU, 2022, C80/1) geven lidstaten de mogelijkheid steun voor de reductie en verwijdering van broeikasgasemissies en voor hulpbronnenefficiëntie en voor de transitie naar een circulaire economie te verlenen aan ondernemingen.

Overeenkomstig artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is deze regeling ter goedkeuring voorgelegd aan de Europese Commissie. Deze regeling wordt gerechtvaardigd door staatssteunmaatregel SA.103901 (2025/N). De onderhavige aanpassingen passen binnen deze staatssteunmaatregel.

De inhoudelijke aanpassing en openstelling van de NIKI hebben effecten op de regeldruk. Alle aanvragers van subsidie moeten een aanvraagformulier inclusief projectplan en projectbegroting indienen. Alle ontvangers van subsidie zijn daarna met de gebruikelijke taken belast, die onder meer terug te vinden zijn in de RNES en het Kaderbesluit. Er wordt niet afgeweken van de standaardbepalingen en standaardformulieren die zijn ingericht op minimale administratieve lasten. Zo hoeven er geen voorschotaanvragen te worden ingediend, omdat voorschotten automatisch worden uitgekeerd. Voor tussentijdse rapportages geldt een maximum van één rapportage per jaar conform het Kaderbesluit. De administratieve lasten, zoals het aanleveren van controleverklaringen bij de aanvraag om subsidievaststelling, komen voort uit het Kaderbesluit.

Voor de openstelling van de subsidiemodule NIKI worden in totaal circa 6 tot 8 aanvragen verwacht, waarvan naar verwachting voor circa twee tot vier aanvragen subsidie zal worden verleend. De administratieve lasten worden geschat op € 282.781. Dat is 0,11 procent van het totaal beschikbare subsidieplafond van € 250.000.000.

Aanvullend op de vorige openstelling is nu een managementverklaring vereist. Gezien de beperkte omvang van de verklaring wordt niet aangenomen dat hiermee de regeldruk toeneemt. Op andere delen van de regeling is de regeldruk verminderd door het hanteren van een ander (lichter) accountantsprotocol.

De regeling is ter toetsing voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het – met uitzondering van beperkte administratieve lasten – geen substantiële gevolgen voor de regeldruk heeft.

In de toelichting bij de subsidiemodule NIKI is aangekondigd dat deze module volgend jaar wordt geëvalueerd. De onderhavige wijziging loopt niet op deze evaluatie vooruit, maar betreft een aantal technische en tekstuele aanpassingen die voortvloeien uit de ervaring die inmiddels met de toepassing van de subsidiemodule is opgedaan. Deze aanpassingen hebben een beperkte impact en zijn met name gericht op het optimaliseren van de werking van de regeling bij aanvraag, beoordeling en beschikking, zoals het verduidelijken van bepalingen die in de praktijk tot interpretatieverschillen leidden en het beter laten aansluiten van de regeling op de geldende staatssteunkaders, waaronder de CEEAG.

Daarnaast zijn enkele aanvullende bepalingen opgenomen die zijn gericht op het verbeteren van de kwaliteit van de aanvragen en het verhogen van de betrouwbaarheid van de door aanvragers aangeleverde gegevens, zoals de verplichting tot het afleggen van een managementverklaring bij de rapportages, bedoeld in artikel 4.13.8 van de RNES.

De volgend jaar voorziene, bredere evaluatie van de subsidiemodule NIKI blijft ongewijzigd doorgang vinden. De onderhavige wijziging vooruitlopend daarop beperkt zich tot deze technische en tekstuele optimalisaties, en laat de aangekondigde evaluatie van de module als zodanig onverlet.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Met deze datum van inwerkingtreding wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van elk kwartaal in werking treden en minimaal twee maanden voordien worden bekendgemaakt. Dat kan in dit geval worden gerechtvaardigd doordat de doelgroep gebaat is bij spoedige inwerkingtreding.

De Minister van Klimaat en Groene Groei,

De volledige tekst hierboven is de officiële, gepubliceerde bekendmaking; de samenvatting bovenaan deze pagina is automatisch gegenereerd. Controleer voorwaarden, deadlines en subsidieplafonds altijd op de officiële pagina voordat u een aanvraag indient.