Officiële Bekendmakingen (KOOP)
Utrecht
Subsidie voor samenwerkingsverbanden die een integraal gebiedsplan uitvoeren met activiteiten die bijdragen aan klimaat, milieu en biodiversiteit. Doelgroep: Samenwerkingsverbanden met ten minste twee landbouwers. Subsidieplafond: € 2.865.099,40.
Gedeputeerde Staten van Utrecht
Gelet op artikel 1.2 en paragraaf 6 van hoofdstuk 2 uit de Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 provincie Utrecht;
Besluiten:
vast te stellen het openstellingsbesluit Uitvoering van samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling provincie Utrecht 2025 als bedoeld in paragraaf 6 van hoofdstuk 2 van de Verordening Europese landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Utrecht, verder te noemen de Verordening;
het subsidieplafond voor de openstellingsperiode vast te stellen op € 2.865.099,40, bestaande uit:
€ 895.517,48 (100% EU-overhevelingsmiddelen);
€ 846.920,23 (43% EU-middelen uit het Europees Landbouw Fonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)) en
€ 1.122.661,69 (57% provinciale cofinancieringsmiddelen).
dat aanvragen kunnen worden ingediend van 24 februari 2026 09.00 uur tot en met 31 juli 2026 17.00 uur;
de volgende nadere regels vast te stellen:
1.
Subsidie kan worden verstrekt voor het in samenwerking uitvoeren van een integraal gebiedsplan, zoals bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid onder b van de Verordening.
2.
Subsidie wordt uitsluitend verstrekt als de aanvraag betrekking heeft op ten minste één van de volgende doelen:
bijdragen aan de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, onder meer door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, de koolstofvastlegging te verbeteren of duurzame energie te bevorderen;
bevorderen van de duurzame ontwikkeling of het efficiënte beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht, onder meer door de afhankelijkheid van chemische middelen te verkleinen;
bijdragen aan het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, tot versterking van ecosysteemdiensten en de instandhouding van habitats en landschappen.
Een integraal gebiedsplan bestaat uit minimaal één van de volgende activiteiten:
productieve investeringen als bedoeld in artikel 2.2.2 van de Verordening;
niet productieve investeringen landbouw als bedoeld in artikel 2.3.1 van de Verordening;
niet productieve investeringen niet landbouw als bedoeld in artikel 2.4.1 van de Verordening;
bijeenkomsten voor kennisoverdracht als bedoeld in artikel 2.10.1, eerste lid, onder a van de Verordening;
voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling;
ontwikkelen of beproeven van innovaties als bedoeld in artikel 2.5.2 van de Verordening dienend aan de doelen van het gebiedsplan, of
draagvlakontwikkeling of samenwerkingsactiviteiten.
Subsidie kan worden verstrekt aan de deelnemers van een samenwerkingsverband.
1.
In afwijking van artikel 2.6.4 eerste lid van de Verordening, bestaat een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3 tenminste uit twee landbouwers.
2.
Indien bijeenkomsten voor kennisoverdracht onderdeel uitmaken van het gebiedsplan, bestaat het samenwerkingsverband in aanvulling op het eerste lid ook uit tenminste één kennisaanbieder als bedoeld in artikel 2.10.2 van de Verordening.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 van de Verordening bevat een aanvraag om subsidie een integraal gebiedsplan met:
een beschrijving van de afbakening, analyse en uitdagingen van het gebied;
een uitwerking van de beoogde activiteiten die in het gebied worden uitgevoerd;
aangetoond draagvlak uit het gebied;
een beschrijving van de verschillende partijen die betrokken zijn bij het integrale gebiedsplan;
een beschrijving van de organisatiestructuur van het samenwerkingsverband;
een beschrijving van belanghebbenden en de relatie met de belanghebbenden bij het gebiedsplan;
een beschrijving van de wijze waarop monitoring en evaluatie over de voortgang plaatsvindt gedurende het project;
een beschrijving van de wijze waarop over de resultaten wordt gerapporteerd;
een toelichting op de begroting bedoeld in artikel 1.6, tweede lid, onder b van de Verordening, waaruit blijkt dat de subsidie voor de kosten, genoemd in artikel 2.6.9, tweede lid, onder g of i uit de Verordening, maximaal 25% van de totale subsidie bedraagt.
Onverminderd artikel 1.5 van de Verordening wordt subsidie geweigerd:
indien de aanvraag wordt gedaan door een reeds bestaand samenwerkingsverband, tenzij de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd nieuw is voor het reeds bestaande samenwerkingsverband; of
voor activiteiten waarvoor steun is verstrekt op grond van titel 5.8 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021.
1.
Overeenkomstig artikel 2.6.7 van de Verordening worden subsidiabele kosten, als bedoeld in artikel 1.8, berekend op basis van artikel 1.9a.
2.
De tarieven uit artikel 1.9a, eerste lid onder b van de Verordening zijn niet van toepassing.
Overeenkomstig artikel 2.6.8 van de Verordening komen kosten van investeringen van € 2.000.000 of meer voor de aanleg of verbetering van infrastructuur, met uitzondering van investeringen in het watersysteem die als doel hebben de waterkwaliteit te verbeteren, niet voor subsidie in aanmerking.
1.
Overeenkomstig artikel 2.6.9 tweede lid van de Verordening bedraagt de hoogte van de subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder b van de Verordening:
40% van de kosten voor productieve investeringen als bedoeld in artikel 2.6.2 onder a;
100% van de kosten van niet productieve investeringen landbouw die niet zijn gericht op het watersysteem, als bedoeld in artikel 2.6.2 onder b;
70% van de kosten voor niet productieve investeringen landbouw die zijn gericht op het watersysteem, als bedoeld in artikel 2.6.2 onder b;
100% van de kosten voor niet productieve investeringen niet landbouw, die niet alleen bijdragen aan waterkwantiteit, als bedoeld in artikel 2.6.2 onder c;
70% van de kosten voor niet productieve investeringen niet landbouw, die alleen bijdragen aan waterkwantiteit, als bedoeld in artikel 2.6.2 onder c;
80% van de kosten voor kennisoverdrachtsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.6.2, onder d;
100% van de kosten voor voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling als bedoeld in artikel 2.6.2 onder e;
100% van de kosten voor het ontwikkelen en beproeven van innovaties als bedoeld in artikel 2.6.2, onder f;
100% van de kosten voor draagvlakontwikkeling en samenwerkingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.6.2 onder g.
2.
De subsidie voor de som van de kosten, genoemd in het eerste lid, onder g of i, bedraagt maximaal 25% van de totale verstrekte subsidie.
3.
Als de berekende subsidie lager is dan € 125.000 wordt deze niet verstrekt.
1.
Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden door een onafhankelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 1.13 van de Verordening geselecteerd en gerangschikt op basis van de selectiecriteria met bijbehorende beoordelingsaspecten en wegingsfactoren zoals opgenomen in bijlage 1.
2.
Overeenkomstig artikel 1.12, vierde lid van de Verordening wordt een aanvraag geweigerd indien de aanvraag minder dan 33 punten heeft behaald.
In aanvulling op artikel 2.6.11 van de Verordening zijn de volgende verplichtingen van toepassing:
activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, dienen uiterlijk 31 december 2028 afgerond te zijn;
overeenkomstig artikel 2.6.11 en in aanvulling op artikel 1.15 van de Verordening is de subsidieontvanger verplicht om de opgedane kennis, ervaring en resultaten van het project gedurende de uitvoering van het project openbaar te maken via het Nationale en Europese EIP-netwerk als bedoeld in artikel 127 van Verordening (EU) 2021/2115 en andere geëigende netwerken.
1.
De subsidieontvanger is verplicht minimaal een keer per uitvoeringsjaar van het gebiedsplan, als het project langer dan 12 maanden duurt, te rapporteren over de voortgang waarin in ieder geval de tot dan toe bereikte resultaten worden vermeld.
2.
Een voortgangsverslag of deelbetalingsverzoek bevat, in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 1.16 en 1.18 van de Verordening, een opgave van de gerealiseerde resultaten van het gebiedsplan.
3.
Een inhoudelijk verslag bij vaststelling van de subsidie bevat, in aanvulling op het bepaalde in artikel 1.21 van de Verordening, een opgave van de gerealiseerde resultaten van het gebiedsplan.
Op de subsidie voor kosten als bedoeld in artikel 9, tweede lid, zijn de regels op basis van arrangement 3 als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid onder c, artikel 1.18, derde lid en artikel 1.21 van de Verordening van toepassing.
1.
Gedeputeerde Staten verstrekken ambtshalve een voorschot van 50% van de verleende subsidie.
2.
Een verzoek tot deelbetaling kan maximaal één keer per jaar worden ingediend.
3.
Een verzoek tot deelbetaling bedraagt minimaal 25% van de verleende subsidie of minimaal € 50.000.
Dit besluit wordt geplaatst in het Provinciaal Blad en treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst.
Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit GLB Uitvoering van samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling provincie Utrecht 2026.
Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 10 februari 2026.
Gedeputeerde Staten van Utrecht,
Voorzitter,
mr. J.H. Oosters
Secretaris,
mr. drs. A.G. Knol-van Leeuwen
Voor het bepalen van de rangschikking van projecten zijn zeven selectiecriteria van toepassing. Het bepalen van de scores van de selectiecriteria vindt als volgt plaats. Per selectiecriterium zijn diverse aspecten benoemd op basis waarvan een project wordt beoordeeld:
ambitie van het plan ten aanzien van de te realiseren gebiedsdoelen
De ambitie wordt bepaald door in samenhang te kijken naar de volgende aspecten:
Blijkt uit de ambitie van het gebiedsplan een gebiedsgerichte, integrale aanpak?
Hoe is de gebiedsopgave beschreven: in hoeverre zijn gezamenlijk gevoelde problemen en uitdagingen in een afgebakend gebied omschreven waarbij de ambitie is geformuleerd om gezamenlijk tot oplossingen te komen voor deze uitdagingen?
In hoeverre spelen landbouwers en de landbouw in het gebiedsplan een rol?
Is het gebiedsplan passend binnen de doelen van provinciale, waterschaps- en gemeentelijke omgevingsvisies, -plannen en (beleids)programma’s; wat is de ambitie van het gebiedsplan om aan deze doelen bij te dragen? Denk aan de doelen voor klimaat, milieu en biodiversiteit en bredere doelen als gezondheid, dierenwelzijn, sociaaleconomische versterking en het versterken van de landbouwstructuur.
Wat zijn de ambities van de betrokken landbouwers? Het gebiedsplan moet in elk geval de continuïteit en duurzaamheid van de landbouw borgen.
diversiteit van de partijen en aantal samenwerkende partijen
De diversiteit van het samenwerkingsverband: welke partijen investeren samen in oplossingen voor de gebiedsopgave die is opgenomen in het gebiedsplan? Dit wordt beoordeeld aan de hand van de volgende aspecten:
Nemen, naast landbouwers, voor de beschreven gebiedsopgave relevante gebiedspartijen deel zoals overheden, collega-ondernemers, terrein beherende organisaties, natuur- en landschapsorganisaties, kennispartijen, grondeigenaren? Of anderzijds betrokken partijen, zoals boerenorganisaties, landgoedeigenaren, ketenpartners, adviseurs of burgers?
Hoe divers is de samenstelling van de samenwerking?
Wat is de toegevoegde waarde van iedere afzonderlijke partner en hoe vullen zij elkaar aan in de samenwerking? Waarom zijn dit de juiste partners voor de gezamenlijke uitvoering van het gebiedsplan?
In hoeverre dragen alle partners de kosten en investeringen voor het plan, welke financiële bijdragen leveren alle partners zelf?
draagvlak voor het gebiedsplan
Het draagvlak voor de uitvoering van het gebiedsplan wordt beoordeeld door te kijken naar of de uitvoering van het gebiedsplan obstakelvrij is. In samenhang met de volgende aspecten wordt het draagvlak voor het gebiedsplan als volgt beoordeeld:
Op welke steun, bijvoorbeeld van lokale overheden of lokale gevestigde andere ondernemers en partijen, kan de uitvoering van het gebiedsplan van de partners in het samenwerkingsverband rekenen en hoe is dit onderbouwd?
Hoe divers is de opsomming van betrokken belanghebbende gebiedspartijen die draagvlak hebben getoond voor de uitvoering van het gebiedsplan?
Hoe heeft afstemming plaats gevonden met deze in het gebied aanwezige andere belanghebbende partijen die niet mee participeren in de uitvoering van het gebiedsplan, maar wel een belang hebben bij de uitvoering van het gebiedsplan?
effectiviteit van de activiteit
De mate van effectiviteit wordt beoordeeld aan de hand van de volgende aspecten:
In hoeverre draagt het gebiedsplan bij aan de doelen van de openstelling: klimaat, milieu (bodem, water en lucht) en biodiversiteit met daarnaast doelen vanuit provinciaal beleid of beleid van gemeenten of waterschappen? Een gebiedsplan dat bijdraagt aan zowel klimaat, milieu als biodiversiteit, zal hoger scoren dan een gebiedsplan dat enkel bijdraagt aan één van deze doelen. Is ook een nulmeting over deze doelen opgenomen om te kunnen sturen op streefbeelden en beoogde resultaten?
Zijn de doelen van het gebiedsplan op een logische wijze uitgewerkt naar activiteiten zoals investeringen, kennisoverdracht en bewustwording en samenwerking voor innovatie?
In hoeverre worden nieuwe kennis, concepten en innovaties in het project meegenomen om een grotere effectiviteit te realiseren in bijvoorbeeld de landbouw?
efficiëntie van uitvoering van de activiteit
Bij efficiëntie wordt gekeken naar de hoogte van de kosten die gemaakt moeten worden om de beoogde doelen en resultaten die opgenomen zijn in het gebiedsplan te bereiken. De mate van efficiëntie wordt beoordeeld aan de hand van de volgende aspecten:
Welke input, bijvoorbeeld geld, kennis en kunde, wordt ingezet en benut om de beoogde resultaten te kunnen realiseren?
Hoe efficiënt is de samenwerking georganiseerd, in hoeverre wordt de uitvoering van het gebiedsplan bijvoorbeeld projectmatig aangepakt?
Zijn duidelijke werkafspraken tussen de partners in het samenwerkingsverband vastgelegd en is sprake van kennisdeling om van elkaar te leren?
haalbaarheid van de activiteit
Bij haalbaarheid wordt gelet op de kans van slagen van de uitvoering van het gebiedsplan, gedurende de uitvoering maar ook in de tijd na ‘oplevering’ van het gebiedsplan. Belangrijk element hierin is in hoeverre de toekomst van de landbouw geborgd is. De mate van haalbaarheid wordt beoordeeld door in samenhang te kijken naar:
Staan de voorgenomen investeringen in verhouding tot de toekomst voor de voortzetting van de bedrijven?
Zijn de investeringen logisch haalbare gekozen investeringen? In hoeverre zullen de investeringen leiden tot het genereren van een bestendig inkomen voor de boerenbedrijven?
Bevat het gebiedsplan een beschrijving van de structurele inbedding van de resultaten na afloop (waaronder beheer- en exploitatiekosten)?
Is voorzien in de nodige flexibiliteit voor aanpassingen in de plannen, wat, waar, wie, hoeveel, wanneer?
In hoeverre zijn mogelijke risico’s geïdentificeerd en hoe is risicomanagement beschreven in het gebiedsplan?
In hoeverre zijn vergunningen voor de voorgenomen activiteiten en investeringen in het gebiedsplan reeds in bezit? Past het gebiedsplan binnen de vigerende richtlijnen voor ruimtelijke ordening van het gebied?
mate van urgentie van de activiteit.
Bij urgentie is het van belang om te zien in hoeverre de voorgenomen investeringen en maatregelen urgent zijn voor de beschreven gebiedsopgave in het gebiedsplan. Is in de regio, het gebied, sprake van een urgente opgave voor de doelen klimaat, milieu en biodiversiteit?
Toekenning van punten
Het toekennen van punten vindt per selectiecriterium op basis van de daarbij genoemde beoordelingsaspecten als volgt plaats:
0 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, zeer gering is;
1 punt wordt toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, gering is;
2 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, matig is;
3 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, voldoende is;
4 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, goed is;
5 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, zeer goed is.
Wegingsfactoren
Hieronder wordt weergegeven welke wegingsfactoren bij welk selectiecriterium van toepassing zijn. Per selectiecriterium kan een score van 0, 1, 2, 3, 4 of 5 punten worden behaald:
Selectiecriterium | Wegings-factor | Te behalen punten | Maximum per criterium | |
a | Ambitie van het plan ten aanzien van de te realiseren gebiedsdoelen | 2 | 0-5 | 10 |
b | Diversiteit van de partijen en aantal samenwerkende partijen | 2 | 0-5 | 10 |
c | Draagvlak voor het gebiedsplan | 2 | 0-5 | 10 |
d | Effectiviteit van de activiteit | 2 | 0-5 | 10 |
e | Efficiëntie van uitvoering van de activiteit | 1 | 0-5 | 5 |
f | Haalbaarheid van de activiteit | 1 | 0-5 | 5 |
g | Mate van urgentie van de activiteit | 1 | 0-5 | 5 |
Maximumaantal te behalen punten | 55 |
Rangschikking van aanvragen
Voor het rangschikking van alle aanvragen geldt dat een individuele aanvraag minimaal 60% van de maximaal te behalen score moet halen.
Er is sprake van een tender binnen deze openstelling. Voor de selectie van de gebiedsplannen die voor subsidie in aanmerking komen, is een onafhankelijke adviescommissie samengesteld. Aanvragen worden gescoord aan de hand van selectiecriteria en vervolgens gerangschikt. Alleen de aanvragen met de minimumscore of hoger komen voor subsidie in aanmerking, voor zover het binnen het opengestelde plafond past.
De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat de onafhankelijke adviescommissie aan de aanvraag toekent. Voor elke aanvraag geldt dat een minimumaantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen (60% van de maximum aantal te behalen punten). Indien een aanvraag minder dan 33 punten behaalt, wordt de aanvraag niet gehonoreerd. Het doel van deze systematiek is om alle aanvragen onderling te vergelijken en de beste aanvragen uit het totaalaanbod te kunnen selecteren.
Aanvragen worden op volgorde van de rangschikking gehonoreerd. Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten hebben gekregen en de som van de aangevraagde bedragen dusdanig is dat het subsidieplafond wordt overschreden, dan vindt tussen hen een prioritering plaats op de afzonderlijke scores in de volgorde: ambitie, diversiteit, draagvlak, effectiviteit, efficiëntie, haalbaarheid en urgentie. Als van de twee gelijk scorende aanvragen aanvraag 1 bijvoorbeeld 4 punten op effectiviteit heeft gescoord en aanvraag 2 3 punten, dan wordt de aanvraag 1 hoger gerankt dan aanvraag 2, ondanks de overall gelijke score van aanvraag 1 en 2.
Indien de aanvragen in het geheel een gelijk aantal punten hebben behaald, dus ook op de afzonderlijke selectiecriteria, dan wordt de rangschikking van de aanvragen bepaald door loting. Het toekennen van de scores en de rangschikking vindt plaats door een onafhankelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 1.13 van de Verordening.
LEESWIJZER Voorliggend openstellingsbesluit moet in samenhang gelezen worden met de Verordening Europese landbouwsubsidies 2023-2027 van de provincie Utrecht. Met dit openstellingsbesluit wordt paragraaf 6 uit hoofdstuk 2 van de Verordening – de maatregel Samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling – opengesteld. De artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12 van de Verordening moeten tezamen gelezen worden met de artikelen in dit openstellingsbesluit. Daarnaast zijn de algemene en slotbepalingen uit de Verordening ook van toepassing op een aanvraag. |
ALGEMEEN
Samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling
We willen toekomstbestendig boeren mogelijk maken door agrariërs en plattelandsinitiatieven die bijdragen aan verbetering van doelen voor klimaat, milieu (bodem-, water- en luchtkwaliteit) en biodiversiteit te faciliteren en te belonen. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn de nadruk op eigen verantwoordelijkheid en ruimte voor ondernemerschap. Zo ontwikkelen we een ‘Ondernemersprogramma Landbouw’ dat helpt bij het maken van individuele keuzes om te komen tot een rendabele en duurzame bedrijfsvoering. Onderdeel van het Ondernemersprogramma is het GLB-programma. Binnen dit programma wordt de openstelling Samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling georganiseerd.
De bedoeling is dat agrariërs en andere gebiedspartners middels deze maatregel worden uitgenodigd en gefaciliteerd om met elkaar een gebiedsplan uit te voeren ter realisatie van de UPLG-doelen op het gebied van klimaat, water, bodem, biodiversiteit en landbouw van provincie Utrecht. Het begint bij een initiatiefnemer voor het planproces, die vraagt subsidie aan voor het opstellen van een plan en aangaan van een samenwerking binnen deze openstelling Voorbereiding van samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling. De verwachting is dat door de partners in het gebied zelf aan het roer te zetten, de UPLG-doelen sneller en efficiënter worden gerealiseerd. Door deze aanpak worden agrarische ondernemers en andere gebiedspartijen uitgedaagd om de kansen in hun gebied en op hun bedrijven echt in kaart te brengen en vervolgens gezamenlijk acties te bedenken en uit te voeren om het te versterken.
Middels deze openstelling nodigt de provincie met name de (melk)veehouderij uit om aan de slag te gaan met de reductie van de ammoniakemissie zoals die in het ontwerp-UPLG is beschreven. Voor natuurherstel in de Natura 2000-gebieden, en daarmee ook ruimte voor vergunningverlening, is het verlagen van de stikstofuitstoot cruciaal. Daarvoor stellen we een algemene aanpak en een gebiedsaanpak voor. Bij de algemene aanpak sturen we op een provinciale vermindering van de stikstofuitstoot in de landbouw van 46% in 2035 ten opzichte van 2019. Dat willen we op twee manieren realiseren: binnen de grondgebonden veehouderij kunnen agrariërs via voer- en managementmaatregelen de ammoniakuitstoot flink beperken. Dit kan gemeten worden via de combinatie van de hoeveelheid ureum in de melk en het aantal uren weidegang. Onder andere de Kringloopwijzer kan helpen bij het monitoren van de voortgang. Als deze aanpak op vrijwillige basis de komende jaren voldoende effect heeft, is het instellen van een algemene emissienorm niet nodig. Voor de niet-grondgebonden veehouderij - zoals legkippen, varkens en kalveren - hanteren we een emissienorm per dier in bestaande stallen. Om dit te bereiken, zijn stalinnovaties zoals luchtwassers noodzakelijk. Ook de gebiedsgerichte aanpak kan deels via deze openstelling door agrariërs en gebiedspartijen worden opgepakt.
Een samenwerkingsverband in een afgebakend gebied kan van deze provinciale GLB-maatregel gebruik maken. Met als partijen in elk geval landbouwers, maar voor de hand liggen voorts overheden als gemeenten en waterschappen, natuur- en landschapsorganisaties, (terrein beherende) organisaties en personen zoals particuliere grondeigenaren.
Gebiedsgericht samenwerken in provincie Utrecht via het Utrechts programma landelijk gebied
De ambities en opgaven die hiervoor beschreven zijn, vragen in de uitvoering nauwe samenwerking van de betrokken partijen. In Utrecht zijn we al jarenlang gewend om opgaven en doelen in het landelijk gebied op te pakken samen met de partijen in het gebied. We willen zoveel mogelijk kennis en ervaring uit een gebied benutten en aansluiten bij de wensen die in een gebied leven en de mogelijkheden die er in potentie zijn. De provincie is lang niet in alle gevallen initiatiefnemer van een proces of project. Dit zijn vaak ook andere gebiedspartijen, bijvoorbeeld een waterschap, een gemeente, een agrarische organisatie of een natuurorganisatie. Bij het samenwerken in een gebied hanteren we de volgende uitgangspunten (ULG, 2022):
We werken samen: met de gebiedspartijen en als één overheid.
Het gebied staat centraal.
We creëren meerwaarde.
We zorgen ervoor dat belanghebbenden en betrokkenen inbreng kunnen geven en zich betrokken voelen.
We sluiten ons aan bij bestaande organisatiestructuren voor zover dat mogelijk en nuttig is.
We nemen genoeg momenten om te reflecteren en kennis uit te wisselen.
We sturen bij als dat nodig is.
Elke planfase in een gebiedsproces vraagt om specifieke afspraken en verschillende rollen. Wanneer we kijken naar gebiedsprocessen op lokaal niveau (zoals polderprocessen) dan worden vaak de volgende fasen doorlopen:
Startfase: eerste oriëntatie;
Verkennende fase: in gesprek met het gebied;
Planfase: met het gebied een Gebiedsplan opstellen;
Aanlegfase: voorbereiding van de uitvoering en de echte uitvoering;
Nazorg: kennisdeling, monitoring, beheer en onderhoud.
Dat wij in principe werken met de gebiedsgerichte aanpak wil overigens niet zeggen dat er geen uitvoering langs andere sporen plaatsvindt. Zo zijn veel van de subsidieregelingen provinciebreed inzetbaar en kunnen zij aangevraagd worden door elke partij die daar interesse in heeft.
De gebiedsgerichte aanpak vraagt om openheid en vertrouwen en helder zijn over waar we stevig op moeten inzetten en waar we ruimte aan de gebieden kunnen geven voor maatwerk. In zijn algemeenheid streven we naar maximale handelingsruimte bij de gebiedsprocessen, omdat in het gebied de kennis, betrokkenheid en energie zit die nodig is om dingen voor elkaar te krijgen. Dit betekent dat het gebied zelf met voorstellen kan komen en daarmee een beroep kan doen op de beschikbare middelen. Voor de middelen van de UPLG-maatregelpakketten ligt dit wat complexer omdat bij sommige maatregelpakketten de middelen via afspraken met het Rijk al gedetailleerd zijn gelabeld, er is dan weinig bewegingsvrijheid. Daar waar wel ruimte is, is het belangrijk dat de gebieden die ruimte met eigen ideeën in kunnen vullen. Bij bestaande afspraken wordt in overleg met de andere partijen bekeken hoe de opgaven en maatregelen het beste vorm kunnen krijgen in de gebieden.
De urgentie van sommige opgaven vraagt echter om een aanpak met meer sturing. Dat is zichtbaar in dit UPLG. Het UPLG vormt een belangrijk kader voor de uitvoeringsagenda’s en daarmee voor de gebiedsprocessen. De uitvoering van de opgaven vindt veelal plaats op basis van vrijwilligheid. Het dwingende karakter van opgaven (en de rechtelijke uitspraken op dit vlak) enerzijds en de aanpak via vrijwilligheid anderzijds levert soms een lastig spanningsveld op voor betrokkenen. Op basis van deze werkelijkheid zijn grofweg twee sporen voor de uitvoering te onderscheiden: 1) strak waar het moet en 2) ruimte geven waar het kan:
Spoor 1, strak waar het moet: Dit gaat over de opgaven die vanuit een grote beleidsmatige en juridische urgentie een meer dwingend karakter hebben. Hier is dus minder ruimte voor gebiedsgericht maatwerk in de uitvoering. Een goed voorbeeld hiervan zijn de opgaven vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn voor het herstel van de Natura2000-gebieden. De wetgeving op dit gebied is streng. Eerdere maatregelen die afgesproken zijn, hebben ofwel onvoldoende effect gehad of zijn onvoldoende gerealiseerd. Dit heeft effect op alle (agrarische) activiteiten in en rondom een Natura2000-gebied en maakt ons juridisch kwetsbaar. Daarom zullen we als provincie meer de regie moeten nemen om herstelmaatregelen te treffen. Bovendien is voor het stikstofdossier een geborgde aanpak noodzakelijk om de vergunningverlening weer op gang te krijgen.
Spoor 2, ruimte geven waar het kan: Door de natuur te herstellen en de waterkwaliteit te verbeteren, ontstaat weer ruimte om de oplossingen en ideeën van de lokale stakeholders op te pakken. Waar mogelijk hebben agrariërs en andere gebiedspartijen zelf de regie in handen in de uitvoering. Zoals hiervoor al aangegeven, kan een samenwerkingsovereenkomst met heldere afspraken over tijd, geld en beoogd effect hierbij helpen. Het laat bovendien het commitment zien van alle betrokkenen. Uitgangspunt bij dit spoor is dat we het gebied centraal stellen in het aandragen en realiseren van de oplossingen. Dit samen met de nodige handelingsruimte voor de grondeigenaren. Voorbeelden hiervan zijn de vrijwillige deelname aan: agrarisch natuurbeheer, de UMDL, fieldlabs, het verhogen van grondwaterstanden in de veenweiden door aanleg van waterinfiltratiesystemen, kavelruil of bedrijfsverplaatsing. Dit alles met vertrouwen in elkaar en openheid over zorgen en kansen.
Provincie Utrecht kiest met de gebiedsgerichte aanpak voor een eigen aanpak, de Utrechtse aanpak. Deze aanpak gaat uit van vertrouwen en het gezamenlijk zoeken naar gedragen en integrale oplossingen. Binnen deze oplossingen worden doelen, belangen en waarden gezamenlijk afgewogen.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 1 Subsidiabele activiteit
Subsidie is beschikbaar voor de uitvoering van het gebiedsplan. Een gebiedsplan is primair gericht op de volgende drie Europese doelen:
Doel | Beschrijving |
SO4 | Klimaat: Lagere broeikasgasemissies en grotere koolstofvastlegging; Lagere ecologische, economische schade en waterkwantiteit (klimaatadaptatie). |
SO5 | Natuurlijke hulpbronnen: Betere chemische en biologische waterkwaliteit; Landbouwbodems (bodemkwaliteit): naar een sterkere natuurlijke weerbaarheid en waterleverend vermogen van de bodem; Betere luchtkwaliteit (terugdringen emissies van stikstof, geurstoffen en fijnstof) |
SO6 | Biodiversiteit en cultuurhistorisch landschap: Meer en herstel biodiversiteit (soorten en habitatten en daarmee ook landschappen) in landbouwgebieden, door middel van verandering in bedrijfsvoering; Landbouw zo ingericht dat ecosysteemdiensten (producerende en regulerende) geleverd kunnen worden; Instandhouding en herstel van (cultuur)landschappen. |
Een gebiedsplan kan vrij worden ingevuld binnen de kaders van dit openstellingsbesluit. Elk gebied kan een eigen plan op maat maken. Deze regeling Samenwerking Integrale Gebiedsontwikkeling biedt gebieden de mogelijkheid van een budget waar allerlei verschillende activiteiten uit betaald kunnen worden. Het subsidieaandeel voor het proces (management voor de uitvoering van het gebiedsplan) mag niet meer zijn dan 25% van de totaal verstrekte subsidie voor de uitvoering van het gebiedsplan. De Europese Commissie stelt dat tenminste 75% naar investeringen moet gaan.
Voorop staat dat in gebiedsplannen de gebiedskoers zich integraal richt op de Europese doelen voor klimaat, milieu, biodiversiteit en verduurzaming van de landbouw en aansluit bij het beleid van provincie, waterschap en gemeenten. Daarom zullen desbetreffende overheden direct betrokken zijn bij de gebiedskoers, de doelen van het gebiedsplan en mogelijk zelf partner zijn in het samenwerkingsverband in het specifieke gebied.
Dit openstellingsbesluit GLB Uitvoering van samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling is een breed samenbindend instrument met subsidie voor investeringen en open van opzet. Het gebiedsplan kan allesomvattend zijn maar hoeft niet. Tegelijk gaat het om focus en wat realistisch haalbaar is met het oog op de beschikbare subsidiabele investeringsmogelijkheden bij uitvoering van het gebiedsplan.
Artikel 2 Integraal gebiedsplan
De uitvoering van het gebiedsplan kan bestaan uit de volgende subsidiabele activiteiten:
Investeringen voor de uitvoering van het gebiedsplan waaronder: | Management voor de uitvoering van het gebiedsplan, waaronder: |
|
|
Belangrijk uitgangspunt is dat alle voorgenomen activiteiten niet leiden tot verslechtering van dierenwelzijn.
Voorbeelden van subsidiabele kosten per onderdeel zoals hierboven genoemd:
Productieve investeringen groen- blauw en dierenwelzijn
investeringen in bedrijfsmiddelen met een effect op de economische bedrijfsvoering en gericht op de doelen water, biodiversiteit en biologische bestrijding, energie en klimaat, veehouderij en precisielandbouw. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regelbare drainage, agroforestry, elektrische machines of werktuigen, vergistingsinstallaties en mestverwerkingssystemen, emissiearme vloeren of precisiebemesting.
Niet productieve investeringen op landbouwbedrijven
investeringen op landbouwgrond die geen invloed hebben op de economische bedrijfsvoering, bijvoorbeeld op het gebied van watergebruik/beheer, investeringen voor het aanleggen van een bloemrijke rand, de aanleg van voorzieningen (o.a. plas-dras) voor weidevogelbeheer, de aanleg van landschapselementen, de aanleg van kruidenrijk grasland, de aanleg van greppels ten behoeve van waterkwaliteit of natuurvriendelijke oevers en plasdras sloten. Meer concreet kan hierbij gedacht worden aan herstel en aanleg singels, houtwallen, heggen, hagen, bosjes, solitaire bomen, pingo’s, dobben en drenkpoelen, herstel en aanleg van akkerranden, struweelranden, vogelakkers, natuurvriendelijke oevers en herstel beplanting agrarische erven. Hierbij moet worden opgemerkt dat niet-productieve investeringen landbouw niet per definitie onder het ANLb gaan vallen. Daarnaast kunnen de investeringen leiden tot een verandering op percelen. Deze veranderingen dienen in het perceelsregister verwerkt te worden, vanwege mogelijke gevolgen voor de steun die op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 ontvangen wordt.
Niet productieve investeringen op niet-landbouwbedrijven
investeringen buiten landbouwgrond die geen invloed hebben op de economische bedrijfsvoering en gericht zijn op het uitvoeren van herstelmaatregelen en (grootschalige) inrichting van gebieden die bijdragen aan verbetering van de waterhuishouding, natuur, klimaatmitigatie en -adaptatie en biodiversiteit, investeringen in waterlopen, (op)vaarten en cultuurlandschappelijk slotenpatroon, herstel en aanleg natuurvriendelijke oevers.
Kennisoverdracht
activiteiten voor het delen van kennis en ervaring met groepen landbouwers, dit kunnen trainingen, workshops, coachingsactiviteiten, voorlichtingsacties of demonstraties zijn. Hierbij kan verder gedacht worden aan bewustwording en educatie over kringlooplandbouw en toekomstig boeren. Bijeenkomsten om te leren samenwerken met alle partijen in het gebied vanuit de gedachten doelsturing en gezamenlijk eigenaarschap, wat zijn de doelen en opgaven in het eigen gebied en hoe kan draagvlak vergroot worden? Leren wat datagedreven werken is en participatieve monitoring met bijvoorbeeld citizen science sensoring.
Voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling
voor kavelruil/ruilverkaveling (vrijwillige kavelruil) geldt dat kosten voor de voorbereiding (analyse) en kosten voor de uitvoering (transactie, bijvoorbeeld notariskosten) voor subsidie in aanmerking komen.
Ontwikkelen en beproeven van innovaties
activiteiten voor het ontwikkelen, doorontwikkelen, beproeven of praktijkrijp maken van nieuwe concepten, producten of diensten dienend aan de doelen van het gebiedsplan. Hierbij kan gedacht worden aan het sluiten van kringlopen met een groep van landbouwbedrijven, ketenbenadering waaronder korte ketens, de omslag naar produceren voor biobased bouwen en promoten van de boer-burger dialoog.
Draagvlakontwikkeling en samenwerkingsactiviteiten
activiteiten voor het vinden van partners en gezamenlijk opzetten en voeren van het gebiedsproces waarbij overleg en afstemming onderdeel kan zijn; proces- en projectmanagement.
De onderdelen a, b, c, d en f bedragen minimaal 75% van de totale subsidie voor de uitvoering van het gebiedsplan. Onderdelen e en g bedragen maximaal 25% van de totale subsidie voor de uitvoering van het gebiedsplan. Tezamen vormen deze onderdelen het management voor de uitvoering van het gebiedsplan. Daarbij kan meer algemeen gedacht worden aan kosten voor de penvoerder, inzet van personeel, om de samenwerking en administratie te organiseren. De penvoerder zou een gemeente kunnen zijn maar ook een waterschap, een krachtig agrarisch collectief of een grote natuur of landschapsorganisatie. Of elk andere organisatie of entiteit.
Artikel 3 Aanvrager
De subsidie voor het in samenwerking uitvoeren van een integraal gebiedsplan wordt aangevraagd door een samenwerkingsverband. De penvoerder van het samenwerkingsverband dient de aanvraag in namens het samenwerkingsverband dat het gebiedsplan gaat uitvoeren. De penvoerder moet door alle deelnemers aangewezen zijn om voor de uitvoering van het gebiedsplan de projectleiding op zich te nemen. Alle partners in het samenwerkingsverband maken op basis van hun eigen deelbegroting in het gebiedsplan kosten en zijn daarmee medebegunstigden van de subsidie die ze voor deze kosten aanvragen.
Artikel 4 Samenwerkingsverband
Een samenwerkingsverband moet minimaal bestaan uit twee landbouwers en kan daarnaast bestaan uit een of meerdere van de volgende partijen:
grondeigenaren,
grondgebruikers,
landbouworganisaties,
natuur- en landschapsorganisaties,
provincies,
waterschappen,
gemeenten, en
overige natuurlijke- of rechtspersonen.
Als sprake is van een kennisoverdracht als onderdeel van de activiteiten in het gebiedsplan, dient in het samenwerkingsverband ook een kennisaanbieder als projectpartner vertegenwoordigd te zijn.
In gebieden kunnen processen lopen die niet altijd het kenmerk van gezamenlijk eigenaarschap dragen. Soms zijn niet alle overheden aan boord, soms ontbreekt het aan een groep boeren die zich betrokken voelt. Plannen van natuur- en landschapsorganisaties en burgerinitiatieven zijn af en toe in uitvoering zonder betrokkenheid van boeren of overheid.
Overheidspartijen kunnen deelnemer zijn van het samenwerkingsverband. Het is goed voorstelbaar dat een gemeente of waterschap de penvoerdersrol neemt. Het staat een gebied vrij om voor een andere penvoerder te kiezen.
Na investeringen beheer ervan inrichten vanaf 2028
Voor boeren is het toekomstperspectief dat na het doen van de investeringen in het kader van een gebiedsplan het beheer uiteindelijk terecht komt in de nieuwe ANLb contracten in de volgende GLB-programmaperiode. Juist omdat de uitvoering van het gebiedsplan langjarig kan lopen. In de uitvoering van een gebiedsplan kan een boer zich richten op verbreding van doelen, verzwaring van bepaald beheer en meer areaal.
Governance van het samenwerkingsverband
Wat in de praktijk goed blijkt te werken is een projectorganisatie met een stuurgroep en uitvoeringsteam waarbij de penvoerder faciliteert en regisseert. In stappen kan gewerkt worden van een intentieverklaring, naar een samenwerkingsovereenkomst, uitvoeringsorganisatie en programmabegroting. Elke stap heeft een eigen doorlooptijd nodig. Voor de aanvraag is het overleggen van de samenwerkingsovereenkomst voor de uitvoering van het gebiedsplan verplicht.
Deze regeling gaat uit van een penvoerder die juridisch de eindverantwoordelijkheid kan dragen voor het samenwerkingsverband met de verschillende partijen. Omdat de penvoerder zorgdraagt voor uitvoering van de afspraken die de stuurgroep van het samenwerkingsverband maakt, welke doelen, welke middelen, wie krijgt wat, ontzorgt de penvoerder het gehele gezelschap waarvan de partners anders ieder voor zich een aanvraag doen, niet weten of ze succes hebben en zelf de projectadministratie moet doen.
Artikel 5 Aanvraagvereisten
Een aanvraag voor subsidie voor de uitvoering van een gebiedsplan bevat, zoals opgenomen in artikel 2.6.5 van de Verordening, als bijlage een integraal gebiedsplan met daarin in ieder geval de verplichte onderdelen opgenomen zoals genoemd in artikel 2.6.5 van de Verordening.
De aanvraag bevat als bijlage tevens een samenwerkingsovereenkomst:
de rolverdeling en juridische verantwoordelijkheden tussen de gebiedspartners vastgelegd.
welke gebiedspartner namens alle partijen zal optreden als aanvrager (penvoerder). De penvoerder treedt op als contactorganisatie richting de subsidieverstrekker en de bevoegde controleautoriteiten. De penvoerder is tevens verantwoordelijk voor de inrichting van de projectadministratie en het rapporteren over de voortgang van het project conform de voorwaarden zoals gesteld door subsidieverstrekker. Controle van deze projectadministratie zal worden uitgevoerd door de bevoegde controleautoriteiten.
De aanvraag bevat een begroting op basis van een ingevuld rekenformulier in Excel (zie format op website):
De begroting en financiering van de activiteiten, waaronder de kosten die verband houden met investeringen en alle aspecten van de samenwerking.
Artikel 6 Weigeringsgronden
Dit artikel beschrijft de gronden op basis waarvan een aanvraag om subsidie kan worden geweigerd.
Artikel 7 Subsidiabele kosten
Kosten zijn subsidiabel wanneer deze bestaan uit:
Loonkosten
Kosten eigen arbeid
Bijdragen in natura
Afschrijvingskosten
Overige kosten (kosten derden)
Kosten die voor subsidie in aanmerking komen zijn berekend volgens de methode voor werkelijke kosten, zie hiervoor artikel 1.9a van de Verordening.
Artikel 8 Niet subsidiabele kosten
Dit artikel beschrijft welke kosten niet voor subsidie in aanmerking komen.
Artikel 9 Hoogte subsidie
Voor de uitvoering van gebiedsplannen kan per opgenomen activiteit een ander subsidiepercentage van toepassing zijn.
De subsidie voor de uitvoering van het gebiedsplan kan bestaan uit:
Productieve investeringen waarvoor 40% subsidie geldt, en
Niet productieve investeringen waarvoor 100% subsidie geldt.
Als niet productieve investeringen betrekking hebben op het watersysteem en gedaan worden door landbouwers of wanneer deze alleen betrekking hebben op waterkwantiteit, geldt 70% subsidie.
Kennisoverdrachtactiviteiten waarvoor 80% subsidie geldt;
100% subsidie voor het uitwerken en testen van innovatieve concepten, en
Bovenvermelde onderdelen maken tezamen minimaal 75% van de subsidie uit.
Verder kan een gebiedsplan bestaan uit management:
100% subsidie voor voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling;
100% subsidie voor draagvlakontwikkeling en het proces van samenwerking.
Bovenvermelde onderdelen maken tezamen maximaal 25% van de subsidie uit.
Artikel 10 Selectiecriteria
Een gebiedsplan komt tot stand door integraal te werken, dat is de kerngedachte van deze maatregel Samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling. Hiermee wordt bedoeld dat de aanpak integraal moet zijn waarbij de mate van integraliteit bijvoorbeeld toe kan nemen wanneer de diversiteit aan doelen waar het gebiedsplan over gaat hoger is, wanneer de diversiteit aan gebiedspartners betrokken bij het gebiedsplan hoger is en wanneer de diversiteit aan voorgenomen en begrote maatregelen en activiteiten in het gebiedsplan hoger is.
Toelichting bij bijlage 1 – Beoordelingsaspecten bij selectiecriteria
Bij selectiecriterium a ‘ambitie van het plan ten aanzien van de te realiseren gebiedsdoelen’ heeft de provincie Utrecht voorkeur voor projecten die bijdragen aan een significante stikstofreductie en depositie op stikstofgevoelige gebieden (denk ook aan effect op de Veluwe) of die bijdragen aan het tegengaan van bodemdaling. Deze projecten ziet de provincie bovendien als urgent en hebben dus ook invloed op criterium g ‘mate van urgentie van de activiteit’.
Een onafhankelijke adviescommissie zal de aanvragen voor subsidie voor de uitvoering van gebiedsplannen toetsen aan de hand van de zeven selectiecriteria zoals opgenomen in bijlage 1.
Artikel 11 Verplichtingen
De uitvoering van het gebiedsplan moet uiterlijk 30 juni 2028 afgerond zijn. Dat betekent dat alle activiteiten uitgevoerd moeten zijn en dat de kosten ervan gemaakt zijn. Met deze einddatum wordt binnen de huidige GLB-periode maximaal ruimte gegeven voor de uitvoering van gebiedsplannen.
Aansluiting op het Nationale (Netwerk platteland) en Europese EIP netwerk draagt ertoe bij dat samenwerkingsverbanden gedurende het gehele project gebruik kunnen maken van beschikbare kennis en ervaring voor een hogere effectiviteit. Het doel hiervan is dat het delen van de kennis die opgedaan wordt tijdens de projecten, door anderen gebruikt kan worden en daardoor bijdraagt effectievere en innovatieve gebiedsplannen in Nederland en in Europa. Daarnaast kunnen via de netwerken ook interacties ontstaan tussen de verschillende samenwerkingsverbanden zodat deze elkaar kunnen versterken door een community te vormen.
De subsidieontvanger is verplicht om de resultaten van het project te delen via de hiertoe geëigende netwerken. Onder geëigende netwerken wordt in ieder geval begrepen:
Team Uitvoering Landelijk Gebied van de provincie Utrecht. Gericht aan de gebiedsregisseur via gebiedsproces@provincie-utrecht.nl.
Groen Kennisnet*
EIP-netwerk** als bedoeld in artikel 127 VO (EU) nr 2021/2115.
*Met Groen Kennisnet, het kennisplatform van de groene sector in Nederland, is een speciale samenwerking aangegaan. Groen Kennisnet maakt voor elk Nederlands project een pagina aan om de plannen en eindresultaten te delen. Ook tijdens uw project kunt u resultaten delen via Groen Kennisnet. Groen Kennisnet neemt hierover contact met u op.
** Het Europees Innovatienetwerk voor de Landbouw (EIP-AGRI) werkt aan de bevordering van concurrerende en duurzame land- en bosbouw in Europa. Het EIP-AGRI-netwerk is onderdeel van het CAP Network van de EU. Elk project wordt gemeld aan dit Europese EIP netwerk.
Artikel 12 Voortgangsverslag, deelbetaling en inhoudelijk verslag
Bij voorgangsverslagen, verzoeken tot deelbetaling en vaststelling gelden rapportageverplichtingen. Deze verplichtingen worden opgelegd omdat de lidstaten verplicht zijn dergelijke gegevens aan te leveren bij de Europese Commissie. In eerste instantie dient men te rapporteren over het aantal personen dat baat gehad heeft bij het gebiedsplan en wordt als volgt in beeld gebracht: het gerealiseerde aantal personen dat van advies, opleiding, kennisuitwisseling of deelname aan de EIP groep heeft geprofiteerd om betere duurzame economische, sociale, milieu- en klimaatprestaties en prestaties op het gebied van hulpbronnenefficiëntie te leveren.
Artikel 13 Subsidie-arrangement
Voor de verantwoording van de subsidie voor de uitvoering van een gebiedsplan geldt dat alle kosten waarvoor subsidie is verleend verantwoord moeten worden aan de hand van een inhoudelijk en financieel verslag conform arrangement 3 uit de Verordening. In feite vindt de verantwoording van de subsidie plaats op basis van daadwerkelijk gerealiseerde kosten.
Artikel 14 Voorschot
Bij subsidieverlening wordt een voorschot van 50% van de verleende subsidie direct uitbetaald.
De volledige tekst hierboven is de officiële, gepubliceerde bekendmaking; de samenvatting bovenaan deze pagina is automatisch gegenereerd. Controleer voorwaarden, deadlines en subsidieplafonds altijd op de officiële pagina voordat u een aanvraag indient.