Terug naar de radar

Officiële Bekendmakingen (KOOP)

Subsidieregeling Onderzoek naar de journalistieke praktijk: open aanvraag 2026–2027

Open

Stimuleringsfonds voor de journalistiek

Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek stelt een subsidieregeling vast voor (wetenschappelijk) onderzoek naar de journalistieke praktijk, uitgevoerd door een onderzoeksteam in samenwerking met ten minste twee journalistieke titels. Subsidie kan worden aangevraagd in drie perioden in 2026 en 2027. Doelgroep: In Nederland gevestigde onderzoeksinstellingen en in België gevestigde buitenlandse onderzoeksinstellingen die onderzoek doen ten behoeve van de journalistieke sector. Subsidieplafond: 450.000 euro totaal,

Volledige officiële tekst

Besluit van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek van 17 juni 2026, nr. OA2627, tot vaststelling van een subsidieregeling Onderzoek naar de journalistieke praktijk: open aanvraag 2026–2027Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek,Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en WetenschapGelet op de artikelen 8.3 en 8.15a van de Mediawet 2008;

besluit:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

a)Buitenlandse onderzoeksinstelling:

een publieke of private onderwijsinstelling, (commercieel) onderzoeksbureau, organisatieadviesbureau, collectief van zelfstandige onderzoekers of non-profitorganisatie met een ANBI-status of een daarmee vergelijkbare fiscale of maatschappelijke status naar het recht van het land van vestiging, met als (hoofd)activiteit het uitvoeren van (wetenschappelijk) onderzoek, die is gevestigd in België en staat ingeschreven in het handelsregister of een daarmee vergelijkbaar register van het land van vestiging.

b)Europees Nederland:

het grondgebied van Nederland, met uitzondering van de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.

c)Journalistiek handelen:

het vergaren, verwerken en verspreiden van informatie en nieuws, waarbij:

  • i.

    het gaat om onafhankelijk tot stand gekomen berichtgeving die bestemd is voor alle geledingen binnen de samenleving en die bestaat uit originele, eigen content die niet machine-gegenereerd is;

  • ii.

    gestreefd wordt naar zo accuraat en evenwichtig mogelijke berichtgeving; en

  • iii.

    verantwoording wordt afgelegd en transparant wordt gehandeld en waarbij de afzender van de content duidelijk wordt gemaakt.

d)Journalistiek onderzoek:

een onderzoek, waarvan de onderliggende probleemstelling betrekking moet hebben op ten minste twee journalistieke titels.

e)Journalistieke organisatie:

een private of publieke organisatie met als (hoofd)activiteit het produceren van een of meerdere journalistieke titels waarbij;

  • i.

    de activiteiten gericht zijn op de Nederlandse markt;

  • ii.

    deze gevestigd is in Nederland; en

  • iii.

    deze staat ingeschreven in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel.

f)Journalistieke titel:

een op zichzelf staand nieuwsmerk van een journalistieke organisatie waarbij:

  • i.

    het product of de dienst gericht is op het Nederlandse publiek;

  • ii.

    minimaal 25 procent van het product of de dienst tot stand is gekomen op basis van journalistiek handelen; en

  • iii.

    de publicatiefrequentie minimaal een keer per twee weken is en daarmee sprake is van een journalistieke titel waartoe burgers zich met een vaste regelmaat kunnen wenden.

g)Onderzoeksinstelling:

een publieke of private onderwijsinstelling, (commercieel) onderzoeksbureau, organisatieadviesbureau, collectief van zelfstandige onderzoekers of NGO met een ANBI-status, met als (hoofd)activiteit het uitvoeren van (wetenschappelijk) onderzoek en die staat ingeschreven in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel.

h)Onderzoeksteam:

de groep personen die onder verantwoordelijkheid van de onderzoeksinstelling het onderzoek uitvoert waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Tot het onderzoeksteam behoren zowel medewerkers van de onderzoeksinstelling als derden die door de onderzoeksinstelling zijn ingehuurd of anderszins betrokken zijn bij de uitvoering van het onderzoek.

i)Stimuleringsfonds:

het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek, bedoeld in artikel 8.2 van de Mediawet 2008.

Artikel 1.2 Doel van de subsidie

Het Stimuleringsfonds kan subsidie verstrekken voor het uitvoeren van (wetenschappelijk) onderzoek ten behoeve van de journalistieke bedrijfstak als geheel. Subsidieverstrekking op grond van deze regeling heeft specifiek tot doel het stimuleren van onderzoek dat, in samenwerking met journalistieke titels, betrekking heeft op de dagelijkse praktijk van journalistieke organisaties.

Artikel 1.3 Subsidiabele activiteiten en subsidieperiode

1.

Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van een journalistiek onderzoek dat:

  • a)

    wordt uitgevoerd door een onderzoeksteam, bestaande uit tenminste twee personen met een aantoonbare onderzoeksachtergrond;

  • b)

    minimaal zes en maximaal twaalf maanden duurt; en

  • c)

    aantoonbaar wordt uitgevoerd in inhoudelijke samenwerking met ten minste twee bij het onderzoek betrokken journalistieke titels.

2.

Een onderzoek waarvoor subsidie wordt verstrekt, mag niet zijn aangevangen voordat op de subsidieaanvraag is beslist en moet binnen drie maanden worden aangevangen na bekendmaking van het besluit tot subsidieverlening.

Artikel 1.4 Subsidieplafond en deelplafonds

1.

Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is in totaal 450.000 euro beschikbaar, waarvan:

  • a)

    150.000 euro beschikbaar is voor aanvragen die worden ingediend in de periode 1 september 2026 tot en met 9 november 2026;

  • b)

    150.000 euro beschikbaar is voor aanvragen die worden ingediend in de periode 1 april 2027 tot en met 9 juni 2027;

  • c)

    150.000 euro beschikbaar is voor aanvragen die worden ingediend in de periode 1 september 2027 tot en met 9 november 2027.

2.

Als het deelplafond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b niet wordt overschreden, kan het Stimuleringsfonds met de resterende middelen het andere deelplafond verhogen.

3.

Het Stimuleringsfonds kan besluiten het subsidieplafond te verhogen. Het besluit tot het verhogen van het subsidieplafond wordt bekendgemaakt door publicatie in de Staatscourant.

Artikel 1.5 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

1.

Voor subsidie komen uitsluitend de in het vierde lid genoemde kosten in aanmerking, die in rechtstreeks verband staan tot de subsidiabele activiteiten en waarvan in redelijkheid mag worden aangenomen dat deze noodzakelijk zijn om de activiteiten te kunnen uitvoeren.

2.

Kosten zijn uitsluitend subsidiabel indien deze na subsidieverlening door de subsidieontvanger zijn gemaakt en betaald.

3.

Niet subsidiabel zijn kosten die reeds uit anderen hoofde zijn of worden gefinancierd.

4.

Op grond van deze regeling kan uitsluitend subsidie worden verstrekt voor de volgende kosten, inclusief btw:

  • a)

    Gewerkte uren van de bij het onderzoek betrokken personen, voor de onderstaande werkzaamheden:

    • i.

      het verrichten van activiteiten ten behoeve van de uitvoering van het onderzoek;

    • ii.

      projectcoördinatie en -administratie van het onderzoek.

  • b)

    Overige onderzoekskosten, voor zover noodzakelijk voor het onderzoek, tot maximaal 10 procent van het aangevraagde subsidiebedrag:

    • i.

      reis- en verblijfskosten die noodzakelijk zijn voor de deelname aan bijeenkomsten, presentaties, workshops of andere activiteiten die gericht zijn op het delen, bespreken of toepassen van de onderzoeksresultaten binnen de journalistieke sector;

    • ii.

      inhuur- of inkoopkosten voor hulpmiddelen of ondersteunende dienstverlening, voor zover noodzakelijk voor het verrichten van kwantitatief of kwalitatief onderzoek;

    • iii.

      een vergoeding voor de inzet van bij het onderzoek betrokken journalistieke titels.

5.

Voor kosten als bedoeld in het vierde lid, onder a, gelden marktconforme uurtarieven tot ten hoogste de onderstaande subsidiabele bovengrenzen, inclusief btw:

  • a)

    Student-onderzoeker of onderzoeksassistent: maximaal 45 euro per uur;

  • b)

    Junior onderzoeker: maximaal 95 euro per uur;

  • c)

    Medior onderzoeker: maximaal 120 euro per uur;

  • d)

    Senior onderzoeker of lead-onderzoeker: maximaal 150 euro per uur;

  • e)

    Overig personeel belast met projectcoördinatie en -administratie: maximaal 115 euro per uur.

6.

Verschuldigde btw komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking ingeval de aanvrager de btw niet kan verrekenen met de door de aanvrager af te dragen omzetbelasting.

7.

De subsidiabele kosten worden door de aanvrager berekend volgens door het Stimuleringsfonds vastgestelde instructies.

HOOFDSTUK 2 AANVRAAG TOT SUBSIDIEVERLENING

Artikel 2.1 Subsidieaanvrager

1.

Subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door een onderzoeksinstelling als bedoeld in artikel 1.1, onder e of een buitenlandse onderzoeksinstelling, als bedoeld in artikel 1.1, onder a.

2.

Een buitenlandse onderzoeksinstelling komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij middels een door haar ondertekende verklaring aantoont dat de activiteiten waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft uitsluitend zijn gericht op de journalistieke sector in Europees Nederland.

Artikel 2.2 Subsidieaanvraag

1.

Een aanvraag wordt uitsluitend ingediend door het invullen en ondertekenen van een door het Stimuleringsfonds vastgesteld aanvraagformulier op de website van het Stimuleringsfonds, volgens de daarbij vermelde instructies, en omvat in ieder geval:

  • a)

    een onderzoeksopzet, bestaande uit de volgende onderdelen:

    • i.

      de aanleiding van het onderzoek;

    • ii.

      de probleemstelling van het onderzoek;

    • iii.

      de onderzoeksvraag of onderzoeksvragen;

    • iv.

      een beschrijving van de onderzoeksmethode; en

    • v.

      een omschrijving van de op te leveren resultaten.

  • b)

    een plan van aanpak voor de uitvoering van het onderzoek;

  • c)

    KVK-nummer van de aanvrager(s);

  • d)

    cv’s van de bij het onderzoek betrokken personen;

  • e)

    een gespecificeerde en realistische begroting van de met de voorgenomen activiteiten verband houdende kosten;

  • f)

    het rapport of verslag van een door de onderzoeksinstelling eerder uitgevoerd onderzoek, dat ten hoogste drie jaar oud is en aantoont dat deze bekend is met de in de onderzoeksopzet omschreven problematiek binnen de journalistieke bedrijfstak en/of dat deze over ervaring beschikt met het toepassen van de voorgestelde onderzoeksmethoden.

  • g)

    een individuele onderbouwing van elk van de bij het onderzoek betrokken journalistieke titels afzonderlijk. De onderbouwing moet uit onderstaande onderdelen bestaan:

    • i.

      een beschrijving van de relevantie en urgentie van het te onderzoeken thema voor de individuele journalistieke praktijk, waaruit onverbloemd een directe relatie spreekt met de probleemstelling uit de onderzoeksopzet;

    • ii.

      concrete voorstellen voor het reflecteren op de onderzoeksresultaten binnen individuele journalistieke praktijk die tot uitdrukking komen binnen de ingediende planning en begroting; en

    • iii.

      concrete voorstellen voor het aanwenden van onderzoeksresultaten binnen de individuele journalistieke praktijk die tot uitdrukking komen binnen de ingediende planning en begroting.

  • h)

    documenten waaruit blijkt dat het uitvoeren van onderzoek behoort tot de doelstelling of feitelijke werkzaamheden van de onderzoeksinstelling. Indien de onderzoeksinstelling beschikt over statuten, worden deze overgelegd. Indien de onderzoeksinstelling niet beschikt over statuten, toont zij dit op andere wijze aan;

  • i)

    Indien de aanvraag wordt ingediend door een buitenlandse onderzoeksinstelling:

    • i.

      een door de onderzoeksinstelling ondertekende verklaring waaruit blijkt dat de activiteiten waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft uitsluitend zijn gericht op de journalistieke sector in Europees Nederland.

    • ii.

      een uittreksel uit het handelsregister of een daarmee vergelijkbaar register van het land van vestiging dat op het moment van indiening van de aanvraag niet ouder is dan zes maanden.

2.

De begroting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt opgesteld conform de modelbegroting zoals die is vastgesteld door het Stimuleringsfonds.

3.

De onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, wordt opgesteld conform het format zoals die is vastgesteld door het Stimuleringsfonds.

4.

Een aanvraag wordt alleen in behandeling genomen als deze volledig is en in een in Nederland erkende taal is opgesteld. Het Stimuleringsfonds beoordeelt binnen een week na indiening van de aanvraag de volledigheid daarvan. Over eventuele ontbrekende gegevens krijgt de aanvrager bericht, met de uitnodiging om deze alsnog binnen één week aan te leveren. Blijft tijdige en volledige aanlevering van de gegevens uit, dan wordt de betreffende aanvraag buiten behandeling gesteld.

Artikel 2.3 Aanvraagtermijn

1.

Een aanvraag kan worden ingediend in de volgende perioden:

  • a)

    1 september 2026 tot 9 november 2026 23.59 uur;

  • b)

    1 april 2027 tot 9 juni 2027 23.59 uur;

  • c)

    1 september 2027 tot 9 november 2027 23.59 uur.

2.

Een onderzoeksinstelling of een buitenlandse onderzoeksinstelling kan per in het eerste lid genoemde periode maximaal één aanvraag indienen.

3.

Indien een aanvraag is afgewezen, is herindiening slechts toegestaan als de nieuwe aanvraag aantoonbaar wijzigingen bevat waarmee tegemoet wordt gekomen aan de gronden waarop de oorspronkelijke aanvraag is afgewezen.

HOOFDSTUK 3 SUBSIDIEVERLENING

Artikel 3.1 Verdeling subsidie

Het beschikbare subsidiebedrag wordt verdeeld op basis van een rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.2 Drempelcriteria

1.

Een aanvraag tot subsidieverlening wordt door het Stimuleringsfonds eerst beoordeeld aan de hand van de volgende drempelcriteria:

  • a)

    het onderzoek wordt uitgevoerd in samenwerking met ten minste twee journalistieke titels, waarbij per journalistieke titel een individuele onderbouwing als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder g, wordt overgelegd; en

  • b)

    alle voorgestelde onderdelen van het onderzoek zijn uitvoerbaar binnen de maximale termijn, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onderdeel b.

2.

Voldoet een aanvraag niet aan de drempelcriteria dan wijst het Stimuleringsfonds de aanvraag af.

Artikel 3.3 Inhoudelijke criteria

Alleen indien voldaan is aan alle drempelcriteria, wordt een aanvraag tot subsidieverlening aansluitend door het Stimuleringsfonds beoordeeld aan de hand van de volgende inhoudelijke criteria:

  • a)

    relevantie en urgentie van het onderzoek: het onderzoek adresseert een relevant en urgent thema of onderwerp, afkomstig uit de journalistieke bedrijfstak;

  • b)

    onderzoeksvraag en -methode(n): de centrale onderzoeksvraag is duidelijk geformuleerd, de onderzoeksmethode(n) is (zijn) geschikt om het thema of onderwerp te onderzoeken en de uitvoering van het onderzoek is haalbaar;

  • c)

    teamsamenstelling: het onderzoeksteam beschikt over de benodigde kennis, ervaring en competenties, die nodig zijn bij de voorgestelde onderzoeksmethode(n);

  • d)

    onderzoeksresultaten: de resultaten zijn direct inzetbaar in de journalistieke praktijk.

Artikel 3.4 Beoordeling inhoudelijke criteria

1.

Bij beoordeling op de inhoudelijke criteria wordt het oordeel door het Stimuleringsfonds vertaald in een waardering per criterium. Hierbij wordt gewerkt met een systeem waarin deze waardering wordt omgezet in een cijfer. Zowel de waardering als het cijfer staan op zichzelf, aanvragen worden niet direct met elkaar vergeleken.

2.

Het Stimuleringsfonds komt voor iedere aanvraag per criterium tot een gemotiveerde score volgens een vijfpuntenschaal: 1. onvoldoende, 2. matig, 3. voldoende, 4. goed, 5. zeer goed.

3.

De scores per criterium worden bij elkaar opgeteld en vormen zo de totaalscore van de aanvraag.

4.

Per aanvraagperiode als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, wordt een afzonderlijke rangschikking gemaakt. De rangschikking wordt bepaald door het totaal aantal punten dat wordt behaald.

5.

Om voor rangschikking in aanmerking te komen, dient een aanvraag op ieder afzonderlijk beoordelingscriterium ten minste 3 punten te behalen. Aanvragen die op één of meer beoordelingscriteria 1 of 2 punten behalen, worden niet gerangschikt en worden afgewezen.

6.

Indien het totaalbedrag van de in aanmerking komende aanvragen het deelplafond overschrijdt, wordt het budget als volgt verdeeld:

  • a)

    de aanvraag die de meeste punten scoort volgens de rangschikking als genoemd in het vijfde lid, wordt als eerste gehonoreerd;

  • b)

    telkens wordt de daaropvolgende aanvraag die de meeste punten scoort, als eerste gehonoreerd;

  • c)

    indien meerdere aanvragen dezelfde score hebben gehaald en honorering van deze aanvragen tot overschrijding van het subsidieplafond zou leiden, dan worden deze gelijk geëindigde aanvragen als volgt gerangschikt:

    • i.

      De alsdan gelijk beoordeelde aanvragen op basis van de toegekende score op het criterium ‘onderzoeksvraag en -methode(n)’;

    • ii.

      De alsdan gelijk beoordeelde aanvragen op basis van de toegekende score op het criterium 'onderzoeksresultaten’;

    • iii.

      De alsdan gelijk beoordeelde aanvragen op basis van de toegekende score op het criterium ‘relevantie en urgentie van het onderzoek’;

    • iv.

      De alsdan gelijk beoordeelde aanvragen op basis van de toegekende score op het criterium ‘teamsamenstelling’;

    • v.

      De alsdan gelijk beoordeelde aanvragen op basis van loting door een notaris.

7.

Wanneer door de verstrekking van de subsidie het subsidieplafond of deelplafond zou worden overschreden, wordt de aanvraag voor subsidie afgewezen.

Artikel 3.5 Besluit

Het Stimuleringsfonds beslist binnen uiterlijk 12 weken na sluiting van de desbetreffende aanvraagperiode zoals bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, op de aanvragen.

Artikel 3.6 Subsidiebedrag

Het minimaal te verstrekken subsidiebedrag per aanvraag is 25.000 euro, het maximaal te verstrekken subsidiebedrag is 75.000 euro.

Artikel 3.7 Betaling

Bij de subsidieverlening wordt het verleende subsidiebedrag in twee termijnen betaald, waarbij:

  • a)

    50 procent van het verleende subsidiebedrag bij wijze van voorschot direct na de subsidieverlening wordt betaald;

  • b)

    het restant na vaststelling van de subsidie wordt betaald.

HOOFDSTUK 4 VERPLICHTINGEN

Artikel 4.1 Medewerkings- en informatieplicht

1.

De subsidieontvanger is verplicht de activiteiten uit te voeren overeenkomstig de omschrijving van de activiteiten die in de beschikking tot subsidieverlening is gegeven.

2.

De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens het Stimuleringsfonds ingestelde onderzoeken, bijeenkomsten en overlegrondes die erop gericht zijn het Stimuleringsfonds inlichtingen te verschaffen over de voortgang en staat van projecten alsmede ten behoeve van de ontwikkeling van het door of namens het Stimuleringsfonds te voeren beleid.

3.

De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het Stimuleringsfonds van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie, waaronder ingrijpende wijzigingen in de opzet, uitvoering en deelnemers van een project. Daarbij worden de relevante stukken overlegd.

4.

De subsidieontvanger werkt mee aan overleg over en presentatie en publicatie van (tussentijdse) resultaten van de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten, met als doel het onderzoek onder de aandacht te brengen en kennis te delen met andere partijen uit de sector. De subsidieontvanger dient zich ervan bewust te zijn, dat de onderzoeksresultaten onder geen beding exclusief zijn, maar bij uitstek te gunste moeten komen van de gehele sector.

5.

De subsidieontvanger vermeldt in zijn bekendmakingen en publicaties rondom een gesubsidieerd project het Stimuleringsfonds als subsidieverstrekker.

Artikel 4.2 Publicatieafspraken

De subsidieontvanger verleent het Stimuleringsfonds een alomvattend, eeuwigdurend, wereldwijd, niet-opzegbaar, niet-exclusief, onherroepelijk, ongelimiteerd recht op verveelvoudiging en openbaarmaking van het onderzoeksrapport (waaronder ook begrepen: tussentijdse versies daarvan en door het Stimuleringsfonds op te stellen samenvattingen van het onderzoeksrapport), inclusief het recht om derden (naar eigen inzicht van Stimuleringsfonds; om niet dan wel tegen betaling,) sub-licenties te verlenen.

HOOFDSTUK 5 SUBSIDIEVASTSTELLING

Artikel 5.1 Aanvraag tot vaststelling

1.

Een aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend uiterlijk twee maanden na afloop van de periode, bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, van deze regeling, dan wel zo veel eerder als dat het onderzoek is afgerond. Dit geschiedt door het invullen en ondertekenen van een door het Stimuleringsfonds vastgesteld aanvraagformulier op de website van het Stimuleringsfonds.

2.

Een aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van:

  • a)

    een onderzoeksrapport;

  • b)

    een activiteitenverslag;

  • c)

    een financiële verantwoording; en

  • d)

    afzonderlijke reflectieverslagen van de bij het onderzoek betrokken journalistieke titels.

Artikel 5.2 Onderzoeksrapport, activiteitenverslag, financieel verslag en reflectieverslag

1.

Het onderzoeksrapport moet voldoen aan de volgende inhoudelijke eisen:

  • a)

    volledigheid: het rapport bevat een integrale weergave van de onderzoeksresultaten, inclusief de uiteindelijke conclusies en aanbevelingen, zoals bedoeld in de goedgekeurde aanvraag.

  • b)

    journalistieke toepasbaarheid: het rapport is zodanig opgesteld dat de resultaten direct inzetbaar zijn voor journalistieke praktijk, conform het criterium 'onderzoeksresultaten' uit artikel 3.4.

  • c)

    methodologie: het rapport beschrijft kort de gevolgde onderzoeksmethode en eventuele afwijkingen daarvan ten opzichte van het aanvraagdossier, met een onderbouwing van de keuzes.

  • d)

    openheid: het rapport is geschreven in heldere, toegankelijke Nederlandse taal, zodat het niet alleen voor experts, maar ook voor het brede publiek en de journalistieke sector begrijpelijk is.

2.

Het activiteitenverslag bevat in ieder geval:

  • a)

    een overzicht van de verrichte activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt;

  • b)

    een toelichting waar de gerealiseerde uren aan besteed zijn.

3.

De financiële verantwoording bevat een overzicht van de gerealiseerde uren en kosten ten opzichte van de in de subsidieaanvraag begrote uren en kosten. De aan dit overzicht ten grondslag liggende urenadministratie dient te zijn afgetekend en geaccordeerd door een daartoe bevoegd functionaris.

4.

De afzonderlijke reflectieverslagen bevatten een reflectie op de onderzoeksresultaten van de bij het onderzoek betrokken journalistieke titels.

5.

Het activiteitenverslag, de financiële verantwoording en de reflectieverslagen worden opgesteld volgens een door het Stimuleringsfonds vast te stellen format.

6.

Het Stimuleringsfonds kan nadere verplichtingen opleggen in verband met de inrichting van de financiële verantwoording en de reflectieverslagen.

Artikel 5.3 Wijziging, intrekking en terugvordering

De artikelen 4:48 tot en met 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van subsidies op grond van deze regeling.

HOOFDSTUK 6 SLOTBEPALINGEN

Artikel 6.1 Begrotingsvoorbehoud

Subsidie wordt verleend onder voorbehoud van verstrekking van de bijbehorende middelen door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 6.2 Inwerkingtreding

1.

Deze regeling treedt in werking op 1 september 2026.

2.

Als de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 september 2026, treedt deze regeling in afwijking van het eerste lid in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 september 2026.

3.

Deze regeling vervalt met ingang van 31 december 2027. In afwijking van de eerste volzin blijft deze regeling zoals hij luidde op de dag voorafgaand aan de datum met ingang waarvan deze regeling vervalt, van toepassing op de afwikkeling van op grond van deze regeling ingediende aanvragen en verleende subsidies.

Artikel 6.3 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als Onderzoeksregeling 2026–2027.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Het bestuur van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek,

Voorzitter a.i.

Toelichting

Deze regeling is bestemd voor subsidieaanvragen gericht op (wetenschappelijk) onderzoek in het belang van de journalistieke bedrijfstak in Nederland. Het onderzoek dient op middellange termijn, binnen een periode van maximaal één jaar, een actuele kennisbehoefte of kennislacune te vervullen.

Aanvragen kunnen in drie afzonderlijke aanvraagperioden worden ingediend. De aanvrager bepaalt zelf het te onderzoeken thema of onderwerp, de onderzoeksvraag en de toe te passen onderzoeksmethode.

De regeling heeft tot doel onderzoek te stimuleren dat aansluit bij actuele vraagstukken binnen de journalistieke praktijk en waarvan de resultaten direct toepasbaar zijn binnen journalistieke organisaties. Daarom dient het onderzoek aantoonbaar te worden uitgevoerd in inhoudelijke samenwerking met ten minste twee journalistieke titels.

Van inhoudelijke samenwerking is sprake wanneer journalistieke titels actief betrokken zijn bij de totstandkoming, uitvoering en benutting van het onderzoek. Het onderzoek dient voort te komen uit een concrete kennisbehoefte of kennislacune binnen de journalistieke bedrijfstak. Uit de aanvraag moet blijken dat de betrokken journalistieke titels een eigen belang hebben bij het onderzoek en dat er een directe relatie bestaat tussen de probleemstelling van het onderzoek en de dagelijkse praktijk van deze titels.

De betrokken journalistieke titels worden geacht gedurende het onderzoek actief deel te nemen aan reflectiemomenten over de voortgang en resultaten van het onderzoek. Daarnaast dient vooraf te worden nagedacht over de wijze waarop de onderzoeksresultaten binnen de betrokken journalistieke organisaties kunnen worden besproken, gedeeld en toegepast. Om die reden wordt van iedere betrokken journalistieke titel afzonderlijk een onderbouwing gevraagd van de relevantie en urgentie van het onderzoek voor de eigen praktijk, alsmede van de wijze waarop op de onderzoeksresultaten zal worden gereflecteerd en hoe deze binnen de organisatie zullen worden benut.

Van inhoudelijke samenwerking is geen sprake indien de betrokkenheid van journalistieke titels beperkt blijft tot het uitspreken van steun voor een onderzoeksvoorstel, het beschikbaar stellen van informatie of het uitsluitend fungeren als afnemer van de onderzoeksresultaten.

Met de definitie van buitenlandse onderzoeksinstelling wordt beoogd onderzoeksinstellingen uit België toegang te bieden tot de regeling. Omdat deze instellingen niet staan ingeschreven in het Nederlandse Handelsregister, geldt als vereiste dat zij zijn ingeschreven in een daarmee vergelijkbaar register in het land van vestiging. Daarnaast dienen zij te voldoen aan dezelfde inhoudelijke eisen als Nederlandse onderzoeksinstellingen. Voor buitenlandse onderzoeksinstellingen geldt bovendien dat zij uitsluitend voor subsidie in aanmerking komen indien het onderzoek waarop de aanvraag betrekking heeft is gericht op de journalistieke sector in Europees Nederland.

De definitie van journalistiek handelen is gebaseerd op algemeen aanvaarde journalistieke kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, waarheidsvinding, transparantie en publieke verantwoording. Bij de formulering van deze definitie is aansluiting gezocht bij bestaande wetenschappelijke inzichten en journalistieke normen en richtlijnen. Daarbij is onder meer gebruikgemaakt van de volgende bronnen:

  • •

    Ivor Shapiro, Why Democracies Need a Functional Definition of Journalism Now More Than Ever, Journalism Studies, jaargang 15, nr. 5 (2014), p. 555–565;

  • •

    Raad voor de Journalistiek, Leidraad voor de Raad voor de Journalistiek (2021);

  • •

    Nederlandse Publieke Omroep (NPO), Scherp Stellen: Genrebeleidsplan NPO (2022);

  • •

    Barbie Zelizer, Why Journalism Is About More Than Digital Technology, Digital Journalism, jaargang 7, nr. 3 (2019), p. 343–350.

De definitie beoogt recht te doen aan de maatschappelijke functie van journalistiek en biedt ruimte aan verschillende verschijningsvormen van journalistieke productie, mits wordt voldaan aan de in de regeling opgenomen kenmerken van journalistiek handelen.

De begrippen journalistieke organisatie en journalistieke titel vormen de basis voor de afbakening van de doelgroep van deze regeling. Het Stimuleringsfonds kiest bewust voor een functionele benadering, waarbij niet uitsluitend wordt gekeken naar de juridische vorm van een organisatie, maar ook naar de aard van de activiteiten en de journalistieke producten die worden aangeboden.

Het vereiste dat ten minste 25 procent van een journalistieke titel bestaat uit content die tot stand is gekomen door journalistiek handelen, heeft tot doel organisaties uit te sluiten waarvan journalistieke activiteiten slechts een ondergeschikt onderdeel vormen van de totale dienstverlening.

Het Stimuleringsfonds maakt binnen de journalistieke bedrijfstak in ieder geval onderscheid tussen de volgende soorten journalistieke titels:

  • •

    landelijke, regionale of lokale nieuwswebsites;

  • •

    landelijke of regionale dagbladen;

  • •

    opiniebladen;

  • •

    (betaalde) lokale nieuwsbladen;

  • •

    (gratis) huis-aan-huisbladen;

  • •

    landelijke, regionale en lokale publieke media-instellingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008;

  • •

    landelijke of niet-landelijke commerciële media-instellingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008;

  • •

    (zelfstandige) onderzoeksredacties;

  • •

    persbureaus;

  • •

    periodieke publicaties die per aflevering bestaan uit een bundeling van artikelen, zoals tijdschriften, weekbladen en maandbladen.

Deze opsomming is niet limitatief.

De regeling staat open voor een brede groep onderzoeksinstellingen. Doorslaggevend is dat het uitvoeren van (wetenschappelijk) onderzoek behoort tot de hoofdactiviteiten van de organisatie. Om dit vast te kunnen stellen wordt bij de aanvraag informatie verlangd waaruit blijkt dat onderzoek onderdeel uitmaakt van de doelstelling of feitelijke werkzaamheden van de organisatie.

De ‘aantoonbare onderzoeksachtergrond’ van de aanvragers hangt samen met de gekozen onderzoeksmethode(n) en wordt vastgesteld op basis van de cv’s van de bij het onderzoek betrokken personen. Onder de uitvoering van een onderzoek wordt zowel het verrichten van onderzoekswerkzaamheden verstaan, als ook het vervaardigen van een onderzoeksrapport.

Onder reis- en verblijfskosten als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, onderdeel b, onder i, worden uitsluitend kosten verstaan die rechtstreeks verband houden met activiteiten gericht op het delen, bespreken of toepassen van onderzoeksresultaten binnen de journalistieke sector. Hieronder kunnen onder meer worden begrepen kosten voor openbaar vervoer, kilometervergoedingen, hotelovernachtingen en overige noodzakelijke verblijfskosten die worden gemaakt ten behoeve van bijeenkomsten, presentaties, workshops of andere activiteiten gericht op kennisdeling.

Reiskosten komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking op basis van de daadwerkelijk gemaakte kosten voor reizen per openbaar vervoer in de tweede klasse of op basis van een vaste vergoeding van 0,23 euro per kilometer voor reizen met eigen vervoer.

Hieronder worden mede verstaan kosten voor hulpmiddelen of ondersteunende dienstverlening die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het onderzoek, zoals toegang tot onderzoekspanels, software voor onderzoeksdoeleinden, organisatiekosten voor werk- en reflectiesessies, productiekosten van (publieksversies van) onderzoeksresultaten en codeerwerkzaamheden.

Juridische kosten en kosten voor hardware zoals computers, microfoons en camera’s komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking.

Het vijfde lid bevat maximale subsidiabele uurtarieven voor personen die werkzaamheden verrichten ten behoeve van het onderzoek. De genoemde tarieven gelden als bovengrens voor subsidie en dienen marktconform en redelijk te zijn in verhouding tot de aard van de werkzaamheden, de deskundigheid van de betrokken persoon en de omvang van het onderzoek.

Bij de beoordeling van de subsidiabiliteit van personeelskosten wordt uitgegaan van de rol en verantwoordelijkheid van de betrokken onderzoeker binnen het onderzoeksproject.

Onder de onderscheiden categorieën wordt in ieder geval verstaan:

•Student-onderzoeker of onderzoeksassistent:

een persoon die ondersteunende onderzoekswerkzaamheden verricht onder inhoudelijke begeleiding van een (senior) onderzoeker;

•Junior onderzoeker:

een onderzoeker die afgebakende onderzoekswerkzaamheden uitvoert onder inhoudelijke aansturing;

•Medior onderzoeker:

een onderzoeker die zelfstandig onderzoekswerkzaamheden uitvoert en medeverantwoordelijkheid draagt voor methodologie en uitvoering;

•Senior onderzoeker of lead-onderzoeker:

een onderzoeker die eindverantwoordelijkheid draagt voor de onderzoeksopzet, methodologische kwaliteit en inhoudelijke aansturing van het onderzoeksteam.

Het Stimuleringsfonds kan verzoeken om een nadere onderbouwing van de gehanteerde uurtarieven en de rolverdeling binnen het onderzoeksteam.

Zowel rechtsvormen met als zonder een rechtspersoonlijkheid kunnen een aanvraag indienen. Voorbeelden van partijen die voor deze regeling subsidie kunnen aanvragen zijn:

  • •

    onderwijsinstellingen (zowel publiek als privaat)

  • •

    (commerciële) onderzoeksbureaus

  • •

    organisatieadviesbureaus

  • •

    collectieven van zelfstandige onderzoekers

  • •

    samenwerkingsorganen voor journalistieke organisaties

  • •

    journalistieke branche- of belangenorganisaties

  • •

    NGO’s met ANBI-status

Een onderzoeksopzet bevat de volgende onderdelen:

  • a)

    de aanleiding van het onderzoek, waaraan een probleemanalyse ten grondslag ligt en waarin de relevantie en urgentie van het onderzoek voor de journalistieke bedrijfstak worden geadresseerd; en

  • b)

    de probleemstelling beschrijft het te onderzoeken thema of onderwerp en houdt rechtstreeks verband met de onderbouwing van de bij het onderzoek betrokken journalistieke titels; en

  • c)

    de centrale onderzoeksvraag (hoofdvraag) en eventuele deelvragen hebben betrekking op de probleemstelling en dienen concreet en helder geformuleerd te zijn; en

  • d)

    de onderzoeksmethode dient verband te houden met het soort onderzoek waarvoor gekozen is; en

  • e)

    een inschatting van de te verwachten resultaten die het onderzoek zal opleveren, alsmede een voorschot op een eventueel vervolgonderzoek.

Het plan van aanpak dient de uitvoering van het onderzoek in fases te beschrijven, inclusief de daarbij horende planning.

In de begroting maakt de subsidieaanvrager ook onderscheid tussen de daadwerkelijke kosten van het onderzoek en de gevraagde bijdrage van het Stimuleringsfonds.

Met dit vereiste beoogt het Stimuleringsfonds vast te stellen dat de aanvrager daadwerkelijk actief is op het terrein van (wetenschappelijk) onderzoek. Indien de aanvrager niet beschikt over statuten, kan dit bijvoorbeeld worden aangetoond aan de hand van een oprichtingsdocument, jaarverslag, activiteitenoverzicht, website of andere documenten waaruit de onderzoeksactiviteiten van de organisatie blijken.

Bij het beoordelen van de aanvragen aan de hand van de verschillende inhoudelijke criteria uit artikel 3.3, onder a, b, c en d betrekt het Stimuleringsfonds de volgende gezichtspunten:

  • a)

    Relevantie en urgentie van het onderzoek: het onderzoek adresseert een relevant en urgent thema of onderwerp, voortkomend uit de journalistieke bedrijfstak;

    • •

      Probleemanalyse vertrekt vanuit een actuele aanleiding binnen de journalistieke bedrijfstak en adresseert een thema of onderwerp waar de bij het onderzoek betrokken journalistieke informatiebronnen ten tijde van het indienen van het onderzoeksvoorstel mee te maken hebben

    • •

      Relevantie van het probleem: thema of onderwerp heeft rechtstreeks betrekking op de dagelijkse praktijk op de redactievloeren van de bij het onderzoek betrokken journalistieke informatiebronnen

    • •

      Urgentie van het probleem: thema of onderwerp dient te worden onderzocht in het belang van de toekomstbestendigheid van journalistieke informatiebronnen in het algemeen en de bij het onderzoek betrokken journalistieke informatiebronnen in het bijzonder

    • •

      Er is een directe relatie tussen de probleemstelling uit de onderzoeksopzet en de eigen onderbouwing van de relevantie en urgentie van het thema en reflectie achteraf op de onderzoeksresultaten door de bij het onderzoek betrokken journalistieke informatiebronnen, als bedoeld onder artikel 3.2, lid 1, onderdeel c

  • b)

    Onderzoeksvraag en -methode(n): de centrale onderzoeksvraag is duidelijk geformuleerd, de onderzoeksmethode is geschikt om het thema of onderwerp te onderzoeken en de uitvoering van het onderzoek is haalbaar;

    • •

      Hoofdvraag en deelvragen zijn concreet en toetsbaar geformuleerd.

    • •

      Onderzoeksmethode is betrouwbaar: resultaten zijn reproduceerbaar.

    • •

      Onderzoeksmethode is valide: het is aannemelijk dat deze methode resultaten oplevert die de onderzoeksvraag kunnen beantwoorden.

    • •

      Realistische, gefaseerde planning: voorgestelde activiteiten staan in verhouding tot de hiervoor begrote uren, het onderzoek is uitvoerbaar binnen de voorgestelde periode.

  • c)

    Teamsamenstelling: het onderzoeksteam beschikt over de benodigde kennis, ervaring en competenties, die nodig zijn bij de voorgestelde onderzoeksmethode;

    • •

      Ervaring en competenties binnen het team – blijkend uit de meegeleverde cv’s van de afzonderlijke leden als bedoeld onder artikel 2.2, lid 1, onderdeel d – passen bij de beoogde onderzoeksmethode(n).

    • •

      Kennis binnen het onderzoeksteam – blijkend uit het meegeleverde rapport of verslag van een onderzoek als bedoeld onder artikel 2.2, lid 1, onderdeel g – sluit aan bij het thema of onderwerp van het onderzoek.

  • d)

    Onderzoeksresultaten: de resultaten zijn direct inzetbaar in de journalistieke praktijk;

    • •

      Het onderzoeksplan bevat een indicatie van de te verwachten resultaten.

    • •

      De planning bevat concrete afspraken over tussentijdse reflectiemomenten, waaraan actief deel wordt genomen door de journalistieke titels die bij het onderzoek betrokken zijn.

    • •

      In het onderzoeksplan zijn concrete voorstellen opgenomen voor het onder de aandacht brengen van de onderzoeksresultaten binnen de gehele organisatie van de bij het onderzoek betrokken journalistieke titels. Hierbij worden ook medewerkers van het Stimuleringsfonds in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan onderzoekspresentaties op de werkvloer.

Bij de beoordeling wordt per criterium gebruik gemaakt van een waarderingsschaal in woorden (zoals ‘goed’, ‘voldoende’, ‘matig’) als conclusie van de inhoudelijke beoordeling per criterium. Alle criteria wegen daarbij even zwaar. De waarderingsschaal in woorden bij elk criterium is een hulpmiddel in het kader van een zorgvuldige en evenwichtige beoordeling van de ingediende aanvragen. Aan de waarderingsschaal in woorden zijn cijfers (punten) gekoppeld. De besluiten worden dus gebaseerd op met argumenten omklede adviezen over aanvragen, aan de hand van de criteria en daarbij toegekende waarderingen met bijbehorende cijfers. De waarderingen met bijbehorende cijfers worden voor elk van de criteria als volgt toegepast. Het cijfer staat op zichzelf en betreft geen directe vergelijking met andere aanvragers.

Waardering

Cijfer

Toelichting

zeer goed

5

uitsluitend positief, er zijn geen punten van kritiek

goed

4

positief, slechts lichte punten van kritiek

voldoende

3

positief, met een aantal punten van kritiek

matig

2

matig, substantiële punten van kritiek

onvoldoende

1

onder de maat, de kritische punten hebben de overhand

Aanvragen moeten minimaal 3 punten scoren (dus voldoende) op elk afzonderlijk criterium om voor de subsidie in aanmerking te komen. Aanvragen die op één of meer criteria lager dan een voldoende scoren, komen niet voor subsidie in aanmerking en worden direct afgewezen.

Het SVDJ wil – waar mogelijk – fungeren als kennispartner voor organisaties binnen het journalistieke veld. Met het oog hierop vinden we het van belang dat de resultaten van het onderzoek breed toegankelijk zijn. Dat betekent dat het Stimuleringsfonds op basis van dit artikel het recht krijgt het onderzoeksrapport te gebruiken en te publiceren. Op die manier wordt ervoor gezorgd dat de resultaten kunnen landen binnen de hele journalistieke sector, waarbij gebruik wordt gemaakt van het netwerk van het SVDJ.

De volledige tekst hierboven is de officiële, gepubliceerde bekendmaking; de samenvatting bovenaan deze pagina is automatisch gegenereerd. Controleer voorwaarden, deadlines en subsidieplafonds altijd op de officiële pagina voordat u een aanvraag indient.