Terug naar de radar

Officiële Bekendmakingen (KOOP)

Beleidsregel Beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2027

Open

Nederlandse Zorgautoriteit

Deze beleidsregel legt vast op welke wijze zorgaanbieders in aanmerking kunnen komen voor een beschikbaarheidbijdrage voor de bekostiging van (medische) vervolgopleidingen, waaronder medisch specialisten, ziekenhuisopleidingen en EPA's/EOL's. Doelgroep: Opleidende zorgaanbieders die erkend zijn voor het verzorgen van (medische) vervolgopleidingen, inclusief werkgevers zoals SBOH en SBOS..

Volledige officiële tekst

BR/REG-27112Vastgesteld op 21 juli 2026GrondslagGelet op artikel 57, eerste lid, onderdeel e, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage als bedoeld in artikel 56a van de Wmg.Op grond van artikel 56a, tweede lid, onder a en artikel 59, aanhef en onder e van de Wmg geeft de NZa op aanvraag toepassing aan artikel 56a, eerste tot en met negende lid, van de Wmg. Gelet op artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg, heeft de Minister van VWS, ten behoeve van de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist als bedoeld in artikel 1, tweede lid van deze beleidsregel, aanwijzingen aan de NZa gegeven op grond van artikel 7 van de Wmg. Deze aanwijzingen dateren van 17 september 2012 (kenmerk MC-U-3131142), 28 juni 2013 (kenmerk MC-125996-105636), 17 oktober 2013 (kenmerk 132010-106827-MC), 30 juni 2015 (kenmerk 776201-137544-MC) 6 juli 2016 (kenmerk 984591-152516-MC), 26 juni 2018 (kenmerk 1355023-177350-PZo), 6 juli 2020 (kenmerk 1713658-207569-PZo), 23 juni 2023 (kenmerk 3611583-1049617-PZo), 28 juni 2024 (kenmerk 3861777-1067529-PZo), 30 juni 2025 (4141183-1084694-PZo) en 24 juni 2026 (kenmerk 4422260-1100416-PZo).Op de beschikbaarheidbijdrage zijn titel 4.2 (‘subsidies’) en 4.4 (‘bestuursrechtelijke geldschulden’) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG van toepassing. De beschikbaarheidbijdrage wordt beschikbaar gesteld uit het Zorgverzekeringsfonds (Zvf) en het Fonds langdurige zorg (Flz).

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder:

1.(Medische) vervolgopleidingen

De (medische) vervolgopleidingen waarop deze beleidsregel van toepassing is, zijn te verdelen in twee categorieën:

  • •

    Vervolgopleidingen tot (medisch) specialist;

  • •

    Ziekenhuisopleidingen en/of Entrustable Professional Activities (EPA’s) en/of EPA-overstijgende leeractiviteiten (EOL) als genoemd in artikel 1.3 en/of 1.4.

2.Vervolgopleidingen tot (medisch) specialist

De vervolgopleidingen tot (medisch) specialist zijn:

  • a

    De 28 erkende medisch specialismen: anesthesiologie, cardiologie, cardio-thoracale chirurgie, dermatologie en venerologie, heelkunde, interne geneeskunde, keel-neus-heelkunde, kindergeneeskunde, klinische genetica, klinische geriatrie, longziekten en tuberculose, maag-darm-leverziekten, medische microbiologie, neurochirurgie, neurologie, obstetrie en gynaecologie, oogheelkunde, orthopedie, pathologie, plastische chirurgie, psychiatrie, radiologie, radiotherapie, reumatologie, revalidatiegeneeskunde, SEH-arts, sportgeneeskunde en urologie;

  • b

    De technische zorg specialismen: klinische chemie, klinische fysica en ziekenhuisfarmacie;

  • c

    De tandheelkundige specialismen: orthodontie en kaakchirurgie;

  • d

    De overige specialismen: arts voor verstandelijk gehandicapten, huisarts, specialist ouderengeneeskunde en verslavingsarts;

  • e

    Gezondheidszorgpsycholoog en psychotherapeut;

  • f

    Klinisch psycholoog en klinisch neuropsycholoog;

  • g

    Verpleegkundig specialist in de ggz.

3.Ziekenhuisopleidingen

De vervolgopleidingen tot gespecialiseerd verpleegkundige en medisch ondersteunend personeel zijn:

  • a

    Deskundige infectiepreventie, gipsverbandmeester en gespecialiseerd verpleegkundigen, te weten: IC-verpleegkundige, IC-neonatologieverpleegkundige, IC-kinderverpleegkundige, kinderverpleegkundige, dialyseverpleegkundige, oncologieverpleegkundige1Hieronder valt ook de vervolgopleiding tot kinderoncologieverpleegkundige., SEH-verpleegkundige en obstetrie-verpleegkundige;

  • b

    Operatieassistent, anesthesiemedewerker, radiodiagnostisch laborant, radiotherapeutisch laborant en klinisch perfusionist.

  • c

    cardiaccareverpleegkundige, mediumcareverpleegkundige, recoveryverpleegkundige, highcare-neonatologieverpleegkundige, highcare-kinderverpleegkundige, dialyse assistent, geriatrieverpleegkundige, neuroverpleegkundige, endoscopieverpleegkundige, medewerker operatieve zorg, sedatiepraktijkspecialist, medewerker interventiecardiologie.

4.EPA en EOL

Eén EPA of EOL is een leereenheid (module) van flexibele ziekenhuisopleidingen.

Cluster acute zorg

Functie-overstijgende modules:

AZ-FO-1 (BAZ), AZ-FO-2 (BAZ), AZ-FO-3 (BAZ), AZ-FO-4 (BAZ), AZ-FO-5, AZ-FO-6, AZ-FO-7, AZ-FO-8, AZ-FO-9, AZ-FO-10, AZ-FO-11, AZ-FO-12, AZ-FO-13

Kern modules en specifieke modules per opleiding:

  • •

    Cardiaccareverpleegkundige: AZ-CCU-1, AZ-CCU-2, AZ-CCU-3, AZ-CCU-4, AZ-CCU-5, AZ-CCU-6, AZ-CCU-EOL-1

  • •

    Intensivecareverpleegkundige: AZ-IC-1, AZ-IC-2, AZ-IC-3, AZ-IC-4, AZ-IC-5, AZ-IC-6, AZ-IC-EOL-1

  • •

    Mediumcareverpleegkundige: AZ-MC-1, AZ-MC-EOL-1

  • •

    Recoveryverpleegkundige: AZ-REC-1, AZ-REC-2, AZ-REC-3, AZ-REC-4, AZ-REC-5, AZ-REC-6, AZ-REC-EOL-1

  • •

    Spoedeisendehulpverpleegkundige: AZ-SEH-1, AZ-SEH-2, AZ-SEH-3, AZ-SEH-4, AZ-SEH-5, AZ-SEH-EOL-1

Cluster moeder en kind

Functie-overstijgende modules:

MK-FO-1, MK-FO-2, MK-FO-3, MK-FO-4

Kern modules en specifieke modules per opleiding:

  • •

    Highcare-kinderverpleegkundige: MK-HC-IC-K-1, MK-HC-IC-K-2, MK-HC-IC-K-3, MK-HC-K-EOL-1

  • •

    Highcare-neonatologieverpleegkundige: MK-HC-IC-N-1, MK-HC-IC-N-2, MK-HC-IC-N-3, MK-HC-N-EOL-1

  • •

    Intensivecare-kinderverpleegkundige: MK-IC-K-1, MK-IC-K-2, MK-HC-IC-K-1, MK-HC-IC-K-2, MK-HC-IC-K-3, MK-IC-K-EOL-1

  • •

    Intensivecare-neonatologieverpleegkundige: MK-IC-N-1, MK-IC-N-2, MK-HC-IC-N-1, MK-HC-IC-N-2, MK-HC-IC-N-3, MK-IC-N-EOL-1

  • •

    Kinderverpleegkundige: MK-KIN-1, MK-KIN-2, MK-KIN-3, MK-KIN-4, MK-KIN-5, MK-KIN-6, MK-KIN-EOL-1

  • •

    Obstetrieverpleegkundige: MK-OBS-1, MK-OBS-2, MK-OBS-3, MK-OBS-4, MK-OBS-5, MK-OBS-6, MK-OBS-7, MK-OBS-8, MK-OBS-EOL-1

Cluster langdurige zorg

Functie-overstijgende modules:

LZ-FO-1, LZ-FO-2, LZ-FO-3, LZ-FO-4, LZ-FO-5, LZ-FO-6

Kern modules en specifieke modules per opleiding:

  • •

    Geriatrieverpleegkundige: LZ-GER-1, LZ-GER-2, LZ-GER-3, LZ-GER-EOL-1

  • •

    Neuroverpleegkundige: LZ-NEU-1, LZ-NEU-2, LZ-NEU-3, LZ-NEU-EOL-1

  • •

    Oncologieverpleegkundige: LZ-ONCO-1, LZ-ONCO-EOL-1

Hieronder valt ook de opleiding tot kinderoncologieverpleegkundige uit het cluster moeder en kind: MK-KO-1, MK-KO-EOL-1

  • •

    Endoscopieverpleegkundige: LZ-END-1, LZ-END-2, LZ-END-3, LZ-END-4, LZ-END-5, LZ-END-6, LZ-END-EOL-1

  • •

    Dialyseverpleegkundige: LZ-DIA-1, LZ-DIA-2, LZ-DIA-3, LZ-DIA-4, LZ-DIA-5, LZ-DIA-6, LZ-DIA-7, LZ-DIA-8, LZ-DIA-EOL-1

  • •

    Dialyse-assistent: LZ-DIA-1, LZ-DIAA-EOL-1

Cluster medisch ondersteunende opleidingen

Functie-overstijgende modules:

MO-FO-1, MO-FO-2

Kern modules en specifieke modules per opleiding:

  • •

    Medewerker operatieve zorg: MO-MOZ-1, MO-MOZ-2, MO-MOZ-3, MO-OA-MOZ-1, MO-OA-MOZ-2, MO-OA-MOZ-3, MO-OA-MOZ-4, MO-OA-MOZ-5, MO-OA-MOZ-6, MO-OA-MOZ-7, MO-OA-MOZ-8, MO-MOZ-EOL-1

  • •

    Operatieassistent: MO-OA-MOZ-1, MO-OA-MOZ-2, MO-OA-MOZ-3, MO-OA-MOZ-4, MO-OA-MOZ-5, MO-OA-MOZ-6, MO-OA-MOZ-7, MO-OA-MOZ-8, MO-OA-1, MO-OA-2, MO-OA-3, MO-OA-4, MO-OA-5, MO-OA-6, MO-OA-7, MO-OA-8, MO-OA-9, MO-OA-10, MO-OA-11, MO-OA-12, MO-OA-EOL-1

  • •

    Anesthesiemedewerker: MO-AM-1, MO-AM-2, MO-AM-3, MO-AM-4, MO-AM-5, MO-AM-6, MO-AM-7, MO-AM-8, MO-AM-9, MO-AM-10, MO-AM-11, MO-AM-12, MO-AM-13, MO-AM-14, MO-AM-15, MO-AM-16, MO-AM-17, MO-AM-18, MO-AM-19, MO-AM 20, MO-AM-21, MO-AM-22, MO-AM-23, MO-AM-24, MO-AM-25, MO-AM-26, MO-AM-27, MO-AM-28, MO-AM-29, MO-AM-30, MO-AM-31, MO-AM-32, MO-AM-33, MO-AM-EOL-1

  • •

    Sedatiepraktijkspecialist: MO-SPS-1, MO-SPS-2, MO-SPS-3, MO-SPS-4, MO-SPS-5, MO-SPS-6, MO-SPS-EOL-1

  • •

    Radiodiagnostisch laborant: MO-RDL-1, MO-RDL-2, MO-RDL-3, MO-RDL-4, MO-RDL-5, MO-RDL-6, MO-RDL-7, MO-RDL-8, MO-RDL-9, MO-RDL-10, MO-RDL-11, MO-RDL-12, MO-RDL-13, MO-RDL-EOL-1, MO-RDL-EOL-SH

  • •

    Radiotherapeutisch laborant: MO-RTL-1, MO-RTL-2, MO-RTL-3, MO-RTL-4, MO-RTL-5, MO-RTL-6, MO-RTL-7, MO-RTL-8, MO-RTL-9, MO-RTL-10, MO-RTL-EOL-1, MO-RTL-EOL-SH

  • •

    Gipsverbandmeester: MO-GVM-1, MO-GVM-2, MO-GVM-3, MO-GVM-4, MO-GVM-5, MO-GVM-6, MO-GVM-7, MO-GVM-8, MO-GVM-EOL-1

  • •

    Deskundige infectiepreventie: MO-DI-1, MO-DI-2, MO-DI-3, MO-DI-4, MO-DI-5, MO-DI-6, MO-DI-EOL-1

  • •

    Medewerker Interventiecardiologie: MO-MIC-1, MO-MIC-2, MO-MIC-3, MO-MIC-4, MO-MIC-5, MO-MIC-6, MO-MIC-7, MO-MIC-8, MO-MIC-9, MO-MIC- 10, MO-MIC-11, MO-MIC-12, MO-MIC-EOL-1

  • •

    Klinisch perfusionist: MO-KP-1, MO-KP-2, MO-KP-3, MO-KP-4, MO-KP-5, MO-KP-6, MO-KP-7, MO-KP-EOL-1, MO-KP-EOL-SC

5.Opleidende zorgaanbieder

De zorgaanbieder die zorg levert als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz) en door de daartoe bevoegde instantie is erkend voor het verzorgen van een (deel van een) (medische) vervolgopleiding. Voor de opleidingen als genoemd in artikel 1.2, sub e wordt met de opleidende zorgaanbieder (praktijkopleidingsinstelling) bedoeld een zorgaanbieder die een samenwerkingsovereenkomst heeft met een door de minister in het kader van de Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) aangewezen opleidingsinstelling.

6.Opleidingsinstelling

De instelling die het cursorisch gedeelte verzorgt van de opleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut of een van hun specialismen en die als zodanig door de minister in het kader van de Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) is aangewezen of als zodanig door de CRT is erkend.

7.Beschikbaarheidbijdrage

Bijdrage als bedoeld in artikel 56a Wmg.

8.Subsidiabele opleidingsplaats

Een opleidingsplaats die in aanmerking komt voor een subsidie.

9.minister

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

10.Fte

Full time equivalent (voltijdse plaats).

11.Startmoment van de opleiding

Het startmoment van de opleiding is dat moment waarop de (medisch) specialist in opleiding met zijn opleiding begint.

12.Jaar t

Jaar t is het lopende subsidiejaar waarin de opleiding plaatsvindt.

13.Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa

Het Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa omschrijft de uniforme procedure die gehanteerd wordt ten aanzien van de verstrekking van alle beschikbaarheidbijdragen door de NZa. Dit kader is ook van toepassing op de beschikbaarheidbijdrage voor de (medische) vervolgopleidingen. In enkele gevallen geldt een uitzondering op de uniforme procedure. Deze uitzondering staat dan omschreven in deze beleidsregel.

Begripsbepalingen vervolgopleiding tot (medisch) specialist

Artikel 1.14 tot en met 1.25 beschrijven de begripsbepalingen die van toepassing zijn op de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist zoals genoemd in artikel 1.2.

14.Opleidingen met een vooropleiding
  • a

    Om de opleidingen longziekten en tuberculose, maag-, darm- en leverziekten, cardiologie, klinische geriatrie of reumatologie te mogen volgen, dient de (medisch) specialist in opleiding tevens de vooropleiding interne geneeskunde te volgen.

  • b

    Om de opleidingen orthopedie, urologie en plastische chirurgie te mogen volgen, dient de (medisch) specialist in opleiding tevens de vooropleiding heelkunde te volgen.

15.Instroomplaats

Opleidingsplaats voor (medisch) specialist in opleiding die:

  • a

    In het jaar t met een vervolgopleiding tot (medisch) specialist begint op een subsidiabele opleidingsplaats,

    of;

  • b

    Voorafgaand aan het jaar t met een vervolgopleiding tot (medisch) specialist is begonnen op een niet-subsidiabele opleidingsplaats, maar in jaar t alsnog op een subsidiabele instroomplaats de opleiding vervolgt.

16.Doorstroomplaats

Opleidingsplaats voor (medisch) specialist in opleiding die:

  • a

    In een eerder jaar met een vervolgopleiding tot (medisch) specialist is begonnen op een subsidiabele instroomplaats of;

  • b

    In het jaar t met een vervolgopleiding tot (medisch) specialist is begonnen op een subsidiabele instroomplaats en om inhoudelijke redenen in jaar t doorstroomt naar een andere opleidende zorgaanbieder.

17.Instroomjaar

Het kalenderjaar (jaar t) waarin de (medisch) specialist in opleiding start met de opleiding op een subsidiabele opleidingsplaats.

18.Boventallige (medisch) specialist in opleiding

Een boventallige (medisch) specialist in opleiding is iemand die wordt opgeleid voor eigen rekening, voor rekening van de opleidende zorgaanbieder of voor rekening van derden. Deze (medisch) specialist in opleiding is niet subsidiabel en de zorgaanbieder kan voor deze (medisch) specialist in opleiding geen beschikbaarheidbijdrage ontvangen.

19.Registratiecommissies voor medische specialismen

De registratiecommissies voor (medische) specialismen zijn:

  • a

    Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (RGS) van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG);

  • b

    Stichting Opleiding Klinisch Fysicus (OKF);

  • c

    Specialisten Registratiecommissie (SRC-ZF) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP);

  • d

    Registratiecommissie van de Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde (NVKC);

  • e

    Registratiecommissie Tandheelkundig Specialismen (RTS) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT);

  • f

    Commissie Registratie en Toezicht (CRT) van de Federatie van Gezondheidszorgpsychologen en Psychotherapeuten (FGzPt);

  • g

    Registratiecommissie Specialismen Verpleegkunde (RSV) van de Vereniging Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN);

20.De instituten die erkenningen afgeven voor medische specialismen

De instituten die erkenningen afgeven aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.2 zijn:

  • a

    De RGS van de KNMG geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.2 sub a en d.

  • b

    De Stichting OKF geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van de opleiding als genoemd in artikel 1.2 sub b, klinische fysica.

  • c

    De SRC-ZF van de KNMP geeft erkenningen af aan de opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van de opleiding als genoemd in artikel 1.2 sub b, ziekenhuisfarmacie.

  • d

    De Registratiecommissie van de NVKC geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van de opleiding als genoemd in artikel 1.2 sub b, klinische chemie.

  • e

    De RTS van de KNMT geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.2 sub c.

21.De instituten die erkenningen afgeven voor ggz-opleidingen
  • a

    De CRT van de FGzPt geeft erkenningen af aan de opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.2 sub f.

  • b

    De RSV van V&VN geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van de opleiding als genoemd in artikel 1.2 sub g.

22.Werkgevers voor specifieke opleidingen

Voor enkele opleidingen geldt dat de (medisch) specialist in opleiding niet in dienst is bij een opleidende zorgaanbieder, maar bij een stichting die verantwoordelijk is voor het gehele proces van de beschikbaarheidbijdrage en financiering van de opleiding. Deze wordt in deze beleidsregel beschouwd als opleidende zorgaanbieder en is verantwoordelijk voor het gehele proces van aanvragen van de beschikbaarheidbijdrage en financiering van deze opleidingen.

Deze stichtingen zijn:

  • a

    SBOH. SBOH is de werkgever van huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde, artsen voor verstandelijk gehandicapten en verslavingsartsen in opleiding.

  • b

    De Stichting Beroepsopleiding tot Sportarts (SBOS). De SBOS is de werkgever van sportartsen in opleiding.

23.Opleidingsoverzicht

Overzicht uit het opleidingsregister van de per opleiding tot (medisch) specialist gerealiseerde opleidingsplaatsen per opleidende zorgaanbieder, uitgesplitst naar instroomplaatsen (medisch) specialist en doorstroomplaatsen (medisch) specialist.

24.Gerealiseerde opleidingsplaats

Het aantal uren dat de (medisch) specialist in opleiding feitelijk heeft besteed aan zijn opleiding. Hierbij gaan wij uit van de berekening zoals genoemd in artikel 4.3.

25.Verdeeloverzicht

Overzicht van de verdeling van het maximaal aantal instroomplaatsen en bijbehorende fte voor de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist per specialisme per opleidende zorgaanbieder zoals te vinden in de bijlage bij de verlenings- en vaststellingsbeschikking voor jaar (t).

Begripsbepalingen ziekenhuisopleidingen

In de artikelen 1.26 tot en met 1.29 zijn de begripsbepalingen beschreven die van toepassing zijn op de ziekenhuisopleidingen als genoemd in artikel 1.3.

26.Gediplomeerde

Natuurlijk persoon die vóór 1 januari 2025 is gestart met een ziekenhuisopleiding als genoemd in artikel 1.3 sub a en b en met goed gevolg een volledige ziekenhuisopleiding heeft voltooid bij een erkende opleidende zorgaanbieder en een diploma heeft van het CZO. Dit betreft alle ziekenhuisopleidingen.

27.CZO

Het College Zorgopleidingen (CZO) is de stichting die verantwoordelijk is voor het toekennen van erkenningen aan opleidingen en zorgaanbieders waarmee men een CZO-erkende opleiding kan aanbieden. Daarnaast registreert het CZO opleidelingen in een CZO-opleiding om vervolgens geregistreerd te worden als gecertificeerde of gediplomeerde.

28.Erkennend opleidingsinstituut voor ziekenhuisopleidingen

Het CZO geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van ziekenhuisopleidingen als genoemd in artikel 1.3 en/of losse EPA’s/EOL als genoemd in artikel 1.4.

29.Opleidingsopgave van CZO

De NZa ontvangt van het CZO een opgave van het aantal gediplomeerde personen in jaar t uitgesplitst naar ziekenhuisopleidingen en door het CZO erkende zorgaanbieders. In de opleidingsopgave is ook het aantal EPA’s opgenomen waarvoor een certificaat is afgegeven aan een (door het CZO erkende) zorgaanbieder in jaar t.

30.Instroombeschikking

Beschikking met de aan de individuele zorgaanbieder door de NZa toegekende instroomplaatsen en bijbehorende fte per opleiding voor het jaar t, opgenomen in de verleningsbeschikking.

31.OOR

Onderwijs- en Opleidingsregio waarin universitaire medische centra samenwerken in een regionaal opleidingsnetwerk.

Artikel 2 Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze zorgaanbieders in aanmerking kunnen komen voor een beschikbaarheidbijdrage voor de bekostiging van (medische) vervolgopleidingen en op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheden om deze beschikbaarheidbijdrage toe te kennen.

Artikel 3 Reikwijdte

Deze beleidsregel is van toepassing op het door een zorgaanbieder beschikbaar hebben van (medische) vervolgopleidingen als bedoeld in artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG, juncto onderdeel B, onder 1, sub a, b en c van de bijlage.

Artikel 4 Algemeen

1.

De NZa verstrekt de beschikbaarheidbijdrage aan opleidende zorgaanbieders ter (redelijkerwijs kostendekkende) vergoeding van de kosten die de zorgaanbieder daadwerkelijk maakt voor het verzorgen van (medische) vervolgopleidingen, als bedoeld in artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG, juncto onderdeel B, onder 1, sub a, b en c van de bijlage.

2.

De NZa verstrekt uitsluitend beschikbaarheidbijdragen aan opleidende zorgaanbieders die erkend zijn door een registratiecommissie als genoemd in artikel 1.19, de instituten die erkenningen afgeven als genoemd in artikel 1.20 en 1.21 of het CZO als genoemd in artikel 1.27, om een (medische) vervolgopleiding te verzorgen en aan de werkgevers voor specifieke opleidingen zoals bedoeld in artikel 1.22.

Voor de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat gedurende de gehele periode waarover de beschikbaarheidbijdrage wordt aangevraagd sprake moet zijn van een samenwerkingsovereenkomst tussen de praktijkopleidingsinstelling die de beschikbaarheidbijdrage aanvraagt en een door de minister aangewezen opleidingsinstelling.

3.

Berekening aantal gerealiseerde fte

De berekening van de realisatie per (medisch) specialist in opleiding (in fte) vindt plaats volgens de volgende formule:

Aantal uren opleiding volgens de personeels- of salarisadministratie van de zorgaanbieder' gedeeld door ‘uren reguliere werkweek overeenkomstig de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst of sectorale rechtspositieregeling.

De collectieve arbeidsovereenkomst of sectorale rechtspositieregeling wordt gehanteerd van de opleidende zorgaanbieder waar de (medisch) specialist in opleiding zijn formeel dienstverband heeft. Het aantal uren dat voor één persoon wordt ingevoerd in de aanvraag mag nooit leiden tot een realisatie hoger dan 1 fte.

Boventallige (medisch) specialisten in opleiding, zoals beschreven in artikel 1.18, komen niet in aanmerking voor een beschikbaarheidbijdrage en mogen niet in de berekening van de realisatie worden meegenomen.

In de toelichting van deze beleidsregel worden een aantal rekenvoorbeelden gegeven van hoe het aantal gerealiseerde fte moet worden berekend.

Maximum fte in opleiding voor ggz-opleidingen conform het opleidingsregister

Voor een aantal opleidingen in de ggz bestaat een maximum aantal uren dat een opleideling in opleiding mag zijn per week. Het aantal gerealiseerde fte per opleideling mag niet boven dit maximum uitkomen. Een opleideling mag voor meer uren dan het maximum in dienst zijn bij de opleidende zorgaanbieder, maar deze zorgaanbieder mag voor de uren boven het maximum geen beschikbaarheidbijdrage ontvangen.

  • •

    Voor de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog geldt een maximum van 36 opleidingsuren per week (1 fte).

  • •

    Voor de opleiding tot klinisch psycholoog geldt een maximum van 27 opleidingsuren per werkweek (0,75 fte).

  • •

    Voor de opleiding tot klinisch neuropsycholoog geldt een maximum van 27 opleidingsuren per werkweek (0,75 fte).

  • •

    Voor de opleiding tot psychotherapeut geldt een maximum van 18 opleidingsuren per werkweek (0,50 fte).

  • •

    Voor de opleiding tot verpleegkundig specialist in de ggz geldt een maximum van 36 opleidingsuren per werkweek (1 fte).

4.

De NZa accepteert geen mutaties in het instroomjaar, met uitzondering van de opleiding klinische fysica en de situatie beschreven in artikel 1.16 sub b. De NZa houdt in alle gevallen, met uitzondering van de situaties genoemd in artikel 10.1 (sub a en sub b), het verdeeloverzicht aan voor de berekening van de beschikbaarheidbijdrage over het instroomjaar.

5.

De NZa beoordeelt de ontvangen aanvragen aan de criteria gesteld in deze beleidsregel en het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’.

6.

In aanvulling op het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ gelden de volgende voorwaarden, voorschriften en beperkingen ten aanzien van de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen:

  • a

    De opleidende zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het juist en tijdig laten registreren van de opleidingsgegevens van de (medisch) specialist in opleiding bij desbetreffende registratiecommissie, zoals genoemd in artikel 1.19, of het CZO als genoemd in artikel 1.27.

  • b
    • •

      (Medische) vervolgopleidingen: Het is van belang dat de opleidende zorgaanbieder uiterlijk 31 december van het jaar t een opleideling koppelt aan een toegekende instroomplaats in het opleidingsregister van de desbetreffende registratiecommissie. Als een opleideling uiterlijk 31 december van jaar t niet is gekoppeld aan een instroomplaats, dan ontvangt de zorgaanbieder voor jaar t geen beschikbaarheidbijdrage voor deze instromer.

      De zorgaanbieder kan voor deze opleideling wel een doorstroomsubsidie voor jaar t+1 aanvragen als de opleideling door de registratiecommissie in jaar t+1 als doorstromer wordt aangemerkt.

      De situatie kan zich voordoen dat een zorgaanbieder een afwijzing ontvangt op zijn aanvraag tot verlening voor jaar t+1, omdat de zorgaanbieder alleen één doorstromer in opleiding heeft die niet tijdig als instromer is gekoppeld in jaar t. In afwijking van artikel 5.1.3 van het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ kan de NZa in deze situatie de beschikbaarheidbijdrage voor jaar t+1 vaststellen zonder dat er voorafgaand een verleningsbeschikking is afgegeven.

    • •

      Ziekenhuisopleidingen:

      Het is van belang dat de opleidende zorgaanbieder de opleideling registreert in het Opleidingsregister van het CZO.

      • •

        De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het correct registreren van EPA’s en EOL in het Opleidingsregister van het CZO als een certificaat is behaald in het jaar t. Deze registratie moet uiterlijk 31 december van het jaar t plaatsvinden.

      • •

        Voor de ziekenhuisopleidingen in artikel 1.3 a en b voor opleidelingen die hun opleiding vóór 2025 zijn gestart en waar beschikbaarheidbijdrage per gediplomeerde kan worden aangevraagd, is de zorgaanbieder er verantwoordelijk voor dat uiterlijk 31 december van het jaar van diplomering het diploma is aangevraagd bij het CZO.

  • c

    Substitutie van toegewezen fte’s tussen soorten opleidingen en substitutie van fte’s tussen de categorieën instroom en doorstroom is niet mogelijk.

  • d

    Overstappen van opleiding is toegestaan in de volgende situaties:

    • •

      opleidelingen, die een opleiding met een vooropleiding volgen, mogen tijdens de vooropleiding of direct aansluitend op de vooropleiding overstappen naar een ander specialisme met dezelfde vooropleiding;

    • •

      opleidelingen die opleiding interne geneeskunde volgen, mogen overstappen naar een ander specialisme met interne geneeskunde als vooropleiding;

    • •

      opleidelingen die een in artikel 1.14a genoemde opleiding volgen, mogen overstappen naar de opleiding interne geneeskunde;

    • •

      opleidelingen die opleiding heelkunde volgen, mogen overstappen naar een ander specialisme met heelkunde als vooropleiding;

    • •

      opleidelingen die een in artikel 1.14b genoemde opleiding volgen, mogen overstappen naar de opleiding heelkunde.

    Voor alle in dit artikellid beschreven situaties geldt dat:

    • •

      uiterlijk 31 december van het jaar voorafgaand aan jaar t het opleidingsschema volledig goedgekeurd moet zijn door desbetreffende registratiecommissie en dit is opgenomen in het opleidingsregister van desbetreffende registratiecommissie; en

    • •

      dat de totale opleidingsduur de nominale opleidingsduur van de oorspronkelijke opleiding niet mag overschrijden.

  • e

    Er wordt geen beschikbaarheidbijdrage verstrekt voor (medisch) specialisten in opleiding die zijn ingestroomd voor eigen rekening, voor rekening van de opleidende zorgaanbieder of voor rekening van derden. Er wordt ook geen beschikbaarheidbijdrage verstrekt voor deze (medisch) specialisten in opleiding in latere jaren. Uitzondering op dit laatste vormt de (medisch) specialist in opleiding die later instroomt op een instroomplaats die in het verdeeloverzicht is toegewezen aan de opleidende zorgaanbieder.

  • f

    Indien op grond van een andere subsidieregeling subsidie wordt aangevraagd en toegekend voor dezelfde activiteiten als waarvoor de beschikbaarheidbijdrage dient, kan (een deel van) die verkregen subsidie in mindering worden gebracht op de beschikbaarheidbijdrage.

  • g

    De beschikbaarheidbijdrage wordt, met inachtneming van het aantal subsidiabele opleidingsplaatsen per opleiding, alleen verstrekt aan de opleidende zorgaanbieder bij wie de (medisch) specialist in opleiding volgens de desbetreffende registratiecommissie geregistreerd staat.

  • h

    Indien sprake is van het door een opleidende zorgaanbieder detacheren van een opleideling naar een andere opleidende zorgaanbieder dient tussen deze zorgaanbieders een schriftelijke overeenkomst te bestaan waarin in ieder geval het aantal fte’s dat de opleideling bij iedere zorgaanbieder wordt opgeleid, alsmede de periode waarover de detachering van de opleideling plaatsvindt, is vastgelegd;

  • i

    Niet-gerealiseerde instroom, als vastgelegd in het verdeeloverzicht, van beroepsbeoefenaren in opleiding kan niet worden doorgeschoven naar een volgend kalenderjaar.

  • j

    Vanwege opleidingsinhoudelijke redenen kan de duur van de opleiding van een (medisch) specialist in opleiding worden verlengd. Hier dient een besluit van de registratiecommissie of (opleidings)instituut als genoemd in de artikelen 1.19 tot en met 1.21 aan ten grondslag te liggen waaruit blijkt dat de duur van de opleiding wordt verlengd. Voor de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat de opleidingsinstelling als bedoeld in artikel 1.6 het besluit neemt over de verlenging van de duur van de opleiding. De CRT van de FGzPt verwerkt de verlenging in het opleidingsregister.

  • k

    Bij de bepaling van het gerealiseerde aantal opleidingsplaatsen dient rekening te worden gehouden met het startmoment en de einddatum van de opleiding en met deeltijdarbeid zoals vermeld in de (leer)-arbeidsovereenkomst.

  • l

    De opleidende zorgaanbieder doet direct schriftelijk mededeling aan de NZa wanneer een samenwerkingsovereenkomst wordt ontbonden, vernietigd of nietig is voor wat betreft de beroepen als genoemd in artikel 1.2 sub e, een opleidingserkenning wordt ingetrokken of van andere omstandigheden die van belang kunnen zijn voor (een beslissing tot intrekking van) de beschikbaarheidbijdrage, zoals een fusie (als bedoeld in artikel 2:309 van het Burgerlijk Wetboek), splitsing (als bedoeld in artikel 2:334a van het Burgerlijk Wetboek) of een faillissement. Daarbij worden relevante stukken overlegd.

7.

Faillissementen

  • a.

    Als de rechtbank het faillissement van een zorgaanbieder heeft uitgesproken en een curator heeft aangesteld, dient de curator de aanvraag tot vaststelling namens de failliete zorgaanbieder in. Dit doet de curator voor de subsidiejaren waarvoor de failliete zorgaanbieder nog geen vaststelling heeft ingediend, maar wel een verleningsbeschikking heeft ontvangen. De curator handelt daarbij volgens de voorschriften en voorwaarden uit deze beleidsregel en het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’.

    Als een failliete zorgaanbieder een aanvraag indient voor de verlening van de beschikbaarheidbijdrage, neemt de NZa deze aanvraag niet in behandeling. Als het faillissement vóór 1 januari van jaar t wordt uitgesproken en de verleningsbeschikking voor jaar t reeds door de NZa is afgegeven, kan de NZa de verleningsbeschikking intrekken en de uitgekeerde voorschotten terugvorderen. Er is dan immers vanwege het faillissement niet opgeleid in jaar t.

  • b.

    Als de rechtbank het faillissement van een zorgaanbieder gedurende jaar t heeft uitgesproken, kan de NZa besluiten om de bevoorschotting stop te zetten.

8.

Fusie

Als een fusie als bedoeld in artikel 2:309 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: juridische fusie) tussen opleidende zorgaanbieders voor of op 1 januari van jaar t plaatsvindt, gaat de NZa in jaar t uit van de gefuseerde zorgaanbieder. Met de gefuseerde zorgaanbieder wordt bedoeld de opleidende zorgaanbieder (die een rechtspersoon is) die na een juridische fusie het vermogen van de andere opleidende zorgaanbieder(s) (die een rechtspersoon is of die rechtspersonen zijn) onder algemene titel verkrijgt of die als nieuwe opleidende zorgaanbieder (die een rechtspersoon is) die bij deze fusie door de opleidende zorgaanbieders samen wordt opgericht, hun vermogen onder algemene titel verkrijgt.

De gefuseerde zorgaanbieder dient voor zowel de verlening als de vaststelling van jaar t één aanvraag in op het NZa-nummer van de gefuseerde zorgaanbieder. De NZa geeft op basis van deze aanvraag voor zowel de verlening als de vaststelling één beschikking af op het NZa-nummer van de gefuseerde zorgaanbieder.

Als een juridische fusie tussen opleidende zorgaanbieders plaatsvindt na 1 januari van jaar t, gaat de NZa voor de verlening en vaststelling van jaar t uit van de afzonderlijke opleidende zorgaanbieders. Beide opleidende zorgaanbieders dienen voor zowel de verlening als vaststelling van jaar t een afzonderlijke aanvraag in op hun eigen NZa-nummer. De NZa geeft op basis van deze aanvragen voor zowel de verlening als de vaststelling een beschikking per opleidende zorgaanbieder af op hun eigen NZa-nummer.

Vanaf het jaar dat volgt op de juridische fusie gaat de NZa bij de verlening en de vaststelling uit van de gefuseerde zorgaanbieder. Dit betekent dat de gefuseerde zorgaanbieder voor zowel de verlening als de vaststelling vanaf het jaar volgend op de fusie één aanvraag moet indienen op het NZa-nummer van de gefuseerde zorgaanbieder. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 Awb, kan de NZa hiervan afwijken.

9.

De vergoedingsbedragen, zoals vastgesteld door de NZa of in de aanwijzing van 17 september 2012 (met kenmerk MC-U-3131142), zijn gedurende de gehele opleiding gekoppeld aan het specialisme waar de betreffende (medisch) specialist is ingestroomd.

10.

Een (medisch) specialist of medisch beroepsbeoefenaar in dienst van het Ministerie van Defensie kan niet instromen op een instroomplaats. (Medisch) specialisten of medisch beroepsbeoefenaren in dienst van het Ministerie van Defensie die hun opleiding zijn gestart vóór het jaar 2022 en waarvoor reeds een beschikbaarheidbijdrage is toegekend, blijven in aanmerking komen voor een beschikbaarheidbijdrage.

11.

De vastgestelde beschikbaarheidbijdrage wordt verrekend met de bevoorschotting. Wanneer de definitieve beschikbaarheidbijdrage hoger uitvalt dan de bevoorschotting, bepaalt de NZa in de vaststellingsbeschikking dat het openstaande bedrag door Zorginstituut Nederland wordt voldaan aan de opleidende zorgaanbieder. Wanneer de definitieve beschikbaarheidbijdrage lager uitvalt dan de bevoorschotting, bepaalt de NZa in de vaststellingsbeschikking dat de opleidende zorgaanbieder het terug te betalen bedrag dient te voldoen aan Zorginstituut Nederland.

Artikel 5 Verlening

1.

De NZa kan op aanvraag een beschikbaarheidbijdrage verstrekken voor het bekostigen van (medische) vervolgopleidingen. De opleidende zorgaanbieder dient vóór 1 december van jaar t-1 de aanvraag voor de verlening van de beschikbaarheidbijdrage in bij de NZa voor instroom, doorstroom en ziekenhuisopleidingen.

2.

Een uitzondering op de deadline van 1 december van jaar t-1 is de situatie waarbij de zorgaanbieder gedurende jaar t een opleideling overneemt van een andere zorgaanbieder waardoor er ten tijde van de aanvraagtermijn in jaar t-1 nog niet kon worden voorzien dat er een aanvraag voor de verlening van de beschikbaarheidbijdrage had moeten worden ingediend.

3.

In afwijking van de beleidsregel Uniform Kader beschikbaarheidbijdrage neemt de NZa aanvragen die op of na 1 december van jaar t-1 worden ingediend, tot en met 31 december van jaar t in behandeling. De NZa kent bij aanvragen die zijn gedaan op of na 1 december van jaar t-1 geen voorschotten toe aan de opleidende zorgaanbieder. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 Awb, kan de NZa hiervan afwijken en kan bevoorschotting van overeenkomstige toepassing op de bijzondere gevallen worden toegepast.

4.

Aanvragen die na 31 december van jaar t worden ingediend, neemt de NZa niet in behandeling.

Artikel 6 Berekening verlening beschikbaarheidbijdrage – vervolgopleidingen tot (medisch) specialist

1.

  • a.

    Bij het verdelen van de instroomplaatsen over individuele zorgaanbieders houdt de NZa zich aan de maximale instroomaantallen, fte en criteria zoals opgenomen in de aanwijzing van de Minister van VWS van 24 juni 2026 (kenmerk 4422260-1100416-PZo. Hierbij betrekt de NZa de toewijzingsvoorstellen van TOP Opleidingsplaatsen en Stichting BOLS. Voor de opleidingen tot huisarts, specialist ouderengeneeskunde, arts voor verstandelijk gehandicapten en verslavingsarts baseert de NZa zich op de instroomaantallen in voornoemde aanwijzing. Vervolgens kent de NZa deze instroomplaatsen toe aan de individuele zorgaanbieders door middel van een Instroombeschikking.

  • b.

    Voorafgaand aan de publicatie van de aanvraagformulieren voor de verlening zal de NZa, naar aanleiding van de toewijzingsvoorstellen van Top Opleidingsplaatsen en Stichting BOLS, het voornemen tot vaststelling van de opleidingsaantallen publiceren. Deze publicatie heeft een voorbereidend karakter.

2.

Bij het berekenen van de hoogte van de beschikbaarheidbijdrage worden de instroomplaatsen voor (medisch) specialisten van vooropleidingen en opleidingen met een vooropleiding niet meegenomen. Instroomplaatsen van vooropleidingen en opleidingen met een vooropleiding worden achteraf gefinancierd, zie hiervoor artikel 10.1 sub c.

3.

De NZa verleent op aanvraag een beschikbaarheidbijdrage voor doorstroomplaatsen (medisch) specialist volgens de overzichten van de registratiecommissies met peildatum 31 oktober van jaar t-1. Voor de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat de NZa de doorstroomplaatsen verleent op basis van de overzichten van de CRT van de FGzPt.

4.

Bij het berekenen van de hoogte van de beschikbaarheidbijdrage wordt voor de (medisch) specialist in opleiding of de medisch beroepsbeoefenaar in dienst bij het Ministerie van Defensie een correctie toegepast voor een salariscomponent.

5.

De totale beschikbaarheidbijdrage waar een zorgaanbieder recht op heeft, is gebaseerd op het vergoedingsbedrag dat is vastgesteld door de NZa of aan de hand van de vergoedingsbedragen die de NZa van de minister per aanwijzing ontvangt.

De door de NZa vastgestelde vergoedingsbedragen staan in Bijlage 1 van deze beleidsregel.

6.

De NZa indexeert deze vergoedingsbedragen jaarlijks met de door VWS aangegeven percentages.

  • •

    Voor indexering van de vergoedingsbedragen voor de opleiding tot medisch specialist (m.u.v de opleiding orthodontie), de ggz-opleidingen en de ziekenhuisopleidingen wordt de verhouding aangehouden van 91,8% van de index voor de personele kosten en 8,2% van de index voor de materiële kosten.

  • •

    Voor de indexering van het vergoedingsbedrag voor de opleiding tot orthodontie wordt de verhouding aangehouden van 70% van de index voor personele kosten en 30% van de index voor de materiële kosten.

  • •

    Voor de vergoedingsbedragen voor de opleiding tot huisarts, specialist ouderengeneeskunde, arts verstandelijk gehandicapten en verslavingsarts wordt de verhouding gehanteerd van 93% van de index voor de personele kosten en 7% van de index voor de materiële kosten.

De index voor de personele kosten is gebaseerd op het percentage dat de overheid vaststelt: de overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (ova). Het Centraal Planbureau berekent het percentage op basis van de cao's en loonkostenontwikkeling in de markt.

De index voor de materiële kosten is gebaseerd op het prijsindexcijfer van het Centraal Planbureau.

De vergoedingsbedragen worden afgerond op een veelvoud van 100 euro.

Artikel 7 Berekening verlening beschikbaarheidbijdrage – ziekenhuisopleidingen

1.

De NZa toetst of de aanvragende zorgaanbieder in de opleidingsopgave van het CZO van oktober jaar t-2 tot en met september jaar t-1 voorkomt.

2.

De NZa verleent op aanvraag een beschikbaarheidbijdrage voor EPA’s en EOL waarvoor in de periode oktober jaar t-2 tot en met september jaar t-1 een certificaat is afgegeven, wanneer deze zijn opgenomen in de opleidingsopgave van het CZO van jaar t-1.

3.

De beschikbaarheidbijdrage waar een zorgaanbieder recht op heeft, wordt berekend aan de hand van de vergoedingsbedragen die de NZa heeft vastgesteld door middel van een rondrekening van de door de minister vastgestelde vergoedingsbedragen. De vergoedingsbedragen per EPA en/of EOL staan opgenomen in bijlage 2.

4.

De EPA’s/EOL voor de opleidingen genoemd in artikel 1.3 sub b (m.u.v. de opleiding tot klinisch perfusionist) kunnen met of zonder vooropleiding worden gevolgd. Het volgen van EPA's/EOL van deze opleiding waarbij de opleideling geen vooropleiding heeft gevolgd, wordt aangemerkt als inservice-opleiding. Op de opleidingen genoemd in artikel 1.3 sub b (m.u.v. de opleiding tot klinisch perfusionist) is een opslag op het vergoedingsbedrag van toepassing als deze zonder vooropleiding worden gevolgd. De vergoedingsbedragen voor de inservice opleidingen zijn opgenomen in bijlage 2 bij deze beleidsregel.

Artikel 8 Bevoorschotting

1.

De op grond van artikel 6 en 7 van deze beleidsregel totaal verleende beschikbaarheidbijdrage wordt voor 85% bevoorschot aan de opleidende zorgaanbieder die haar aanvraag voor 1 december van jaar t-1 heeft ingediend. Dit in afwijking van het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’.

2.

De bevoorschotting vindt in 10 termijnen plaats met de volgende verdeling: januari 8%, februari 8%, maart 8%, april 7%, mei 16%, juni 7%, juli 8%, augustus 8%, september 7% en oktober 8%. In de maanden november en december van jaar t vindt geen bevoorschotting plaats. Dit in afwijking van het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’.

3.

De feitelijke uitbetaling van de voorschotten gebeurt door Zorginstituut Nederland (ZINL).

Artikel 9 Vaststelling

1.

De opleidende zorgaanbieder moet vóór 1 juni van jaar t+1 de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage bij de NZa aanvragen.

2.

Volgens het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ is iedere opleidende zorgaanbieder die een verleningsbeschikking heeft ontvangen met een bedrag van € 200.000 of meer, bij de aanvraag tot vaststelling verplicht een door een accountant opgesteld assurance-rapport mee te leveren.2De NZa publiceert elk jaar voor het uitvoeren van de controle en het opstellen van een assurance-rapport door de accountant een Accountantsprotocol beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen op https://puc.overheid.nl/nza. Het bedrag aan ziekenhuisopleidingen in de aanvraag telt niet mee voor deze grens.

3.

In afwijking van artikel 5.2.4 en 5.2.5 van het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ controleert de NZa de aanvragen van opleidende zorgaanbieders waaraan een beschikbaarheidbijdrage is verleend van een bedrag minder dan € 200.000 (exclusief ziekenhuisopleidingen). De NZa raadpleegt hiervoor de opleidingsoverzichten van desbetreffende registratiecommissies. Voor de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat de NZa de opleidingsoverzichten van de CRT van de FGzPt raadpleegt. Wanneer de NZa significante afwijkingen constateert, neemt de NZa contact op met de zorgaanbieder. Indien de NZa het nodig acht heeft zij de bevoegdheid alsnog een assurance-rapport op te vragen bij de zorgaanbieder.

4.

De beschikbaarheidbijdrage kan lager worden vastgesteld als:

  • a

    De activiteiten waarvoor de beschikbaarheidbijdrage is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden.

  • b

    De zorgaanbieder niet heeft voldaan aan de verplichtingen die zijn verbonden aan de beschikbaarheidbijdrage zoals opgenomen in de verleningsbeschikking en deze beleidsregel.

  • c

    De zorgaanbieder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot verlening zou hebben geleid.

  • d

    De verlening van de beschikbaarheidbijdrage anderszins onjuist was en de zorgaanbieder dit wist of dit behoorde te weten.

5.

De NZa kan gegevens van de registratiecommissies raadplegen voor de eigen controle van de aanvragen voor vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage. Voor de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat de NZa de opleidingsoverzichten van de CRT van de FGzPt kan raadplegen. De NZa kan op basis van deze gegevens van de registratiecommissies de beschikking aanpassen.

Artikel 10 Berekening vaststelling beschikbaarheidbijdrage – vervolgopleidingen tot (medisch) specialist

1.

De hoogte van de gerealiseerde fte’s voor de vervolgopleiding tot (medisch) specialist wordt door de NZa vastgesteld, waarbij:

  • a

    Het aantal instroomplaatsen en/of fte (medisch) specialist per opleiding per opleidende zorgaanbieder niet hoger vastgesteld kan worden dan het aantal instroomplaatsen en/of instroom fte (medisch) specialist dat voor die zorgaanbieder in het verdeeloverzicht is vastgelegd. Als blijkt dat bij één of meerdere opleidingen het aantal aangevraagde plaatsen en/of fte hoger is dan in het verdeeloverzicht is opgenomen, dan zal de NZa het aantal personen en/of fte neerwaarts bijstellen tot het maximum van het verdeeloverzicht, tenzij er sprake is van:

    • •

      Een (medisch) specialist in vooropleiding die in het instroomjaar niet de opleiding volgt bij de opleidende zorgaanbieder waaraan de instroomplaats (medisch) specialist is toegewezen. De instroomplaatsen van opleidingen met een vooropleiding zijn in het verdeeloverzicht toegewezen aan de zorgaanbieder waar de eindopleiding wordt gevolgd.

    • •

      Vervanging van een (medisch) specialist in opleiding binnen een instroomjaar, waardoor het totaal aantal personen het verdeeloverzicht kan overschrijden. Het aantal fte mag in dit geval niet hoger zijn dan in het verdeeloverzicht is opgenomen.

  • b

    Het aantal instroomplaatsen en/of fte (medisch) specialist per opleiding per opleidende zorgaanbieder niet hoger vastgesteld kan worden dan het aantal instroomplaatsen dat voor die zorgaanbieder in het verdeeloverzicht is vastgelegd, tenzij er sprake is van onderstaande uitzonderingen. Genoemde uitzonderingen moeten aan de hand van de hieronder nader gespecificeerde documenten bij de aanvraag worden aangetoond.

    De uitzonderingen zijn:

    • •

      De ontbinding, vernietiging of nietigheid van een samenwerkingsovereenkomst voor wat betreft de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e, het intrekken van een opleidingserkenning van een opleidende zorgaanbieder waardoor een andere opleidende zorgaanbieder een of meer instroomplaatsen boven het verdeeloverzicht kan aanvragen. Hier dient een besluit van de relevante registratiecommissie of (opleidings)instituten als genoemd in de artikelen 1.19 tot en met en 1.21 aan ten grondslag te liggen.

    • •

      Faillissement van een opleidende zorgaanbieder, waardoor een andere opleidende zorgaanbieder een of meer instroomplaatsen boven het verdeeloverzicht krijgt toegekend. Hiervoor is goedkeuring nodig van het nieuwe opleidingsschema door de relevante registratiecommissie of (opleidings)instituut als genoemd in de artikelen 1.19 tot en met 1.21. Voor de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat deze goedkeuring door de CRT van de FGzPt moet worden verleend.

    • •

      Fusie van twee of meer opleidende zorgaanbieders waardoor één zorgaanbieder of de opvolgende rechtspersoon de instroomplaatsen krijgt toegewezen. Het totaal aantal plaatsen en fte’s van de gefuseerde zorgaanbieders kan niet hoger zijn dan het aantal plaatsen en fte’s van de afzonderlijke zorgaanbieders voor de fusie.

    • •

      Overplaatsing van de (medisch) specialist in opleiding door een uitspraak van een geschillencommissie of een centrale opleidingscommissie vanuit een opleidende zorgaanbieder naar een andere opleidende zorgaanbieder. De uitspraak moet bij de aanvraag tot vaststelling gevoegd worden.

  • c

    Het aantal instroomplaatsen (medisch) specialist van vooropleidingen en opleidingen met een vooropleiding wordt vastgesteld op basis van de aanvraag tot vaststelling.

  • d

    Een (medisch) specialist in opleiding3Deze situatie heeft geen betrekking op de verpleegkundig specialist ggz. een deel van de opleiding buiten Nederland kan volgen als er vooraf toestemming is van de relevante registratiecommissie of (opleidings)instituut als genoemd in de artikelen 1.19 tot en met 1.21. Voor de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat de opleidingsinstelling als bedoeld in artikel 1.6 deze toestemming geeft. De CRT van de FGzPt verwerkt dit in het opleidingsregister.

    Voorwaarden zijn:

    • •

      Het dienstverband en/of de arbeidsovereenkomst tussen de opleidende zorgaanbieder en de (medisch) specialist in opleiding moet voortduren;

    • •

      De opleiding buiten Nederland is vastgelegd in het opleidingsschema;

    • •

      De opleiding buiten Nederland mag niet leiden tot verlenging van de duur van de opleiding.

2.

De beschikbaarheidbijdrage kan naast de in artikel 9.4 genoemde omstandigheden lager worden vastgesteld als:

  • a

    Een (medisch) specialist in opleiding (tijdelijk) stopt met de opleiding. Dit wordt aangemerkt als uitval, ongeacht de reden daarvan. Als uitzondering op het voorgaande zal de beschikbaarheidbijdrage in ieder geval niet lager worden vastgesteld indien sprake is van:

    • •

      Uitval wegens ziekte: een zieke (medisch) specialist in opleiding telt mee in het gerealiseerde aantal fte indien de zorgaanbieder een loondoorbetalingsverplichting heeft; of

    • •

      onderbreking van de opleiding gedurende een geschil: de periode van onderbreking telt mee in het gerealiseerde aantal fte indien de zorgaanbieder een loonbetalingsverplichting heeft.

  • b

    De (medisch) specialist in opleiding tijd besteedt aan activiteiten die buiten de opleiding vallen, bijvoorbeeld het verrichten van onderzoek.

  • c

    De (medisch) specialist in opleiding vrijstellingen heeft en daardoor eerder gevolgde onderdelen van de opleiding niet hoeft te volgen.

  • d

    De opleiding (gedeeltelijk) in eigen tijd wordt gevolgd.

  • e

    De (medisch) specialist in opleiding of de medisch beroepsbeoefenaar in dienst is bij het Ministerie van Defensie. De opleiding wordt gevolgd bij een zorgaanbieder. Het salaris van de (medisch) specialist in opleiding of de medisch beroepsbeoefenaar wordt betaald door het Ministerie van Defensie.

  • f

    Voor een (medisch) specialist in opleiding ook op een andere wijze een vergoeding wordt ontvangen.

3.

De NZa houdt er bij de vaststelling van de definitieve beschikbaarheidbijdrage van de opleidingen tot (medisch) specialist rekening mee dat:

  • a

    Opleidingen niet altijd per 1 januari van het jaar beginnen.

  • b

    Een (medisch) specialist in opleiding die een doorstroomplaats (medisch) specialist bezet, gedurende het jaar kan wisselen van opleidende zorgaanbieder volgens de regels van de registratiecommissie. De wijzigingen worden door de NZa verwerkt bij de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage. Mutaties kunnen alleen plaatsvinden bij doorstroomplaatsen (medisch) specialist in opleiding, met uitzondering van de situatie als genoemd in artikel 1.16 sub b.

  • c

    De opleidende zorgaanbieder een aanvraag indient voor vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage van de instroomplaatsen (medisch) specialist van vooropleidingen en opleidingen met een vooropleiding. Gelet op artikel 6.2 vindt de bekostiging van deze vooropleidingen en opleidingen met een vooropleiding volledig bij de vaststelling plaats.

  • d

    Een instroomplaats (medisch) specialist in opleiding met een vooropleiding in het verdeeloverzicht wordt toegewezen aan de opleidende zorgaanbieder waar de eindopleiding wordt gevolgd.

4.

De hoogte van de beschikbaarheidbijdrage wordt vastgesteld, waarbij:

  • a

    Het aantal gerealiseerde fte per opleiding wordt bepaald, rekening houdend met de criteria van de artikelen 10.1 tot en met 10.3. De vergoedingsbedragen worden bepaald per opleiding.

  • b

    Voor specifieke opleidingen van de in artikel 1.22 genoemde werkgevers is per opleiding een component voor onvoorziene kosten aan het vergoedingsbedrag toegevoegd ter hoogte van 2% van het vergoedingsbedrag. Indien de algemene reserve per opleiding op 31 december hoger is dan 10% van de totale omzet uit de beschikbaarheidsbijdrage per opleiding exclusief de component voor onvoorziene kosten, wordt de component voor onvoorziene kosten bij de vaststelling in mindering gebracht op de beschikbaarheidbijdrage.

    De instelling dient bij de aanvraag tot vaststelling een jaarrekening in. In de jaarrekening dient onder het eigen vermogen de algemene reserve te zijn uitgesplitst naar elke opleiding waarvoor een beschikbaarheidbijdrage is ontvangen, hierbij moet ten minste een samenstellingsverklaring van de accountant worden overlegd. Indien de organisatie controleplichtig is dient een goedkeurende controleverklaring bij de jaarrekening te worden overlegd.

  • c

    Het aantal gerealiseerde fte per opleiding vermenigvuldigd wordt met het corresponderende vergoedingsbedrag.

  • d

    In de aanvraag tot vaststelling van de in artikel 1.22 sub a genoemde werkgever voor de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde en de opleiding tot huisarts wordt het vergoedingsbedrag opgehoogd met de btw-kosten voor de opleidingsinstituten. De btw-kosten worden alleen opgevoerd in de vaststellingsaanvraag als de btw-aangifte van jaar t volledig is afgerond en niet eerder al is opgegeven. In de vaststellingsaanvraag voegt de zorgaanbieder per samenwerkingsverband van opleidingsinstituten voor de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde en de opleiding tot huisarts in ieder geval de volgende stukken toe:

    • a

      btw-factuur van jaar t;

    • b

      berekening van de btw-kosten;

    • c

      schriftelijke afspraken met de Belastingdienst over de btw.

  • e

    Een vergoeding voor het aanhouden van eigen vermogen aan het vergoedingsbedrag als volgt wordt toegevoegd:

    • −

      2,09% van het vergoedingsbedrag voor de vervolgopleidingen genoemd onder artikel 1.2, sub a t/m c, de ziekenhuisopleidingen onder artikel 1.3 van deze beleidsregel;

    • −

      1% van het vergoedingsbedrag voor de vervolgopleidingen genoemd onder artikel 1.2 sub e t/m g, van deze beleidsregel, voor zover deze in de Zvw plaatsvinden

    • −

      1,17% van het vergoedingsbedrag voor de vervolgopleidingen genoemd onder artikel 1.2 sub e t/m g, van deze beleidsregel, voor zover deze in de Wlz plaatsvinden

    • −

      0,95% van het vergoedingsbedrag voor de vervolgopleidingen genoemd onder artikel 1.2 sub d van deze beleidsregel

Artikel 11 Berekening vaststelling beschikbaarheidbijdrage – ziekenhuisopleidingen

1.

  • a.

    De hoogte van de beschikbaarheidbijdrage voor de ziekenhuisopleidingen wordt vastgesteld door:

    • •

      het aantal gerealiseerde opleidingsplaatsen per ziekenhuisopleiding als genoemd in artikel 1.3 sub a en b die vóór 1 januari 2025 zijn gestart; en/of

    • •

      het aantal EPA’s en/of EOL, als genoemd in artikel 1.4, waarvoor een certificaat is behaald in jaar t

    te vermenigvuldigen met het corresponderende vergoedingsbedrag.

  • b.

    Voor de berekening van de hoogte van de beschikbaarheidbijdrage voor de ziekenhuisopleidingen worden bij het in artikel 11.1 onder a genoemde aantal gerealiseerde opleidingsplaatsen geen EPA’s en/of EOL vergoed. Hierop is één uitzondering. In het geval een opleideling wisselt van opleidende zorgaanbieder, en de oorspronkelijke opleidende zorgaanbieder reeds een beschikbaarheidbijdrage heeft ontvangen voor een gerealiseerde opleidingsplaats (en daarvoor een diploma is afgegeven) en bij de nieuwe opleidende zorgaanbieder specifieke EPA’s horende bij de betreffende kernleerroute gevolgd dienen te worden, komen de bij de nieuwe opleidende zorgaanbieder te volgen specifieke EPA’s voor vergoeding in aanmerking.

2.

  • a.

    De vergoedingsbedragen voor ziekenhuisopleidingen in artikel 1.3 sub a en b zijn vastgesteld door de minister en worden jaarlijks geïndexeerd door de NZa.

  • b.

    De vergoedingsbedragen voor de in artikel 1.4 genoemde EPA’s en/of EOL heeft de NZa vastgesteld door middel van een rondrekening aan de hand van de door de minister vastgestelde vergoedingsbedragen. De vergoedingsbedragen per EPA en/of EOL staan opgenomen in bijlage 2. Deze worden jaarlijks geïndexeerd.

  • c.

    De EPA’s/ EOL voor de opleidingen genoemd in artikel 1.3 sub b (m.u.v. de opleiding tot klinisch perfusionist) kunnen met of zonder vooropleiding worden gevolgd. Het volgen van EPA's/EOL van deze opleiding waarbij de opleideling geen vooropleiding heeft gevolgd, wordt aangemerkt als inservice-opleiding. Op de opleidingen genoemd in artikel 1.3 sub b (m.u.v. de opleiding tot klinisch perfusionist) is een opslag op het vergoedingsbedrag van toepassing als deze zonder relevante vooropleiding worden gevolgd. De vergoedingsbedragen van de EPA’s/EOL van de voor de inservice opleidingen zijn opgenomen in bijlage 2 bij deze beleidsregel.

3.

Het aantal gerealiseerde opleidingsplaatsen, uitgedrukt in het aantal gediplomeerden en/of het aantal EPA’s en/of EOL waarvoor een certificaat is behaald, als genoemd in artikel 11.1, wordt vastgesteld op basis van de opleidingsopgave van het CZO over jaar t.

4.

Voor de opleidingen als genoemd in artikel 1.3 en 1.4 geldt dat gedurende de gehele periode waarover de beschikbaarheidbijdrage wordt aangevraagd, een door het CZO afgegeven erkenning aanwezig is voor deze opleidingen.

5.

Voor een opleideling kan maar één keer beschikbaarheidbijdrage worden ontvangen voor dezelfde ziekenhuisopleiding en/of EPA en/of EOL.

De uitzondering zoals in artikel 11.1 b is omschreven is hier van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12 Intrekken oude beleidsregel

Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze beleidsregel wordt de Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2026, met kenmerk BR/REG-26138, ingetrokken.

Artikel 13 Toepasselijkheid voorafgaande beleidsregel

De Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2026, met kenmerk BR/REG-26138, blijft van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die beleidsregel en die betrekking hebben op de periode waarvoor die beleidsregel gold.

Artikel 14 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2027.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder e, van de Bekendmakingswet, zal deze beleidsregel in de Staatscourant worden geplaatst.

De beleidsregel ligt ter inzage bij de NZa en is te raadplegen op www.nza.nl.

Artikel 15 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2027.

Toelichting

Om zorg als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet langdurige zorg (Wlz) beschikbaar te hebben, zijn (medische) vervolgopleidingen noodzakelijk. In het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG (een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 56a van de Wmg) zijn daarom de (medische) vervolgopleidingen aangewezen die in aanmerking kunnen komen voor een beschikbaarheidbijdrage (artikel 2 van het Besluit en onderdeel B, onder 1, van de bijlage bij het Besluit).

Het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ geldt als algemene beleidsregel voor meerdere beschikbaarheidbijdragen die de NZa verstrekt, waaronder de beschikbaarheidbijdrage voor (medische) vervolgopleidingen. Dit betekent dat de NZa in beginsel haar beleid uitvoert volgens dit uniform kader, tenzij deze beleidsregel iets anders voorschrijft.

Op 14 oktober 2025 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) uitspraak gedaan in de zaak van de OOR Noord West Nederland tegen de minister inzake de vaststelling door de minister van het aantal beschikbare instroomplaatsen voor de (medische) vervolgopleidingen voor 2024 en 2025.4CBb 14 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2025:550 Het CBb heeft geoordeeld dat er geen bevoegdheid is voor zowel de minister als de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) om een verdeeloverzicht vast te stellen voor de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen. De minister is enkel bevoegd om verdeelcriteria en de totale instroomaantallen per opleiding vast te leggen, zoals in de aanwijzing van 10 december 2025 (met kenmerk 4315913-1091949-PZo) wordt gedaan. Daarnaast stelt de rechter dat het in de huidige systematiek van de Wmg passend zou zijn als de NZa deze verdeling van instroomplaatsen op zorgaanbiederniveau zou doen. Deze opdracht aan de NZa voor 2026 is vastgelegd in de aanwijzing van 10 december 2025 (met kenmerk 4315913-1091949-PZo). Het beleid is in lijn gebracht met deze uitspraak en aanwijzingen van VWS.

Door middel van onderstaand voorbeeld wordt de vooropleiding uitgelegd:

De afdeling ‘maag-darm-leverziekten’ (mdl) verzorgt de opleiding tot mdl-arts. De opleiding tot mdl-arts duurt zes jaar en bestaat uit twee jaar (voor)opleiding interne geneeskunde en vier jaar (eind)opleiding mdl. Dit betekent dat de (medisch) specialist in opleiding niet de volledige opleiding interne geneeskunde dient af te ronden, maar twee jaar van deze opleiding volgt.

De vooropleiding hoeft niet per definitie voorafgaand aan de 'eindopleiding' te worden gevolgd. De opleidingen interne geneeskunde en heelkunde zijn geen opleidingen met een vooropleiding.

Als een (medisch) specialist in opleiding om inhoudelijke redenen doorstroomt naar een andere opleidende zorgaanbieder, wordt dit vastgelegd bij de desbetreffende registratiecommissie. Voor de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat de CRT van de FGzPt dit verwerkt in hun opleidingsregister. Een (medisch) specialist in opleiding op een doorstroomplaats kan niet worden vervangen.

Voor het subsidiejaar 2027 stelt de minister geen verdeeloverzicht meer op, maar maakt de NZa de verdeling van instroomplaatsen kenbaar in de instroombeschikking voor 2027. In een instroombeschikking kent de NZa de instroomplaatsen en aantallen fte per opleiding per zorgaanbieder toe, dit is voor 2027 opgenomen in de verlenings- en vaststellingsbeschikking. Ook het verdeeloverzicht is opgenomen als bijlage bij de verlenings- en vaststellingsbeschikking.

Vanwege de uitspraak van het CBb en de aanwijzing van de minister van 24 juni 2026 (kenmerk 4422260-1100416-PZo), in combinatie met de tijdslijnen in deze beleidsregel, wordt voor het subsidiejaar 2027 de instroombeschikking gelijktijdig met de verlenings- en vaststellingsbeschikking afgegeven.

Deze beleidsregel is van toepassing op alle erkende opleidende zorgaanbieders die de (medische) vervolgopleidingen verzorgen. Voor de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat sprake moet zijn van een samenwerkingsovereenkomst tussen de praktijkopleidingsinstelling die de beschikbaarheidbijdrage aanvraagt en een door de minister aangewezen opleidingsinstelling.

  • •

    Nadat de NZa een aanvraag heeft ontvangen van een erkende opleidende zorgaanbieder, beoordeelt zij deze en geeft beschikkingen af. De NZa geeft afzonderlijke beschikkingen af voor opleidingen die bekostigd worden uit het Zvf (vanuit de Zvw gefinancierde opleidingen) en het Flz (vanuit de Wlz gefinancierde opleidingen). De beschikbaarheidbijdrage wordt per kalenderjaar verstrekt.

  • •

    De (medisch) specialist in opleiding tot arts voor verstandelijk gehandicapten, specialist ouderengeneeskunde, gezondheidszorgpsycholoog voor gehandicaptenzorg en verpleeghuizen, klinisch psycholoog voor gehandicaptenzorg en psychotherapeut voor gehandicaptenzorg worden bekostigd uit het Flz. De andere in het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG genoemde opleidingen worden bekostigd uit het Zvf.

Alleen opleidende zorgaanbieders die erkend zijn, kunnen in aanmerking komen voor een beschikbaarheidbijdrage. Een opleidende zorgaanbieder ontvangt van een registratiecommissie een erkenning om een vervolgopleiding tot (medisch) specialist te verzorgen (niet zijnde een in artikel 1.2 sub e genoemde opleiding). Het college van de betreffende registratiecommissie stelt eisen aan een opleiding en de betreffende registratiecommissie controleert of opleidende zorgaanbieders zich hieraan houden.

Alleen de uren waarin een (medisch) specialist in opleiding is, vallen onder de beschikbaarheidbijdrage. Stel dat een arts in opleiding meer uren werkt dan hij/zij in opleiding is, bijvoorbeeld bij een parttime opleiding maar met een volledige deelname in het dienstenrooster, dan tellen deze extra uren naast de parttime-opleidingsuren niet mee in het gerealiseerde aantal fte.

Enkele rekenvoorbeelden voor het berekenen van fte’s:

Pieter is in een jaar fulltime in opleiding tot cardioloog in een UMC. Pieter is daar in dienst. Voor de fte bepaling in een UMC wordt een werkweek van 36 uur voor een AIOS gehanteerd. De tweede helft van het jaar (dat staat gelijk aan 0,5 jaar) doet Pieter zijn opleiding in een algemeen ziekenhuis, waar de cao een werkweek voor een AIOS van 38 uur omvat. De cao van het ziekenhuis waar Pieter in dienst is (het UMC met een 36-urige werkweek), blijft gedurende zijn opleidingsjaar leidend voor de fte berekening. De berekening van het aantal gerealiseerde fte voor het hele jaar is als volgt:

0,5 * 36/36 = 0,5 fte voor het eerste half jaar

0,5 * 38/38 = 0,5 fte voor het tweede half jaar

Totaal voor het jaar = 1 fte

Nog een rekenvoorbeeld:

Jantine is 1 september 2020 gestart met haar opleiding tot klinisch psycholoog. Ze heeft in 2020 voor 4 maanden opleiding gevolgd, dat staat gelijk aan 0,33 jaar. Ze is voor 32 uur per week in dienst, maar wordt 27 uur per week opgeleid (dit is het maximum conform het opleidingsregister). Uit de geldende cao blijkt dat een fulltime plaats 36 uur omvat. Het aantal fte dat voor Jantine in de aanvraag ingevuld mag worden is dan:

0,33 * 27 / 36 = 0,25 fte

Nog een rekenvoorbeeld:

Hans is in een jaar fulltime in opleiding tot cardioloog in een algemeen ziekenhuis. Hans is daar in dienst. Voor de fte bepaling in een algemeen ziekenhuis wordt een werkweek van 38 uur voor een AIOS gehanteerd. De tweede helft van het jaar (dat staat gelijk aan 0,5 jaar) zet Hans zijn opleiding voort in een UMC, waar de cao een werkweek van 36 uur voor een AIOS omvat. De cao van het ziekenhuis waar Hans in dienst is (het algemeen ziekenhuis met een 38-urige werkweek), blijft gedurende zijn opleidingsjaar leidend voor de fte berekening. De berekening van het gerealiseerde aantal fte voor het hele jaar is als volgt:

0,5 * 38/38 = 0,5 fte voor het eerste half jaar

0,5 * 36/36 = 0,5 fte voor het tweede half jaar

Totaal voor het jaar = 1 fte

Het is mogelijk om een boventallige doorstromer aan een instroomplaats toe te wijzen. Vanaf het moment dat de boventallige doorstromer is toegewezen aan een rechtmatige instroomplaats, kan deze persoon na afloop van dat jaar subsidiabel doorstromen. Dit moet bij de betreffende registratiecommissie kenbaar gemaakt en geregistreerd worden.

Een aanvraag mag alleen worden ingediend door de opleidende zorgaanbieder bij wie de (medisch) specialist in opleiding geregistreerd staat volgens de registratiecommissie.

Bij detachering dient in de schriftelijke overeenkomst het aantal fte’s dat de opleideling bij iedere zorgaanbieder wordt opgeleid, alsmede de periode waarover de detachering van de opleideling plaatsvindt, te zijn opgenomen. Dit betekent dat de verdeling van de fte per opleideling over de zorgaanbieders en de start- en einddatum van de detachering in de overeenkomst moeten staan. Eventuele wijzigingen van deze verdeling of de periode moeten eveneens in (een addendum op) de overeenkomst zijn opgenomen.

Hieronder vindt u twee voorbeelden van een fusie tussen twee opleidende zorgaanbieders, waaruit duidelijk wordt hoe de opleidende zorgaanbieders5In de beschreven voorbeelden wordt uitgegaan van het ontstaan van een nieuwe organisatie (en bijbehorend NZa-nummer). Het kan ook zijn dat bij een fusie één van de twee NZa-nummers blijft behouden als NZa-nummer voor de gefuseerde organisatie. de aanvragen in moeten dienen in geval van fusie en hoe de NZa beschikkingen afgeeft.

Voorbeeld 1:

Zorgaanbieder A (NZa-nummer 100) en zorgaanbieder B (NZa-nummer 150) fuseren op 10 juli 2020 tot zorgaanbieder C (NZa-nummer 200). Zij dienen als volgt aanvragen in:

  • •

    Verlening 2020

    Beide zorgaanbieders dienen een aanvraag in voor hun eigen beschikbaarheidbijdrage. Vóór 1 oktober 2019 dient zorgaanbieder A een aanvraag in tot verlening onder NZa-nummer 100 en zorgaanbieder B onder NZa-nummer 150. De NZa geeft op basis van deze aanvragen twee afzonderlijke beschikkingen af.

  • •

    Vaststelling 2020

    Beide zorgaanbieders dienen een aanvraag in voor hun eigen beschikbaarheidbijdrage. Vóór 1 juni 2021 dient zorgaanbieder A een aanvraag in tot vaststelling onder NZa-nummer 100 en zorgaanbieder B onder NZa-nummer 150. De NZa geeft op basis van deze aanvragen twee afzonderlijke beschikkingen af.

  • •

    Verlening 2021 (en verdere verleningen)

    De gefuseerde zorgaanbieder C dient vóór 1 oktober 2020 een aanvraag in onder NZa-nummer 200. De NZa geeft op basis van deze aanvraag één beschikking af.

  • •

    Vaststelling 2021 (en verdere vaststellingen)

    Zorgaanbieder C dient vóór 1 juni 2022 een aanvraag in onder NZa-nummer 200. De NZa geeft op basis van deze aanvraag één beschikking af.

Voorbeeld 2:

Zorgaanbieder A (NZa-nummer 300) en zorgaanbieder B (NZa-nummer 350) fuseren op 1 januari 2020 tot zorgaanbieder C (NZa-nummer 400).

Zij dienen als volgt aanvragen in:

  • •

    Verlening 2020 (en verdere verleningen)

    De gefuseerde zorgaanbieder C dient vóór 1 oktober 2019 een aanvraag in onder NZa-nummer 400. De NZa geeft op basis van deze aanvraag één beschikking af.

  • •

    Vaststelling 2019

    Beide zorgaanbieders dienen een aanvraag in voor hun eigen beschikbaarheidbijdrage. Vóór 1 juni 2020 dient zorgaanbieder A een aanvraag in onder NZa-nummer 300 en zorgaanbieder B onder NZa-nummer 350. De NZa geeft op basis van deze aanvragen twee afzonderlijke beschikkingen af.

  • •

    Vaststelling 2020 (en verdere vaststellingen)

    De gefuseerde zorgaanbieder C dient vóór 1 juni 2021 een aanvraag in onder NZa-nummer 400. De NZa geeft op basis van deze aanvraag één beschikking af.

Het vergoedingsbedrag van de (medisch) specialist is gedurende de gehele opleiding gekoppeld aan het hoofdspecialisme. Voorbeeld: een psychiater in opleiding is in het kader van zijn of haar opleiding drie maanden in opleiding bij de afdeling neurologie. Bij het berekenen van de hoogte van de beschikbaarheidbijdrage wordt het aantal gerealiseerde fte vermenigvuldigd met het vergoedingsbedrag van de opleiding psychiatrie. Ook voor de drie maanden dat de psychiater in opleiding bij de afdeling neurologie in opleiding is, moet bij de berekening van het aantal gerealiseerde fte worden uitgegaan van het vergoedingsbedrag dat hoort bij psychiatrie.

  • •

    De NZa streeft er naar om de aanvraagformulieren uiterlijk vijf weken voor het verstrijken van de deadline te publiceren.

    De aanvrager dient het formulier tijdig en volledig in te vullen. Het is daarbij belangrijk dat de aanvrager de toelichting zorgvuldig leest, zodat de NZa een complete aanvraag ontvangt. De aanvrager gebruikt één formulier voor alle (medische) vervolgopleidingen gefinancierd uit het Zorgverzekeringsfonds en uit het Fonds langdurige zorg. Het formulier is voor zowel de opleidingen tot (medisch) specialist als de ziekenhuisopleidingen.

  • •

    De aanvraag is volledig als het formulier helemaal is ingevuld. De bestuursverklaring is rechtsgeldig wanneer deze is ondertekend door de Raad van Bestuur of bevoegde vertegenwoordiger van de opleidende zorgaanbieder. U kunt de volledige procedure voor het aanvragen van de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen teruglezen op de informatiekaart ‘Aanvraagproces beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen’, te vinden op https://puc.overheid.nl/nza.

  • •

    De deadline voor de verlening van de beschikbaarheidbijdrage is 1 december van jaar t-1. De NZa neemt, conform de Algemene wet bestuursrecht, ook aanvragen die vanaf 1 december van jaar t-1 tot en met en 31 december van jaar t zijn ingediend, in behandeling. Zorgaanbieders die een aanvraag hebben ingediend in die periode en waarvan deze aanvraag vervolgens wordt gehonoreerd, komen niet voor bevoorschotting in aanmerking. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 Awb, kan de NZa hiervan afwijken.

  • •

    De deadline voor het indienen van de verlening wordt voor het jaar 2027 eenmalig verschoven naar 1 december 2026. Aanleiding hiervoor is dat de totale opleidingsaantallen per specialisme later dan in voorgaande jaren door het Ministerie van VWS zijn vastgesteld. Hierdoor is ook de publicatie van de definitieve toewijzingsvoorstellen door Stichting BOLS en TOP Opleidingsplaatsen later bekend.

  • •

    Met de verleningsbeschikking ontvangt de opleidende zorgaanbieder een voorlopige aanspraak op de beschikbaarheidbijdrage voor het verzorgen van de (medische) vervolgopleidingen.

In de aanwijzing van de minister aan de NZa van 10 december 2025 (met kenmerk 4315913-1091949-PZo) staan criteria waar de NZa zich aan moet houden bij het verdelen van de maximale aantallen instroomplaatsen en bijbehorende fte over de opleidende zorgaanbieders. Dit betreffen de volgende criteria:

  • •

    bij het verdelen van de medisch-specialistische instroomplaatsen over de OOR's, houdt de NZa een verdeling aan op basis van het criterium 100% adherentie alle instellingen (de basisverdeling). Dit houdt in dat bij de verdeling van de medisch-specialistische instroomplaatsen over de OOR's wordt gekeken naar de omvang van de zorgvraag van de bevolking in het verzorgingsgebied voor alle instellingen binnen de OOR's. Om grote schommelingen in de instroomverdeling per OOR per jaar te voorkomen houdt de NZa bij invulling van het criterium 100% adherentie alle instellingen rekening met:

    • ○

      een ondergrens van 10% van de landelijke instroom per OOR. Voor het in stand houden van de infrastructuur die nodig is voor het opleiden van artsen in opleiding tot (medisch) specialist. Als deze grens in een OOR niet wordt bereikt, wijst de NZa aan de betreffende OOR instroomplaatsen van andere OOR's toe. Dit dient naar rato verrekend te worden over de andere OOR's.

    • ○

      de mogelijkheid om te schuiven met maximaal 30 instroomplaatsen tussen OOR's ten opzichte van de basisverdeling, met een bandbreedte van maximaal -8 tot +10 plaatsen per OOR. Het criterium 100% adherentie alle instellingen met de aandachtspunten hierbij, geldt niet voor de opleidingen psychiatrie, sportgeneeskunde en orthodontie.

  • •

    Voor de opleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog, klinisch psycholoog, klinisch neuropsycholoog, psychotherapeut en verpleegkundig specialist GGZ houdt de NZa rekening met de volgende uitgangspunten:

    • ○

      de instroomplaatsen worden verdeeld per sector, gebruikmakend van de ramingen van het Capaciteitsorgaan;

    • ○

      instroomplaatsen waarvoor geen beschikbaarheidbijdrage is verleend in een vorig jaar, worden niet meegeteld indien er in de verdeling van de instroomplaatsen rekening wordt gehouden met het historisch opleidingsvolume;

    • ○

      zowel bestaande als nieuwe opleidende zorgaanbieders komen in aanmerking voor instroomplaatsen;

    • ○

      gestimuleerd wordt dat in samenwerkingsverbanden wordt opgeleid waaraan ten minste één zorgaanbieder deelneemt, die gespecialiseerde geïntegreerde ggz (specialistische ggz – ambulante en klinische zorg) levert en beschikt over een geldig kwaliteitsstatuut, sectie III (Instellingen).

  • •

    De NZa betrekt bij de verdeling van de instroomplaatsen de toewijzingsvoorstellen van TOP Opleidingsplaatsen en Stichting BOLS.

Bij het berekenen van de beschikbaarheidbijdrage worden de instroomplaatsen (medisch) specialisten van vooropleidingen en opleidingen met een vooropleiding niet meegenomen, omdat van tevoren niet duidelijk is waar de vooropleiding wordt gevolgd. Dit betekent dat de instroomplaatsen (medisch) specialist van vooropleidingen en opleidingen met een vooropleiding niet worden bevoorschot gedurende het jaar. De realisatie van deze instroomplaatsen berekent en verrekent de NZa bij de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage na afloop van het jaar waarin de vooropleiding of de opleiding met een vooropleiding is verzorgd.

Het salaris van de (medisch) specialist in opleiding of de medisch beroepsbeoefenaar wordt betaald door het Ministerie van Defensie. Bij de aanvraag tot verlening voor de medisch specialist in opleiding geeft de opleidende zorgaanbieder per specialisme het aantal personen en fte’s op dat wordt opgeleid voor Defensie. De beschikbaarheidbijdrage voor deze aios zal worden verleend op het aantal fte maal het vergoedingsbedrag minus een salariscomponent.

In het kostprijsonderzoek ggz en fz 2024 zijn de kosten voor de kapitaallasten niet meegenomen. Deze worden separaat aan het kostenbedrag toegevoegd. Voor de ggz opleidingen sluiten we aan bij de vergoedingsbedragen voor de medisch specialistische vervolgopleidingen, waar de kapitaallasten 4,3% bedragen van de vergoeding. We sluiten aan bij de vergoedingsbedragen voor de medisch specialistische vervolgopleidingen, omdat er geen reden is om aan te nemen dat voor de ggz moet worden uitgaan van een ander percentage. Bovendien is zo veel mogelijk eenheid in het beleid hierbij gewenst. De bedragen uit het kostprijsonderzoek ggz en fz 2024 zijn daarom verhoogd om ook een vergoeding te bieden voor de kapitaallasten.

De vergoedingsbedrag voor de ggz opleidingen in tabel 1 van bijlage 1 zijn inclusief kapitaallasten.

Voor de verlening van EPA’s en EOL baseert de NZa zich op de opleidingsopgave van het CZO in de periode oktober t-2 tot en met september jaar t-1. Er is gekozen voor deze periode omdat het een geheel kalenderjaar omvat en het de meest recente en nauwkeurige inschatting geeft.

Opleidende zorgaanbieders worden gedurende het jaar tot 85% bevoorschot zodat het merendeel van de opleidende zorgaanbieders na afloop van het jaar zo min mogelijk hoeft terug te betalen.

Vanwege het grote belang van tijdig indienen, kan de NZa een kortingsmethodiek hanteren indien de aanvraag voor vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage niet tijdig en/of niet compleet wordt ingediend. De kortingsmethodiek staat beschreven in het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’.

Het verleende bedrag exclusief ziekenhuisopleidingen is bepalend voor de grens van € 200.000.

Voorbeeld:

Zorgaanbieder A leidt twee (medisch) specialisten op die in september starten met de opleiding. Zorgaanbieder A krijgt bij de verlening 2 fte verleend, dat boven de € 200.000 uitkomt. Bij de vaststelling valt het bedrag lager dan € 200.000 uit, omdat de (medisch) specialisten halverwege het subsidiejaar gestart zijn. Zorgaanbieder A dient wel een assurance-rapport aan te leveren omdat het verleende bedrag hoger is dan € 200.000.

Als een opleidende zorgaanbieder een aanvraag tot vaststelling doet van een beschikbaarheidbijdrage voor zowel een vervolgopleiding tot (medisch) specialist als een ziekenhuisopleiding, telt het bedrag in de verleningsbeschikking voor de ziekenhuisopleiding niet mee voor het bepalen van de grens van € 200.000. Vanaf deze grens moet er een assurance-rapport worden aangeleverd. Zie de volgende voorbeelden met fictieve bedragen:

  • •

    Zorgaanbieder A vraagt een beschikbaarheidbijdrage aan voor één aios cardiologie en ontvangt hiervoor een verleningsbedrag van € 250.000. Zorgaanbieder A moet vervolgens voor de vaststelling een assurance-rapport aanleveren.

  • •

    Zorgaanbieder B vraagt een beschikbaarheidbijdrage aan voor één aios psychiatrie en voor meerdere seh-verpleegkundigen in opleiding vanuit de ziekenhuisopleidingen. Zorgaanbieder B ontvangt voor de aios psychiatrie een verleningsbedrag van € 100.000 en voor de ziekenhuisopleidingen een verleningsbedrag van € 200.000. De totale aanvraag verlening is € 300.000.

    Zorgaanbieder B hoeft voor de vaststelling geen assurance-rapport aan te leveren, omdat ziekenhuisopleidingen niet meetellen voor de eis om een assurance-rapport aan te leveren vanaf € 200.000.

  • •

    Zorgaanbieder C vraagt een beschikbaarheidbijdrage aan voor meerdere seh-verpleegkundigen in opleiding vanuit de ziekenhuisopleidingen en ontvangt hiervoor een verleningsbedrag van € 300.000. Zorgaanbieder C hoeft voor de vaststelling geen assurance-rapport aan te leveren, omdat ziekenhuisopleidingen niet meetellen voor de eis om een assurance-rapport aan te leveren vanaf € 200.000.

De NZa houdt bij de vaststelling van de definitieve beschikbaarheidbijdrage van de opleidingen tot (medisch) specialist rekening met het verdeeloverzicht, waarbij;

  • •

    Opleidingen niet altijd per 1 januari van het jaar beginnen; (medische) specialisten in opleiding kunnen ook gedurende het jaar met de opleiding starten. Daarnaast kan het voorkomen dat een opleidende zorgaanbieder minder instroomplaatsen (medisch) specialist heeft gerealiseerd dan voorafgaand aan het jaar is aangevraagd;

  • •

    Gedurende het jaar (medische) specialisten in opleiding die een doorstroomplaats (medisch) specialist bezetten, kunnen wisselen van opleidende zorgaanbieder volgens de regels van de registratiecommissies. Deze wijzigingen moeten vooraf worden doorgegeven aan desbetreffende registratiecommissie. De wijzigingen worden na afloop van jaar t door de NZa verwerkt bij de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage.

  • •

    De NZa heeft geen beschikking afgegeven voor de verlening van de beschikbaarheidbijdrage van de vooropleidingen en de opleidingen met een vooropleiding. Daarom vindt de bekostiging van deze opleidingen volledig achteraf plaats.

  • •

    Bij enkele (medische) vervolgopleidingen is het toegestaan dat een (medisch) beroepsbeoefenaar in opleiding met de eindopleiding begint en op een later moment start met de vooropleiding. Als uit het opleidingsschema van de (medisch) specialist in opleiding blijkt dat hij/zij begint met de eindopleiding, dan kan de beschikbaarheidbijdrage alleen worden verstrekt aan de opleidende zorgaanbieder die de instroomplaats (medisch) specialist toegewezen heeft gekregen.

De hoofdregel is dat de beschikbaarheidbijdrage lager kan worden vastgesteld indien een (medisch) specialist in opleiding (tijdelijk) stopt met de opleiding. Het (tijdelijk) stoppen van de opleiding wordt aangemerkt als uitval, ongeacht de reden van het (tijdelijk) stoppen van de opleiding (behoudens de in dit artikel genoemde uitzonderingen). Dit betekent dat bijvoorbeeld zwangerschaps- en bevallingsverlof worden aangemerkt als uitval. Uitval telt niet mee in het gerealiseerde aantal fte.

Bij de aanvraag tot vaststelling voor de medisch specialist in opleiding geeft de opleidende zorgaanbieder per specialisme het aantal personen en fte’s op dat wordt opgeleid voor Defensie. De beschikbaarheidbijdrage voor deze aios zal worden vastgesteld op het aantal fte maal het vergoedingsbedrag minus een salariscomponent.

Bij de aanvraag tot vaststelling voor ziekenhuisopleidingen geeft de opleidende zorgaanbieder per zorgopleiding het aantal gediplomeerden op dat wordt opgeleid voor Defensie. De beschikbaarheidbijdrage voor deze opleideling zal worden vastgesteld op het aantal gediplomeerden voor Defensie maal het vergoedingsbedrag minus een salariscomponent.

De NZa berekent de salariscomponent op basis de salariscomponent van jaar t-1 en indexeert deze met de personele index.

Als voor een (medisch) specialist in opleiding – naast de beschikbaarheidbijdrage – ook op een andere wijze een vergoeding wordt ontvangen, is sprake van dubbele bekostiging. Indien op andere wijze een vergoeding wordt ontvangen, wordt het totaalbedrag van die vergoeding bij de vaststelling in mindering gebracht op de beschikbaarheidbijdrage. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij ziekte als gevolg van zwangerschap, waarbij de werkgever c.q. opleidende zorgaanbieder een Ziektewet-uitkering ontvangt van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.

Zodra de vergoedingsbedragen bekend zijn, publiceert de NZa de vergoedingen per opleiding op https://puc.overheid.nl/nza.

De vergoedingsbedragen die door de NZa zijn vastgesteld staan in Bijlage 1 van deze beleidsregel. De vergoedingsbedragen per EPA en/of EOL staan vermeldt in Bijlage 2 van deze beleidsregel. De vergoeding voor de opleiding orthodontie is te vinden in de aanwijzing van de minister6Aanwijzing van 17 september 2012 (kenmerk MC-U-3131142), hierbij hanteren we het hoogste bedrag voor de orthodontie voor algemene ziekenhuizen wegens het vervallen van de staffel voor vervolgopleidingen per 2026.

Periodiek worden de vergoedingsbedragen voor de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen herijkt.

De beleidsregel is geldig voor de aanvragen tot verlening en vaststelling die gaan over het subsidiejaar 2027.

De beschikbaarheidbijdragen voor de ggz-opleidingen worden berekend aan de hand van de vergoedingsbedragen genoemd in tabel 1.

De beschikbaarheidbijdragen voor de opleidingen arts voor verstandelijk gehandicapten, huisarts, specialist ouderengeneeskunde en verslavingsarts worden berekend aan de hand van de vergoedingsbedragen genoemd in tabel 2.

De beschikbaarheidbijdrage voor de (medisch) specialistische opleidingen worden genoemd in tabel 3.

Opleiding

Bedrag

Gezondheidszorgpsycholoog

€ 68.293

Psychotherapeut

€ 87.371

Klinisch psycholoog

€ 103.298

Klinisch neuropsycholoog

€ 125.908

Psychiater in de ggz

€ 113.854

Klinisch geriater in de ggz

€ 114.883

Verpleegkundig specialist in de ggz

€ 93.797

Opleiding

Bedrag

Arts voor verstandelijk gehandicapten

€ 134.737

Huisarts

€ 136.247

Specialist ouderengeneeskunde

€ 119.165

Verslavingsarts

€ 109.298

Vervolgopleiding

Academisch Ziekenhuis

Algemeen Ziekenhuis

Categorale Instelling

Revalidatiecentrum

SBOS

Anesthesiologie

€ 147.600

€ 169.000

Cardiologie

€ 147.600

€ 169.000

Cardio-thoracale chirurgie

€ 147.600

€ 169.000

Dermatologie en venerologie

€ 147.600

€ 169.000

Heelkunde

€ 147.600

€ 169.000

Interne Geneeskunde

€ 147.600

€ 169.000

Kaakchirurgie

€ 147.600

€ 169.000

Keel-neus-oorheelkunde

€ 147.600

€ 169.000

Kindergeneeskunde

€ 147.600

€ 169.000

Klinische chemie

€ 147.600

€ 169.000

Klinische fysica

€ 147.600

€ 169.000

€ 169.000

Klinische genetica

€ 147.600

€ 169.000

Klinische geriatrie in ziekenhuiszorg

€ 147.600

€ 169.000

Longziekten en tuberculose

€ 147.600

€ 169.000

Maag-darm-leverziekten

€ 147.600

€ 169.000

Medische microbiologie

€ 147.600

€ 169.000

€ 169.000

Neurochirurgie

€ 147.600

€ 169.000

Neurologie

€ 147.600

€ 169.000

€ 169.000

Obstetrie en gynaecologie

€ 147.600

€ 169.000

Oogheelkunde

€ 147.600

€ 169.000

Orthopedie

€ 147.600

€ 169.000

Pathologie

€ 147.600

€ 169.000

€ 169.000

Plastische chirurgie

€ 147.600

€ 169.000

Psychiatrie in ziekenhuiszorg

€ 147.600

€ 169.000

Radiologie

€ 147.600

€ 169.000

Radiotherapie

€ 147.600

€ 169.000

€ 169.000

Reumatologie

€ 147.600

€ 169.000

Revalidatiegeneeskunde

€ 147.600

€ 169.000

€ 169.000

Spoedeisende geneeskunde

€ 147.600

€ 169.000

Urologie

€ 147.600

€ 169.000

Ziekenhuisfarmacie

€ 147.600

€ 169.000

Sportarts

€ 172.380

Uit de rekenmethodiek volgen de onderstaande bedragen per EPA /EOL. Deze bedragen zijn op prijspeil definitief 2024.

EPA/EOL-code

Def 2024

EPA/EOL-code

Def 2024

AZ-FO-1 (BAZ)

2.469,91

AZ-SEH-4

4.159,33

AZ-FO-2 (BAZ)

4.939,82

AZ-SEH-5

2.079,67

AZ-FO-3 (BAZ)

4.939,82

AZ-SEH-EOL-1

4.159,33

AZ-FO-4 (BAZ)

9.879,64

MK-FO-1

8.471,62

AZ-FO-5

5.566,81

MK-FO-2

4.549,58

AZ-FO-6

5.566,81

MK-FO-3

4.266,40

AZ-FO-7

5.566,81

MK-FO-4

8.172,70

AZ-FO-8

4.939,82

MK-HC-IC-K-1

10.194,36

AZ-FO-9

2.783,40

MK-HC-IC-K-2

10.194,36

AZ-FO-10

2.783,40

MK-HC-IC-K-3

5.097,18

AZ-FO-11

4.939,82

MK-HC-K-EOL-1

4.722,50

AZ-FO-12

2.783,40

MK-HC-IC-N-1

4.650,77

AZ-FO-13

2.783,40

MK-HC-IC-N-2

9.301,53

AZ-CCU-1

5.043,98

MK-HC-IC-N-3

4.650,77

AZ-CCU-2

5.043,98

MK-HC-N-EOL-1

4.496,46

AZ-CCU-3

5.043,98

MK-IC-K-1

10.194,36

AZ-CCU-4

5.043,98

MK-IC-K-2

10.194,36

AZ-CCU-5

2.521,99

MK-IC-K-EOL-1

5.097,18

AZ-CCU-6

2.521,99

MK-IC-N-1

9.301,53

AZ-CCU-EOL-1

5.043,98

MK-IC-N-2

9.301,53

AZ-IC-1

5.566,81

MK-IC-N-EOL-1

4.650,77

AZ-IC-2

11.133,61

MK-KIN-1

7.723,50

AZ-IC-3

2.783,40

MK-KIN-2

3.861,75

AZ-IC-4

2.783,40

MK-KIN-3

3.861,75

AZ-IC-5

2.783,40

MK-KIN-4

3.861,75

AZ-IC-6

5.566,81

MK-KIN-5

3.861,75

AZ-IC-EOL-1

5.566,81

MK-KIN-6

3.861,75

AZ-MC-1

10.242,74

MK-KIN-EOL-1

3.861,75

AZ-MC-EOL-1

5.121,37

MK-OBS-1

9.301,53

AZ-REC-1

2.511,26

MK-OBS-2

4.650,77

AZ-REC-2

5.022,52

MK-OBS-3

4.650,77

AZ-REC-3

5.022,52

MK-OBS-4

4.650,77

AZ-REC-4

10.045,04

MK-OBS-5

4.650,77

AZ-REC-5

2.511,26

MK-OBS-6

4.650,77

AZ-REC-6

2.511,26

MK-OBS-7

2.325,38

AZ-REC-EOL-1

5.022,52

MK-OBS-8

2.325,38

AZ-SEH-1

8.318,67

MK-OBS-EOL-1

4.650,77

AZ-SEH-2

4.159,33

LZ-FO-1

9.035,81

AZ-SEH-3

4.159,33

LZ-FO-2

4.517,90

LZ-FO-3

9.153,45

MO-OA-MOZ-1

3.617,90

LZ-FO-4

13.730,17

MO-OA-MOZ-2

3.617,90

LZ-FO-5

9.153,45

MO-OA-MOZ-3

3.617,90

LZ-FO-6

4.955,54

MO-OA-MOZ-4

3.617,90

LZ-GER-1

9.878,27

MO-OA-MOZ-5

3.617,90

LZ-GER-2

9.878,27

MO-OA-MOZ-6

10.853,71

LZ-GER-3

9.878,27

MO-OA-MOZ-7

7.235,81

LZ-GER-EOL-1

4.939,13

MO-OA-MOZ-8

3.617,90

LZ-NEU-1

9.911,09

MO-MOZ-EOL-1

14.520,36

LZ-NEU-2

9.911,09

MO-OA-1

10.853,71

LZ-NEU-3

9.911,09

MO-OA-2

7.235,81

LZ-NEU-EOL-1

4.955,54

MO-OA-3

3.617,90

LZ-ONCO-1

9.035,81

MO-OA-4

10.853,71

LZ-ONCO-EOL-1

4.517,90

MO-OA-5

10.853,71

MK-KO-1

17.130,77

MO-OA-6

3.617,90

MK-KO-EOL-1

5.710,26

MO-OA-7

3.617,90

LZ-END-1

10.239,32

MO-OA-8

3.617,90

LZ-END-2

5.119,66

MO-OA-9

3.617,90

LZ-END-3

10.239,32

MO-OA-10

3.617,90

LZ-END-4

5.119,66

MO-OA-11

3.617,90

LZ-END-5

5.119,66

MO-OA-12

3.617,90

LZ-END-6

5.119,66

MO-OA-EOL-1

14.471,62

LZ-END-EOL-1

5.119,66

MO-AM-1

1.808,95

LZ-DIA-1

11.379,48

MO-AM-2

3.617,90

LZ-DIA-2

11.379,48

MO-AM-3

1.808,95

LZ-DIA-3

5.689,74

MO-AM-4

3.617,90

LZ-DIA-4

11.379,48

MO-AM-5

3.617,90

LZ-DIA-5

5.689,74

MO-AM-6

1.808,95

LZ-DIA-6

5.689,74

MO-AM-7

1.808,95

LZ-DIA-7

5.689,74

MO-AM-8

1.808,95

LZ-DIA-8

11.379,48

MO-AM-9

3.617,90

LZ-DIA-EOL-1

5.689,74

MO-AM-10

3.617,90

LZ-DIAA-EOL-1

5.499,71

MO-AM-11

3.617,90

MO-FO-1

3.613,59

MO-AM-12

1.808,95

MO-FO-2

3.466,78

MO-AM-13

7.235,81

MO-MOZ-1

10.890,27

MO-AM-14

3.617,90

MO-MOZ-2

7.260,18

MO-AM-15

7.235,81

MO-MOZ-3

3.630,09

MO-AM-16

1.808,95

MO-AM-17

3.617,90

MO-RTL-6

8.065,72

MO-AM-18

3.617,90

MO-RTL-7

5.377,15

MO-AM-19

1.808,95

MO-RTL-8

5.377,15

MO-AM-20

1.808,95

MO-RTL-9

8.065,72

MO-AM-21

3.617,90

MO-RTL-10

8.065,72

MO-AM-22

7.235,81

MO-RTL-EOL-1

10.754,29

MO-AM-23

5.426,86

MO-RTL-EOL-SH

2.688,57

MO-AM-24

3.617,90

MO-GVM-1

5.689,63

MO-AM-25

3.617,90

MO-GVM-2

11.379,27

MO-AM-26

5.426,86

MO-GVM-3

11.379,27

MO-AM-27

3.617,90

MO-GVM-4

11.379,27

MO-AM-28

3.617,90

MO-GVM-5

5.689,63

MO-AM-29

1.808,95

MO-GVM-6

11.379,27

MO-AM-30

1.808,95

MO-GVM-7

5.689,63

MO-AM-31

1.808,95

MO-GVM-8

5.689,63

MO-AM-32

1.808,95

MO-GVM-EOL-1

5.689,63

MO-AM-33

1.808,95

MO-DI-1

16.898,43

MO-AM-EOL-1

14.471,62

MO-DI-2

5.632,81

MO-SPS-1

9.153,68

MO-DI-3

5.632,81

MO-SPS-2

5.492,21

MO-DI-4

14.082,02

MO-SPS-3

3.661,47

MO-DI-5

8.449,21

MO-SPS-4

5.492,21

MO-DI-6

5.632,81

MO-SPS-5

7.322,95

MO-DI-EOL-1

2.816,40

MO-SPS-6

1.830,74

MO-MIC-1

1.808,95

MO-SPS-EOL-1

3.661,47

MO-MIC-2

3.617,90

MO-RDL-1

10.754,29

MO-MIC-3

3.617,90

MO-RDL-2

8.065,72

MO-MIC-4

7.235,81

MO-RDL-3

5.377,15

MO-MIC-5

5.462,26

MO-RDL-4

2.688,57

MO-MIC-6

3.641,50

MO-RDL-5

5.377,15

MO-MIC-7

3.641,50

MO-RDL-6

5.377,15

MO-MIC-8

3.617,90

MO-RDL-7

10.754,29

MO-MIC-9

1.820,75

MO-RDL-8

8.065,72

MO-MIC-10

1.820,75

MO-RDL-9

2.688,57

MO-MIC-11

1.820,75

MO-RDL-10

8.065,72

MO-MIC-12

1.820,75

MO-RDL-11

5.377,15

MO-MIC-EOL-1

3.641,50

MO-RDL-12

5.377,15

MO-KP-1

10.840,76

MO-RDL-13

2.688,57

MO-KP-2

37.942,66

MO-RDL-EOL-1

10.754,29

MO-KP-3

32.522,28

MO-RDL-EOL-SH

2.688,57

MO-KP-4

27.101,90

MO-RTL-1

13.442,86

MO-KP-5

21.681,52

MO-RTL-2

10.754,29

MO-KP-6

5.420,38

MO-RTL-3

5.377,15

MO-KP-7

5.420,38

MO-RTL-4

8.065,72

MO-KP-EOL-1

21.681,52

MO-RTL-5

8.065,72

MO-KP-EOL-SC

32.522,28

Vergoedingsbedragen Inservice opleidingen

EPA/EOL-code

Def 2024

EPA/EOL-code

Def 2024

MO-FO-1

5.420,38

MO-AM-20

2.713,43

MO-FO-2

5.200,18

MO-AM-21

5.426,86

MO-OA-MOZ-1

5.426,86

MO-AM-22

10.853,71

MO-OA-MOZ-2

5.426,86

MO-AM-23

8.140,28

MO-OA-MOZ-3

5.426,86

MO-AM-24

5.426,86

MO-OA-MOZ-4

5.426,86

MO-AM-25

5.426,86

MO-OA-MOZ-5

5.426,86

MO-AM-26

8.140,28

MO-OA-MOZ-6

16.280,57

MO-AM-27

5.426,86

MO-OA-MOZ-7

10.853,71

MO-AM-28

5.426,86

MO-OA-MOZ-8

5.426,86

MO-AM-29

2.713,43

MO-OA-1

16.280,57

MO-AM-30

2.713,43

MO-OA-2

10.853,71

MO-AM-31

2.713,43

MO-OA-3

5.426,86

MO-AM-32

2.713,43

MO-OA-4

16.280,57

MO-AM-33

2.713,43

MO-OA-5

16.280,57

MO-AM-EOL-1

21.707,43

MO-OA-6

5.426,86

MO-RDL-1

16.131,36

MO-OA-7

5.426,86

MO-RDL-2

12.098,52

MO-OA-8

5.426,86

MO-RDL-3

8.065,68

MO-OA-9

5.426,86

MO-RDL-4

4.032,84

MO-OA-10

5.426,86

MO-RDL-5

8.065,68

MO-OA-11

5.426,86

MO-RDL-6

8.065,68

MO-OA-12

5.426,86

MO-RDL-7

16.131,36

MO-OA-EOL-1

21.707,43

MO-RDL-8

12.098,52

MO-AM-1

2.713,43

MO-RDL-9

4.032,84

MO-AM-2

5.426,86

MO-RDL-10

12.098,52

MO-AM-3

2.713,43

MO-RDL-11

8.065,68

MO-AM-4

5.426,86

MO-RDL-12

8.065,68

MO-AM-5

5.426,86

MO-RDL-13

4.032,84

MO-AM-6

2.713,43

MO-RDL-EOL-1

16.131,36

MO-AM-7

2.713,43

MO-RDL-EOL-SH

4.032,84

MO-AM-8

2.713,43

MO-RTL-1

20.164,20

MO-AM-9

5.426,86

MO-RTL-2

16.131,36

MO-AM-10

5.426,86

MO-RTL-3

8.065,68

MO-AM-11

5.426,86

MO-RTL-4

12.098,52

MO-AM-12

2.713,43

MO-RTL-5

12.098,52

MO-AM-13

10.853,71

MO-RTL-6

12.098,52

MO-AM-14

5.426,86

MO-RTL-7

8.065,68

MO-AM-15

10.853,71

MO-RTL-8

8.065,68

MO-AM-16

2.713,43

MO-RTL-9

12.098,52

MO-AM-17

5.426,86

MO-RTL-10

12.098,52

MO-AM-18

5.426,86

MO-RTL-EOL-1

16.131,36

MO-AM-19

2.713,43

MO-RTL-EOL-SH

4.032,84

De volledige tekst hierboven is de officiële, gepubliceerde bekendmaking; de samenvatting bovenaan deze pagina is automatisch gegenereerd. Controleer voorwaarden, deadlines en subsidieplafonds altijd op de officiële pagina voordat u een aanvraag indient.